← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260317.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 17 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260317.2 Rolnummer: A/24/00253 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-03-19 Raadplegingen: 650 - laatst gezien 2026-06-18 22:20 Fiche Aansprakelijkheidsvordering tegen curator: Een aandeelhouder van een gefailleerde kan enkel vergoeding ontvangen voor “eigen schade.” De waardevermindering van aandelen – of desgevallend het verminderen van het vereffeningsaldo – betreft zogenaamde ‘afgeleide' schade, namelijk schade door ‘weerkaatsing' voor een aandeelhouder die geen andere oorzaak heeft dan de aantasting van het vennootschapsvermogen. De waardevermindering van de aandelenparticipatie, veroorzaakt door de aantasting van het vennootschapsvermogen, doet in hoofde van de aandeelhouder geen autonome, van de schade van de vennootschap te onderscheiden, schade ontstaan. Voor zulke afgeleide schade beschikken de aandeelhouders niet over enig vorderingsrecht, ook al stelt de curator van de failliet verklaarde vennootschap zelf geen vordering in tegen zichzelf wegens de geleden schade. Het eigendomsrecht van het vennootschapsvermogen berust immers uitsluitend bij de vennootschap en niet bij haar aandeelhouders. Ook na sluiting van het faillissement heeft een aandeelhouder hieromtrent geen vorderingsrecht ten aanzien van de derde die schade heeft veroorzaakt aan het vennootschapsvermogen. Eerder dan af te wijken van de rechte theoretische lijnen inzake het persoonlijk karakter van de schade, de bevoegdheden van de curator en het onderscheid tussen de vermogens, is de rechtbank van oordeel dat op basis van huidige wetgeving de oplossing voor zulke gevallen gelegen is in de aanstelling van een curator ad hoc. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: aansprakelijkheid curator / vordering door aandeelhouder / collectieve schade / eigen schade Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent 2de kamer heeft vonnis verleend tussen partijen: . De heer [PD], Eiser, Met als raadsman […] . TEGEN: . Meester [CV], in eigen naam, advocaat […] verweerster, vertegenwoordigd door […] . Inhoud: I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE II. SITUERING VAN HET GESCHIL III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN IV. VOORAF V. ONTVANKELIJKHEID V.A. Wat betreft de hoedanigheid van eiser als vennoot van gefailleerde V.B. Wat betreft de hoedanigheid van eiser als schuldeiser van gefailleerde V.C. Wat betreft de vordering van een vennoot tegen de curator tijdens het faillissementsbewind V.D. Wat betreft de verjaring VI. BEOORDELING TEN GRONDE VI.A. Vooraf: wat betreft collectieve schade en eigen schade VI.B. Vordering “medeplichtig aan vervalsing” inzake “lening Fortis aan [GETR]” VI.C. Fouten inzake de [EJS]-procedure VI.D. Fouten met betrekking tot de participatie [CAR] VI.E. Fouten inzake het verdwenen machinepark in Polen VI.F. Fouten inzake de fiscale administratieve procedure VI.G Fouten inzake de verificatie van aangiftes van schuldvordering VI.H. Fouten bij de niet-invordering van de rekening-courant ten aanzien van [GETR] VI.I. Vordering tot het vergoeden van “morele schade en andere schade” VII. DE BESLISSING . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE Het geding werd ingeleid bij dagvaarding van 21 mei 2010. Er werd een tussenvonnis gewezen op 17 juni 2025. Partijen hebben conclusies genomen. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 16 december 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. SITUERING VAN HET GESCHIL . 2.1. Eiser stelt vennoot te zijn van de GCV [PDC]° met ondernemingsnummer […] GCV [PDC]° werd failliet verklaard bij vonnis van 8 juni 2000 door de toenmalige rechtbank van koophandel Gent. Verweerster werd aangesteld als curator. Eiser is van oordeel dat verweerster in haar hoedanigheid van curator fouten heeft begaan en vordert hiervoor een schadevergoeding van 5.708.139,00 EUR. . 2.2. Aanvankelijk heeft eiser zijn vordering tot solidaire veroordeling gesteld tegen 4 verwerende partijen, nl. de heer [AER], NV [AST] en NV [GETR] en verweerster, dit voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. In essentie beweert eiser dat de heer [AER], [AST] en [GETR] zijn “opgebouwde levenswerk ten bedrage van 10.000.000 Euro“ hebben vernietigd door middel van “oplichting” en “maffiapraktijken”. Volgens eiser zou verweerster, in haar hoedanigheid van curator van de GCV [PDC], aan deze handelingen hebben meegewerkt in samenspanning met [AER], [AST] en [GETR]. Minstens zou zij als curator hebben nagelaten hiertegen op te treden, wat eiser als een fout beschouwt. . 2.3. Bij vonnis van 15 januari 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent werd de zaak wat betreft de vordering tegen verweerster afgesplitst omwille van bevoegdheidsredenen en verzonden naar de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent. De vordering van eiser ten aanzien van de overige drie verwerende partijen werd wel beoordeeld door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. De vordering van eiser werd afgewezen om reden dat eiser niet bewijst een persoonlijk belang te hebben en ten overvloede om reden dat eiser niet bewijst dat er sprake was van enige fout in hoofde van de partijen [AER], [AST] en [GETR]. Door eiser werd beroep aangetekend tegen voormeld vonnis van 15 januari 2024. Er is nog geen arrest in graad van beroep tussengekomen gelet op het overlijden van de heer [AER]. . 2.4. In huidige procedure moet deze rechtbank enkel oordelen over de afgesplitste aansprakelijkheidsvordering tegen verweerster. . III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN: . 3.1. De zaak werd aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 mei 2010. Verweerster werd gedagvaard in persoonlijke naam als volgt: “Meester [CV], advocaat“. Met betrekking tot het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van curator werd in de dagvaarding overwogen: . “Vast staat dat de curator nooit iets heeft ondernomen om het actief van het faillissement van de G.C.V. [PDC], dat bestaat uit een belangrijk pakket aandelen van de N.V. [GETR] (waarde E 150 000,00) en uit een rekening-courant t.b.v. 7,5 miljoen BEF (E 185 920,00) op de N. V. [GETR]. Verder waren er nog de machines in Polen, de participatie in [CAR] en [EJS] en de aan [EJS] betaalde voorschotten. Hoewel dit vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Gent dd. 14/01/2003 en het Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 11/06/2007 de aanwezigheid van dit actief heeft bevestigd, heeft de curator tot op heden nog steeds niets ondernomen. De curator dient verantwoordelijk te worden gesteld voor het verlies dat verzoeker geleden heeft door dit niet-optreden. Vermits de G.C.V. [PDC] omzeggens geen schulden had, zou al het door de curator te realiseren actief aan de aandeelhouders (lees : thans nog voor 100% verzoeker) toekomen, zodat het verlies voor verzoeker hier begroot wordt op 25 000 000 BEF of €19 733,81”. . Ten aanzien van verweerster werd in de dagvaarding gevorderd: “Vierde gedaagde zich te horen veroordelen om aan verzoeker een bedrag van 619 733,81 te betalen, bedrag te vermeerderen met de compensatoire intresten en met de gerechtelijke intresten vanaf heden; Gedaagden zich hoofdelijk of in solidum of de ene bij gebreke van de andere te horen veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 16 000,00” . 3.2. Staande het geding heeft eiser zijn vordering “uitgebreid”. In laatste syntheseconclusie vordert eiser ten aanzien van verweerster: . “De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens verweerster te veroordelen tot het betalen van 5.708.139,00 EUR in hoofdsom, meer de wettelijke intresten sedert datum van dagvaarding tot datum van volledige betaling. Te zeggen voor recht dat verweerster gehouden is de procedure tot afsluiting van het faillissement op te starten binnen de maand na datum van het tussen te komen vonnis op straffe van een dwangsom van 10.000 EUR/dag per dag vertraging en de oorspronkelijk beslagen tegoeden voor vrij en onbelast over te maken aan concluant. De vorderingen ten aanzien van concluant onontvankelijk, ontoelaatbaar en ongegrond te verklaren. De geleden schade te bepalen en de overige vorderingen ten bedrage van 4.372.293,81 EUR ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te horen verklaren, met dien verstande dat het inkomstenverlies dient geactualiseerd tot op heden, inkomstenverlies met verlies in pensioenrechten tot gevolg. Alle kosten gemaakt door verweerster al dan niet gelinkt aan het zich aansluiten bij de vordering van [AER] en [GETR] bij het onregelmatig aanhouden van de faling gedurende 24 jaar met verwijzing naar een eerder precedent in het vonnis te Oudenaarde te verwerpen. Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen de basisrechtsplegingsvergoeding ten bedrag van 23.546,51 €. Te zeggen voor recht dat elk kantonnement is uitgesloten.” . 3.3. Verweerster in laatste syntheseconclusie: . “De vordering, zoals door eiser ten aanzien van concluante geformuleerd, af te wijzen als ontoelaatbaar, zoniet onontvankelijk en in elk geval ongegrond. Eiser dienvolgens te veroordelen tot de kosten van huidige procedure, aan deze zijde bepaald op de te indexeren rechtsplegingsvergoeding, te begroten op het basisbedrag, zoals hieronder nader begroot. Minstens – uiterst ondergeschikt – in de mate alsnog een veroordeling ten aanzien van concluante zou worden uitgesproken, de vordering(

  1. en)te herleiden rekening houdend met wat hoger werd uiteengezet en concluante toe te laten tot het kantonnement.” . IV. VOORAF . 4.1. De rechtbank had eerder in zijn tussenvonnis van 17 juni 2025 vastgesteld dat de conclusies van eiser, zowel wat de feiten als het recht betreft, een behoorlijke mate van inconsistentie en thematische sprongen bevatten, hetgeen de leesbaarheid bemoeilijkt en het volgen van de inhoudelijke lijn in de gestelde vorderingen uitdagend, zo niet onmogelijk, maakt. In hetzelfde tussenvonnis had de rechtbank in herinnering gebracht dat artikel 149 GW de rechter niet verplicht te antwoorden op conclusies die dermate verwarrend zijn dat het onderzoek ervan onmogelijk blijkt (Cass. 25 oktober 2019, F.18.0131.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191025.2). Om die reden heeft de rechtbank in voormeld tussenvonnis twaalf uitgebreide vragen geformuleerd met het oog op verduidelijking en op het helder krijgen van het debat. Het debat zou integraal hernomen worden. Desalniettemin moet de rechtbank vaststellen dat, ondanks conclusies van 71 pagina’s, de vorderingen en beweringen van eiser nog steeds onsamenhangend en onduidelijk blijven. Op pagina 64 van zijn laatste syntheseconclusie geeft eiser een “samenvatting van de vorderingen” weer om tot een totale schadevergoeding van 5.708.139,00 EUR te komen. De hoofdstukken waarnaar daarbij wordt verwezen, evenals de opgenomen schadecijfers, sluiten evenwel niet aan bij de tekst van de syntheseconclusie. . 4.2. De rechtbank zal bijgevolg enkel die vorderingen behandelen die hij uit de conclusie kan ontwaren en zoals deze begrepen worden door de rechtbank. Als er punten van de vordering in dit vonnis niet beantwoord worden, is dit te wijten aan het feit dat deze niet uit de syntheseconclusie konden worden afgeleid, hetgeen uitsluitend voortvloeit uit de wijze waarop eiser zijn conclusie heeft opgesteld. In elk geval kan verweerster gevolgd worden waar zij in conclusie stelt “niet alleen maakte de wijze waarop eiser zijn vorderingen heeft uitgewerkt het concluante uiterst moeilijk om haar recht van verdediging uit te oefenen, maar hetzelfde geldt voor de rechtbank, die geconfronteerd met de handelswijze van eisers slechts moeilijk en moeizaam over de vorderingen kan oordelen.” . 4.3. De rechtbank merkt nog op dat eiser in zijn syntheseconclusie niet alle vorderingen uit eerdere conclusies heeft hernomen. Zo wordt in de syntheseconclusie geen gewag meer gemaakt van vorderingen voor “verlies kredietwaardigheid” , voor “inkomensverlies door tijd besteed aan procedures” en voor schade geleden door onroerende uitwinning. Uit de bepalingen van de artikelen 748bis en 780, 1ste lid, 3°, Ger.W. volgt dat het onderwerp van de vordering uitsluitend wordt bepaald door de syntheseconclusie en de rechter geen uitspraak mag doen over een punt van de vordering dat niet wordt herhaald in de syntheseconclusie. Dit houdt ook in dat de partij die in haar syntheseconclusie een in een eerdere conclusie geformuleerd verweer niet herneemt, geacht wordt van dat verweer afstand te doen (Cass. 7 oktober 2016, C.12.0368.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161007.1). . V. ONTVANKELIJKHEID . 5.1. Verweerster stelt dat de vordering van eiser onontvankelijk is, enerzijds wegens gebrek aan belang en hoedanigheid en anderzijds wegens verjaring. . V.A. Wat betreft de hoedanigheid van eiser als vennoot van gefailleerde . 5.2. Verweerster stelt vooreerst dat eiser niet bewijst nog vennoot te zijn van de gefailleerde vennootschap GCV [PDC]°. Verweerster verwijst in haar argumentatie hiertoe naar een vonnis van 15 januari 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent dat hierover zou geoordeeld hebben. Echter, de passage uit voormeld vonnis is niet gewezen ten aanzien van verweerster. Immers, de rechtbank had in dat vonnis eerder al beslist niet bevoegd te zijn om te oordelen over de vordering van eiser tegen verweerster. Voor deze rechtbank staat vast dat eiser wel vennoot was en is van GCV [PDC]°. De redenering gemaakt onder randnummer 2.1 en 2.2. in voormeld vonnis van 15 januari 2024 wordt niet gevolgd. Eiser legt als stuk 27 een in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd uittreksel van de oprichtingsakte van de gefailleerde voor. Hieruit blijkt dat enerzijds hijzelf verscheen als onbeperkt aansprakelijke vennoot met 60/100 deelbewijzen en anderzijds zijn moeder als stille vennoot met 40/100 deelbewijzen. Andere bewijskrachtige akten of stukken waaruit enige wijziging inzake aandelen zou blijken, worden niet aan de rechtbank voorgelegd. Eiser bewijst aldus zijn aandeelhouderschap in de GCV [PDC]°. Verweerster bewijst in elk geval niet het tegendeel. Het is niet aan eiser om het negatief bewijs te leveren dat er wijzigingen zouden zijn opgetreden sinds de oprichting van de vennootschap. De discussie over de vraag of eiser nu wel of niet de enige erfgenaam van zijn moeder is, doet niet ter zake wat betreft het ontvankelijkheidsvraagstuk, aangezien eiser in eigen naam zijn aandeelhouderschap bewijst. De exacte actuele aandelenverhouding kan hoogstens relevant zijn bij de schadebegroting. Tussenbesluit: eiser is aandeelhouder van gefailleerde. . V.B Wat betreft de hoedanigheid van eiser als schuldeiser van gefailleerde . 5.3. Zoals hierboven vastgesteld is eiser onbeperkt aansprakelijke vennoot van de failliete GCV [PDC]°. Eiser stelt ook schuldeiser van GCV [PDC]° te zijn. Te dezen stelt eiser in zijn syntheseconclusie dat “hij immers ook persoonlijk aangesproken [is] en inmiddels uitgewonnen voor verbintenissen die hij voor de gefailleerde of ermee verbonden vennootschappen heeft aangegaan.” Er worden geen stukken voorgelegd waaruit zou blijken dat eiser daadwerkelijk gesubrogeerd schuldeiser zou zijn. In conclusie verduidelijkt eiser ook niet welke vennootschapsschulden van GCV [PDC]° hij zou hebben betaald. Hoewel het best mogelijk is dat eiser na subrogatie een schuldeiser is van GCV [PDC]°, wordt dit niet bewezen. Hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen (artikel 8.4. BW). Eiser had nochtans na het tussenvonnis voldoende de mogelijkheid één en ander te verduidelijken of te staven. . 5.4. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat voor bepaalde procedures het tevens van belang is te weten of de schuldeiser in wiens rechten de betaler gesubrogeerd wordt, een ‘schuldeiser van het faillissement’ is, nl. een schuldeiser met een erkende schuldvordering die werd opgenomen in het passief. Zo zal enkel een schuldeiser met een aanvaarde schuldvordering op de vergadering zoals bedoeld in artikel XX.170 WER de betwisting nopens het beheer van de curator op gang kunnen brengen. Deze vereiste werkt door na subrogatie. Tussenbesluit: eiser is geen schuldeiser van gefailleerde. . V.C. Wat betreft de vordering van een vennoot tegen de curator tijdens het faillissementsbewind . 5.5. Verweerster werpt middelen van onontvankelijkheid op die steunen op het ontbreken van vorderingsrechten in hoofde van eiser tot herstel van ‘collectieve schade’. In een arrest van 4 februari 2011 (C.09.0420.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.4) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de vraag of de curator aanspraak kan maken op de vergoeding door de eiseres van de collectieve schade geleden door de boedel, betrekking heeft op een subjectief recht. Het onderzoek naar het bestaan en de draagwijdte van het subjectief recht, betreft niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering. In een arrest van 5 september 2013 (C.12.0445.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.3) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de vraag of de verweerder aanspraak kan maken op de vergoeding door de eisers van door hem geleden individuele schade, betrekking heeft op een subjectief recht. Het onderzoek naar het bestaan en de draagwijdte van het subjectief recht, betreft niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering. (Zie ook Cass. 20 januari 2015, P.14.1276.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150120.6/1 waaruit blijkt dat de gevolgen in het strafrecht wel vergaand kunnen zijn als anders zou geoordeeld worden). In een arrest van 10 mei 2019 (C.17.0397.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190510.3/3) heeft het Hof van Cassatie gesteld dat aandeelhouders niet beschikken “over enig vorderingsrecht” tot herstel van het vennootschapsvermogen tegen een derde door wiens fout het vennootschapsvermogen werd aangetast, ook al stelt de vennootschap of, in het geval dat de vennootschap failliet is verklaard, de curator zelf geen vordering in wegens de geleden schade. In die zaak werd het bekritiseerde arrest niet verbroken hoewel de appelrechters de vordering om voormelde redenen onontvankelijk hadden verklaard en niet ongegrond. . 5.6. Hoewel het in beginsel, juridisch gezien niet fout is te stellen dat een vordering onontvankelijk is wanneer deze gesteld wordt door procespartijen die niet beschikken “over enig vorderingsrecht”, sluit de rechtbank zich aan bij voormelde zienswijze van het Hof van Cassatie en zal de rechtbank de vorderingen tot schadevergoeding ten gronde beoordelen. Uiteindelijk als een rechtbank zou oordelen dat de vorderingen onontvankelijk zijn “in zoverre zij het herstel van een aantasting van het vennootschapsvermogen nastreven” zal dit geen toegevoegde waarde hebben omdat de rechtbank ook in die gevallen nog steeds zal moeten nagaan of er ‘eigen schade‘ werd veroorzaakt door diezelfde aangevoerde feiten. Het voorwerp van vordering is immers het feitelijke resultaat dat de eiser met zijn vordering beoogt, in casu een schadevergoeding van 5.708.139,00 EUR. . 5.7. De mogelijke aanwezigheid van afgeleide schade verhindert niet dat een derde – die toevallig ook aandeelhouder is – persoonlijk benadeeld kan zijn. Voor die persoonlijke schade heeft de aandeelhouder een zelfstandige rechtsvordering die hij kan stellen voor eigen rekening (Cass. 25 januari 2017, TRV 2017; Cass. 7 mei 1973, Arr.Cass. 1974, 395; Cass. 26 januari 1922, Pas. 1922, I, 143). . 5.8. Naast een vordering tot schadevergoeding, stelt eiser ook een vordering om verweerster te veroordelen tot het sluiten van het faillissement onder straffe van een dwangsom. Naar het oordeel van eiser zou het doelbewust openhouden van het faillissement gedurende bijna 26 jaar hem verhinderen zijn schade te verhalen op derden en op verweerster. Deze vordering is onontvankelijk. Verweerster werd gedagvaard in persoonlijke naam en niet in haar hoedanigheid van curator, qualitate qua. Verweerster persoonlijk kan geen faillissement “sluiten”. Om die reden is de vordering reeds onontvankelijk, zodat verdere uitweidingen over deze vordering niet nodig zijn. Eiser vordert tevens de “verwerping van alle kosten gemaakt door verweerster al dan niet gelinkt aan het zich aansluiten bij de vordering van [AER] en [GETR]”. Ook dergelijke vordering behoort tot de afwikkeling van het faillissement; namelijk tot het begroten van ereloon en kosten, tot het afleggen van rekening en verantwoording en tot de goedkeuring van de rangregeling. Dergelijke vordering kan niet gesteld worden tegen verweerster persoonlijk. Ook deze vordering is onontvankelijk. . V.D. Wat betreft de verjaring . 5.9. Verweerster stelt dat eiser “extra” vorderingen heeft gesteld bij conclusie van 30 juni 2023 en dat deze bijkomende vorderingen verjaard zijn. Deze vorderingen zouden initieel enkel gesteld zijn tegen de drie andere verweerders en niet tegen verweerster. Oorspronkelijk zou verweerster op 21 mei 2010 enkel gedagvaard zijn omwille van voorgehouden verloren gegaan actief van de GCV [PDC]°. De schade hieruit werd toen door eiser begroot op 619.733,61 EUR. Pas in conclusie van 30 juni 2023 – dertien jaar later – werd de vordering ‘uitgebreid’ en werd ook aan verweerster verweten onrechtmatig te hebben geprocedeerd met hieraan gekoppeld een bijkomende vordering van 3.752.559,50 EUR. . 5.10. De rechtbank aanvaardt de ingeroepen exceptie van verjaring niet: . 5.10.1. Vooreerst stelt de rechtbank vast dat in de procedure waarin verweerster volgens eiser een onrechtmatige houding heeft aangenomen, pas een eindarrest is tussengekomen op 24 juni 2019. De proceshouding die verweerster in deze procedure heeft aangenomen, is een voortdurend handelen. In de mate dat deze houding ‘foutief’ was, heeft dit foutief gedrag voortgeduurd tot het ogenblik dat het hof van beroep de zaak in beraad heeft genomen. De vordering gesteld op 30 juni 2023 is dan niet verjaard. . 5.10.2. In de mate dat de uitgebreide vordering ook betrekking zou hebben op het foutief beheren van de aandelenparticipatie in [GETR] en op het verwijt van passiviteit als aandeelhouder van [GETR], moet worden vastgesteld dat dit een ondeelbaar geheel van voortdurende feiten betreft en op heden niet verjaard is. . 5.10.3. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerster niet betwist dat de uitgebreide vordering van eiser voldoet aan artikel 807 Ger.W. De uitgebreide vordering werd gesteld in op tegenspraak genomen conclusies en berust op een feit of akte zoals in de dagvaarding aangevoerd. Dat een vordering kan uitgebreid worden conform artikel 807 Ger.W. betekent niet noodzakelijk dat de inleidende dagvaarding voor die uitgebreide vordering ook stuitende werking heeft. Een dagvaarding heeft stuitende werking wat betreft de vordering die ze uitdrukkelijk instelt, maar ook wat betreft de vordering waarvan het voorwerp virtueel begrepen is in de dagvaarding. De vereiste band tussen het voorwerp van de oorspronkelijke vordering en het voorwerp van de virtueel begrepen vordering wordt beoordeeld in het licht van de oorzaak van beide vorderingen, dit is het geheel van feiten en handelingen waarop de partij die ze instelt, haar vordering laat steunen (Cass. 28 maart 2025, P&B 2025, afl. 3, 151). Voor de rechtbank is het voldoende duidelijk dat eiser van bij de aanvang van de procedure het globaal beheer van verweerster in haar hoedanigheid van curator van GCV [PDC]° aanvocht, in het bijzonder het faillissementsbeheer in relatie met consoorten [AER], NV [AST] en NV [GETR] . Gelet op de uiteenzetting in de dagvaarding van 21 mei 2010 staat voldoende vast dat de vorderingen, zoals uitgebreid bij conclusie van 30 juni 2023, virtueel vervat waren in de vordering gesteld in de inleidende dagvaarding en dat verweerster hierdoor niet in haar verdediging kon worden verrast. De rechtbank ziet aldus geen redenen om verjaring te aanvaarden. . VI. BEOORDELING TEN GRONDE . VI.A. Vooraf: wat betreft collectieve schade en eigen schade. . 6.1. Eiser kan enkel vergoeding ontvangen voor “eigen schade.” Eiser argumenteert in hoofdorde dat hij schade lijdt doordat hij als aandeelhouder van GCV [PDC]° geen vereffeningsaldo zal ontvangen door fouten van de curator. Hiervoor stelt hij een vordering tot het bekomen van een schadevergoeding. De waardevermindering van aandelen – of desgevallend het verminderen van het vereffeningsaldo – betreft zogenaamde ‘afgeleide’ schade, namelijk schade door ‘weerkaatsing’ voor een aandeelhouder die geen andere oorzaak heeft dan de aantasting van het vennootschapsvermogen. De waardevermindering van de aandelenparticipatie, veroorzaakt door de aantasting van het vennootschapsvermogen, doet in hoofde van de aandeelhouder geen autonome, van de schade van de vennootschap te onderscheiden, schade ontstaan. Voor zulke afgeleide schade beschikken de aandeelhouders niet over enig vorderingsrecht, ook al stelt de curator van de failliet verklaarde vennootschap zelf geen vordering in wegens de geleden schade. Het eigendomsrecht van het vennootschapsvermogen berust immers uitsluitend bij de vennootschap en niet bij haar aandeelhouders. Ook na sluiting van het faillissement heeft een aandeelhouder hieromtrent geen vorderingsrecht ten aanzien van de derde die schade heeft veroorzaakt aan het vennootschapsvermogen (Zie hierover Cass. 10 mei 2019, TBH 2019, 1271; Cass. 23 februari 2012, Arr. Cass. 2012, afl. 2, 459; Cass. 17 januari 2008, Arr.Cass. 2008, 130; HvB Gent 19 december 2012, TRV 2013, afl. 3, 257; en ook Cass. 11 december 2020, TBH 2022, nr. 5, 615-616). Een aandeelhouder is geen schuldeiser van een failliete boedel en is trouwens ook geen aandeelhouder van die failliete boedel. De rechtbank zal aldus voor elke aangevoerde fout – in de mate dat de rechtbank al enige fout kan vaststellen - moeten nagaan of dit in hoofde van eiser tot eigen schade heeft geleid. . 6.2. Eiser werpt tegen dat een curator zichzelf nooit aansprakelijk zal stellen en dat het om die reden problematisch is wanneer aan de curator een monopolie van de vorderingsrechten wordt verleend. Een aandeelhouder zou elk recht worden ontzegd om op te komen tegen foutieve handelingen van de curator en alle schade – al dan niet door weerkaatsing – die voortvloeit uit fouten van de curator, zou in werkelijkheid zonder gevolg blijven. In gevallen waarbij de schulden beperkt zijn en de schade veroorzaakt door de curator een veelvoud van het passief is, zullen de fouten van de curator enkel de aandeelhouders treffen wanneer de schuldeisers kunnen betaald worden uit het actief. In die gevallen zou het monopolie van de curator tot gevolg hebben dat niemand – tijdens of na het faillissementsbewind - kan opkomen tegen de gemaakte fouten van de curator waardoor de aandeelhouders de veroorzaakte waardevermindering van hun aandelen verplicht moeten ondergaan. Eiser verwijst in dat kader ook naar het EVRM, waaronder het recht tot toegang tot de rechter en het recht op eigendom. . 6.3. De rechtbank volgt deze kritiek niet. De geschetste problematiek is genoegzaam beschreven en aangekaart in de rechtspraak en rechtsleer. Eerder dan af te wijken van de rechte theoretische lijnen inzake het persoonlijk karakter van de schade, de bevoegdheden van de curator en het onderscheid tussen de vermogens, is de rechtbank van oordeel dat op basis van huidige wetgeving de oplossing voor zulke gevallen gelegen is in de aanstelling van een curator ad hoc. Een curator ad hoc met een wel afgelijnde opdracht kan namens de boedel nagaan of er vorderingen dienen gesteld te worden tegen de curator en desgevallend namens de boedel handelen of niet handelen. De aanstelling van een curator ad hoc is niet te aanzien als een sanctie of als een impliciete bevestiging van de verwijten aan het adres van de curator. In bepaalde gevallen betreft de aanstelling van een curator ad hoc nu eenmaal een middel tot oplossing van inherente problemen binnen een faillissementsbewind, zonder meer. De rechtbank kan op elk ogenblik een curator ad hoc aanstellen wanneer er noodzaak toe is en voor zover de tegenstrijdigheid van belangen daardoor kan worden voorkomen (XX.127 WR). Dat kan het geval zijn wanneer een schuldeiser of aandeelhouder meent dat de failliete boedel een vordering moet stellen tegen de curator tijdens het faillissementsbewind. Er kan dan sprake zijn van een belangenconflict. De schuldeiser of aandeelhouder kan op elk ogenblik de rechtbank vatten tot aanstelling van een curator ad hoc. Het aanstellen van een curator ad hoc omwille van een aangevoerd belangenconflict is evenwel geen bevoegdheid van willige rechtsmacht. Wanneer de aanstelling ervan wordt gevorderd, dient de rechtbank zich nog steeds uit te spreken over de opportuniteit van deze aanstelling. Die opportuniteitsbeoordeling is gestoeld op andere criteria dan die welke gelden bij de beoordeling van een vordering tot afzetting of vervanging van de curator, nu de aard van de gevorderde maatregel fundamenteel verschilt. De curator ad hoc kan uiteraard nog steeds beslissen om geen vorderingen tegen de curator te stellen namens de boedel. De rechtbank kan de curator ad hoc – die handelt in alle onafhankelijkheid – niet dwingen in welke richting dan ook. De dubbele voorafgaande toets, eerst door de rechtbank en vervolgens door de curator ad hoc, is geen onredelijke belemmering. . 6.4. Niettegenstaande het bovenstaande, stelt de rechtbank vast dat eiser de vordering tot aanstelling van een curator ad hoc niet heeft gesteld. De rechtbank kan ook ambtshalve overgaan tot aanstelling van een curator ad hoc, doch de rechtbank ziet geen redenen om hiertoe te over te gaan. . 6.5. In tegenstelling tot wat verweerster stelt, is deze vordering met betrekking tot de eigen schade niet “voorbarig”. Er is geen enkele wettelijke vereiste dat een derde die meent ‘eigen schade’ te hebben geleden door een fout van een curator, zou moeten wachten tot de sluiting van het faillissement om deze fout voor recht te laten vaststellen. Die schade heeft immers niet te maken met de failliete boedel of met de rangregeling die vorm geeft aan de failliete boedel en die zal worden afgesloten op de vergadering zoals bedoeld in artikel XX.170 WER. Het bestaan van zekere en vaststaande schade betekent immers niet dat deze schade al volledig moet kunnen worden begroot. Van zodra definitief vaststaat dat de latere rangregeling – in welke zin dan ook - wordt beïnvloed door een fout – zonder dat de toekomstige rangregeling reeds moet kunnen worden opgesteld – ontstaat het recht om te ageren. . 6.6. Wat betreft de opmerking dat de belangen van de aandeelhouders volledig genegeerd zouden worden in een faillissementsvereffening, wijst de rechtbank er nog op dat bestuurders van de gefailleerde vennootschap bepaalde restbevoegdheden behouden en dat zij, voor de gefailleerde waarvan zij bestuurder zijn, bepaalde acties kunnen ondernemen wanneer zij fouten van de curator vaststellen. Een bestuurder van een gefailleerde vennootschap zal nog steeds verantwoording moeten afleggen aan de aandeelhouders, weliswaar enkel wat betreft de restbevoegdheden. Het faillissement maakt geen einde aan het bestuursmandaat. Niets verzet zich ertegen dat, na faillietverklaring van een vennootschap, de aandeelhouders een bestuurder nog kunnen ontslaan of aanstellen staande de faillissementsvereffening. Zo kan een aandeelhouder niet zelf opkomen tegen een beslissing van de curator waarbij een schuldvordering wordt opgenomen in het passief (Cass. 3 januari 2008, Arr.Cass. 2008, afl. 1, 27) maar kan de gefailleerde dit wel (XX.162 WER). . VI.B. Vordering “medeplichtig aan vervalsing” inzake “lening Fortis aan [GETR]” . 6.7. Eiser stelt dat hij samen met de heer [AER] werd veroordeeld ten aanzien van BNP Paribas Fortis voor een schuld van [GETR] uit hoofde van een opgezegd krediet. De heer [AER] heeft deze schuld terugbetaald en zou zich vervolgens hebben gekeerd tot eiser. Dit zou geleid hebben tot uitwinning van het vermogen van eiser. Volgens eiser werd hoofdschuldenaar [GETR] bedrieglijk onvermogend gemaakt zodat er voor hem geen recuperatie bij [GETR] mogelijk is. Verweerster zou als curator van GCV [PDC]° - die hoofdaandeelhouder is van [GETR] – hieraan hebben meegewerkt of nog steeds aan meewerken. Verweerster wordt passiviteit verweten ten aanzien van het bestuur van [GETR]. Voor deze vermeende fouten van de curator vordert eiser een schadevergoeding van 2.000.000 EUR dan wel van 2.603.882,47 EUR, afhankelijk van welke pagina van de syntheseconclusie wordt gelezen. . 6.8. Vooreerst stelt de rechtbank vast dat eiser met het vonnis van 17 februari 2010 (stuk 45 eiser) – welke werd bevestigd door het hof van beroep Gent bij arrest van 24 april 2013 (stuk 20 eiser) – een uitvoerbare titel heeft ten aanzien van [GETR]. In de mate dat hij daadwerkelijk werd uitgewonnen, is hij schuldeiser van [GETR] en kon hij de voorbije zestien jaar in die hoedanigheid elke actie ondernemen tegen [GETR] die hij dienstig achtte, indien hij meende dat [GETR] haar onvermogen aan het organiseren was. De rechtbank stelt echter vast dat eiser in huidige procedure geen enkel stuk voorlegt waaruit blijkt dat hij effectief zou zijn uitgewonnen door de heer [AER]. Dit gebrek aan bewijs werd ook reeds vastgesteld door het hof van beroep Gent bij arrest van 25 maart 2024 (stuk 49 eiser). Uit de door verweerster voorgelegde stukken blijkt daarentegen dat eiser, volgens een afrekening van gerechtsdeurwaarder Monbailliu, op heden nog 1.754.282,40 EUR verschuldigd is aan [GETR]. Eiser weerlegt dit niet in conclusie. . 6.9. Eiser kan bovendien niet verduidelijken welke concrete fout verweerster zou gemaakt hebben met betrekking tot het vermogen van [GETR]. Zoals blijkt uit randnummers 7.2 tot en met 7.5., heeft verweerster in haar hoedanigheid van curator van de aandeelhouder van [GETR] net procedures ondersteund om [GETR] toe te laten haar uitstaande vorderingen te innen en aldus actief te realiseren, zodat het vermogen van [GETR] kon worden hersteld. Uit het tussengekomen arrest van 24 juni 2019 blijkt dat het [BEX] is – een vennootschap van eiser en door hem bestuurd – die omvangrijke sommen verschuldigd is aan [GETR]. . 6.10. Op basis van de stukken in het dossier dringt de vaststelling zich op dat de oorzaak van de financiële situatie van [GETR] net gelegen is aan eiser en diens vennootschap [BEX]. Als eiser en [BEX] aan [GETR] de bedragen zouden betalen waartoe zij bij definitieve vonnissen en arresten zijn veroordeeld, zou verweerster in haar hoedanigheid van curator van de GCV [PDC]° alle vorderingen bij [GETR] kunnen innen, alle passiva kunnen aanzuiveren en het faillissement kunnen sluiten met een omvangrijk vereffeningsaldo voor de aandeelhouders. Eiser verwijt aan de curator een bepaalde precaire financiële situatie waarvoor hij zelf verantwoordelijk is. Tussenbesluit: Er wordt noch een fout in hoofde van verweerster, noch vergoedbare schade in hoofde van eiser aangetoond met betrekking tot de verwijten inzake de “lening Fortis aan [GETR]”. Dit punt van de vordering wordt afgewezen als ongegrond. . VI.C. Fouten inzake de [EJS]-procedure . 6.11. Eiser stelt dat verweerster fouten heeft gemaakt in de procedure ‘[EJS]’ door als curator van GCV [PDC]° de vorderingen uitgaande van [GETR] tegen [BEX] te ondersteunen. Terwijl verweerster argumenteert dat het in het belang was van de GCV [PDC]° om er voor te zorgen dat [GETR] de vorderingen tegen [BEX] kon innen en dat het ondersteunen van voormelde vodrering tegen [BEX] logisch was. . 6.12. Op het ogenblik van de faillietverklaring van GCV [PDC]° bestond een hoogoplopend conflict tussen eiser en zijn voormalige zakenpartners en hun vennootschappen. Zo was er een gerechtelijke procedure hangende voor de rechtbank van koophandel te Gent tussen eiser en de overige aandeelhouders van [GETR], onder meer met betrekking tot een aandelenoverdracht ‘[EJS]’. De procedure had betrekking op een leningovereenkomst afgesloten op 1 maart 1995 tussen [GETR] en [BEX] waarbij werd overeengekomen dat, in geval van niet-tijdige terugbetaling door [GETR], de aandelen in [EJS] – die eigendom waren van [GETR] – als borg golden ten opzichte van [BEX]. [BEX], de uitlener, was een vennootschap bestuurd door eiser. [GETR] bleek niet in staat de lening aan [BEX] terug te betalen, waarna de aan [BEX] verstrekte zekerheid zou zijn aangesproken en [BEX] voorhield de aandelen [EJS] van rechtswege te hebben verworven. [BEX] hield aldus voor de enige aandeelhouder van [EJS] te zijn. [GETR] betwistte dit en vorderde onder meer de nietigverklaring van de clausule inzake borgstelling en de overdracht van de aandelen in [EJS] aan [BEX]. [GETR] wenste de, op dat ogenblik waardevolle, aandelen in [EJS] terug. Hiertoe is de [GETR] overgegaan tot dagvaarding op 30 april 1996. GCV [PDC]° is vrijwillig tussengekomen op 2 december 1996. Staande het geding wordt GCV [PDC]° failliet verklaard en wordt verweerster aangesteld als curator. De GCV [PDC]° was samen met de NV [ALM] en NV [AST] aandeelhouder van [GETR]. De GCV [PDC]° heeft een beweerdelijke rekening-courant vordering op [GETR] én was aandeelhouder, zodat GCV [PDC]° er belang bij had dat [GETR] haar activa-bestanddelen terug in handen kreeg. Mr. [CV] qualitate qua in haar hoedanigheid van curator van de GCV [PDC]° legt op 14 september 2001 een conclusie neer en zet het geding verder. De Rechtbank van Koophandel Gent oordeelt bij vonnis van 14 januari 2003 onder meer dat de leningovereenkomst, in zoverre daarbij de overdracht van aandelen in [EJS] werd voorzien, nietig is. De rechtbank vernietigt de overdracht van aandelen in [EJS]. De rechtbank beveelt de terugkeer van de aandelen in [EJS] naar [GETR]. Er wordt een deskundige aangesteld. Er wordt hoger beroep aangetekend door [BEX] en eiser staande de expertise. Bij (tussen)arrest van 11 juni 2007 bevestigt het hof van beroep te Gent dat de aandelenoverdracht inzake [EJS] is gebeurd met miskenning van het artikel 60, §1 W.Venn. maar oordeelt dat de eis tot nietigverklaring van de lening zelf, ongegrond is. De lening dient terugbetaald te worden volgens de overeengekomen voorwaarden. De eis in nietigverklaring van de aandelenoverdracht [EJS] wordt wel voorwaardelijk gegrond verklaard. De aandelen moet terugkeren naar [GETR]. De zaak wordt terug naar de eerste rechter verzonden voor verdere afhandeling. Bij vonnis van 2 juni 2016 van de rechtbank van koophandel Gent wordt de nietigheid van de overeenkomst tot overdracht van 444 aandelen in [EJS] vastgesteld en wordt bevolen dat de 444 aandelen in [EJS] dienen terug te keren naar [GETR]. Eiser en [BEX] worden veroordeeld tot het betalen van een provisie aan [GETR] van 594.944,46 EUR. Bij eindarrest van 24 juni 2019 oordeelt het hof van beroep te Gent dat de aandelenoverdracht – meer bepaald de clausule in de leningovereenkomst betreffende de automatische overdracht van de aandelen in [EJS] bij niet-tijdige terugbetaling – nietig kon verklaard worden wegens strijdig met artikel 60, §1 W.Venn. Doch het Hof stelde meteen vast dat de vennootschap [EJS] ondertussen was opgehouden te bestaan. Een terugkeer van de aandelen in [EJS] naar [GETR] zou dan ook geen herstel meer kunnen betekenen. De aandelen in [EJS] waren verdwenen en [BEX] diende de tegenwaarde te vergoeden. Om die reden werd [BEX] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [GETR] die wordt begroot op de eerder toegekende provisie van 594.944,46 EUR. Wel werd geoordeeld dat [GETR] nog steeds de lening en de daaruit voortkomende verbintenissen diende te voldoen, een bedrag van 161.130,79 EUR in hoofdsom. Na compensatie restte er aldus een saldo in het voordeel van [GETR]. Er werd cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van 2 oktober 2020 van het Hof van Cassatie werd voormeld arrest van 24 juni 2019 verbroken in zoverre dit handelde over de berekening van intresten. De zaak wordt verwezen naar het hof van beroep Antwerpen. Bij arrest van 13 juni 2022 van het hof van beroep Antwerpen worden de gevraagde intresten toegekend op het bedrag toekomend aan [BEX], te betalen door [GETR]. Na dit arrest konden partijen overgaan tot definitieve afrekening. [GETR] heeft de veroordeling tot het saldo gepoogd gedwongen uit te voeren tegen [BEX]. Uit de gedwongen uitvoering kon slechts 6.973,34 EUR daadwerkelijk geïnd worden door [GETR]. Het saldo is op heden nog niet betaald door [BEX], die insolvabel blijkt. . 6.13. Deze rechtbank heeft door middel van het tussenvonnis van 17 juni 2025 de mogelijkheid gegeven aan eiser om meer duidelijkheid te geven omtrent de afrekening tussen partijen en omtrent de exacte fouten die aan de curator q.q. wordt verweten. De conclusies van eiser na tussenvonnis verduidelijken echter weinig. Het lijkt erop dat eiser aan verweerster verwijt dat zij voor de failliete boedel GCV [PDC]° in voormelde procedures het standpunt heeft ingenomen dat de aandelenoverdracht inzake [EJS] nietig was en dat zij zich als curator heeft aangesloten bij de vorderingen gesteld door [GETR] tegen [BEX]. De curator zou – althans in de visie van eiser – de kant hebben gekozen van zijn tegenstanders. Eiser omschrijft het standpunt dat door verweerster in haar hoedanigheid van curator werd ingenomen als “machtsmisbruik” en “rechtsmisbruik” en dicht de curator “medeplichtigheid bij oplichting” toe. . 6.14. De verweerster stelt hierover: “[…] het spreekt voor zich dat concluante op geen enkele wijze verantwoordelijk is voor de beoordeling die door het Hof van Beroep te Gent in het arrest dd. 24 juni 2019 werd gemaakt. De GCV [PDH]° kwam reeds op 2 december 1996 – en dus ruim voordat zij failliet werd verklaard - vrijwillig tussen in de procedure tussen de N.V. [GETR] en de N.V. [BEX], in haar hoedanigheid van hoofdaandeelhouder van de N.V. [GETR]. Concluante heeft middels besluiten dd. 14.09.2001 als curator over de GCV [PDH] enkel het geding hervat. (stuk 10 eiser) Concluante sloot zich als curator aan bij het standpunt dat de lening-overeenkomst nietig was omdat [PD] had gehandeld in dubbele hoedanigheid van bestuurder van zowel de N.V. [BEX], als de N.V. [GETR] (belangenconflict), zonder medeweten van de andere aandeelhouders van de N.V. [GETR] en daarbij het enige (daadwerkelijke) actief van de N.V. [GETR] in borg had gegeven. Dit standpunt werd – althans voor wat betreft de clausule inzake de borgstelling en aandelenoverdracht – gevolgd en bevestigd in rechte en was bijgevolg geenszins foutief. Concluante meende dat de gefailleerde als hoofdaandeelhouder van de N.V. [GETR] door de overheveling van het enige actief, namelijk de aandelen [EJS], naar de N.V. [BEX], zou zijn benadeeld”. . 6.15. De rechtbank onderschrijft het verweer van verweerster. Er valt niet in te zien welke fout de curator in deze zou kunnen gemaakt hebben. De curator diende de belangen te behartigen van de failliete boedel van GCV [PDC]° en niet de belangen van eiser of van zijn andere vennootschappen. Verweerster heeft de reeds hangende procedure voor de GCV [PDC]° louter verdergezet en heeft als vrijwillige tussenkomende partij hetzelfde standpunt als de eisende partijen ingenomen, namelijk dat de borgstelling en aandelenoverdracht nietig was. Het louter innemen van dit standpunt – als dit al enige invloed zou gehad hebben op het oordeel van het hof van beroep gelet op de aanwezigheid van de eisende partijen – is geen fout. Te meer daar het hof van beroep finaal heeft geoordeeld dat de borgstelling en aandelenoverdracht [EJS] wel degelijk vernietigbaar waren. Finaal werd [BEX] ook om die reden veroordeeld tot een schadevergoeding ten voordele van [GETR]. Het door verweerster ondersteunde standpunt werd aldus gevolgd door het hof van beroep. Het lijkt erop dat eiser aan dit gegeven volledig voorbij gaat in zijn conclusies. De failliete boedel de GCV [PDC]° had belang dat [GETR] haar activa kon recupereren, gezien de GCV [PDC]° aandeelhouder én schuldeiser was van [GETR]. Het is dan ook volstrekt logisch dat verweerster dit standpunt heeft ingenomen. Als [GETR] de volledige veroordeling tegenover [BEX] had kunnen recupereren – en niet slechts 6.973,34 EUR – dan had dit voor de failliete boedel de GCV [PDC] een positieve invloed gehad. [BEX] – die niet betaalt – is nochtans een vennootschap die wordt bestuurd door eiser, zodat de vorderingen die eiser stelt in het kader van ‘[EJS]’ maar moeilijk te begrijpen zijn. Tussenbesluit: Er wordt noch een fout in hoofde van verweerster, noch vergoedbare schade in hoofde van eiser aangetoond met betrekking tot de verwijten inzake “[EJS]”. Dit punt van de vordering wordt afgewezen als ongegrond. . VI.D. Fouten met betrekking tot de participatie [CAR] . 6.16. GCV [PDC]° was aandeelhouder in [CAR]. Verweerster heeft als curator deze participatie gerealiseerd voor 3.770,00 euro. In het tussenvonnis werd onder randnummer 3.5.8. gevraagd aan eiser concreet mee te delen wat de geviseerde fout betreft. Hierop wordt geen duidelijk antwoord gegeven. In elk geval bewijst de loutere instemming met een kapitaalsverhoging in [CAR] geen fout in hoofde van de curator. Dat de participatie hierdoor verhoudingsgewijs kleiner werd, betekent niet noodzakelijk dat de participatie daalt in waarde. In eerdere conclusies heeft eiser zelf gesteld dat de participatie een waarde had van slechts 2.450,00 EUR zodat niet aangenomen kan worden dat de realisatiewaarde van 3.770,00 EUR een probleem vormt. Er wordt niet meegedeeld welke ‘eigen’ schade eiser zou hebben geleden. Tussenbesluit: Er wordt noch een fout in hoofde van verweerster, noch vergoedbare schade in hoofde van eiser aangetoond met betrekking tot de feiten “[CAR]”. Dit punt van de vordering wordt afgewezen als ongegrond. . VI.E Fouten inzake het verdwenen machinepark in Polen . 6.17. Initieel verweet eiser aan verweerster dat zij “het machinepark” in Polen niet zou hebben gerealiseerd terwijl eiser zelf meedeelde dat het machinepark reeds voor datum van het faillissement van GCV [PDC]° was “ontvreemd”. Onder randnummer 3.5.7. werd in het tussenvonnis aan eiser gevraagd te verduidelijken welke stappen of procedures de GCV [PDC]° voor haar faillietverklaring had ondernomen met betrekking tot het zogezegde ontvreemde machinepark. Hierop wordt geen duidelijk antwoord gegeven. Wel wordt door eiser na tussenvonnis meegedeeld dat het machinepark reeds vóór faillissement werd “verkocht”. Dit wordt voor het eerst gesteld, 26 jaar na faillietverklaring. Het is niet duidelijk wat nu precies verweten wordt aan de curator. Er wordt ook niet meegedeeld welke ‘eigen’ schade eiser zou hebben geleden. Tussenbesluit: Er wordt noch een fout in hoofde van verweerster, noch vergoedbare schade in hoofde van eiser aangetoond met betrekking tot de verwijten inzake het “machinepark in Polen”. Dit punt van de vordering wordt afgewezen als ongegrond. . VI.F. Fouten inzake de fiscale administratieve procedure . 6.18. Eiser verwijt verweerster als curator te hebben berust in afgewezen fiscale bezwaren. Uit de stukken blijkt dat de fiscale bezwaarprocedure werd opgevolgd door verweerster. Dat uiteindelijk de fiscale administratie heeft geoordeeld de bezwaren af te wijzen, is niet aan de curator gelegen. Dat verweerster de afgewezen bezwaren niet verder voor de rechtbank heeft aangevochten, is niet onredelijk of foutief. Eiser maakt niet aannemelijk dat een normaal zorgvuldig curator, geplaatst in dezelfde omstandigheden, niet zou hebben berust in de afgewezen fiscale bezwaren. Eiser toont niet aan dat verweerster onzorgvuldig zou hebben gehandeld in de administratieve procedure. Er wordt ook niet meegedeeld welke ‘eigen’ schade eiser zou hebben geleden. Tussenbesluit: Er wordt noch een fout in hoofde van verweerster, noch vergoedbare schade in hoofde van eiser aangetoond met betrekking tot de verwijten inzake de “de fiscale administratieve procedure”. Dit punt van de vordering wordt afgewezen als ongegrond. . VI.G. Fouten inzake de verificatie van aangiftes van schuldvordering . 6.19. Eiser maakt opmerkingen over bepaalde schuldvorderingen die onterecht zouden zijn aanvaard in het passief. Verweerster zou hierin foutief zijn opgetreden. De rechtbank stelt vast dat gefailleerde conform het toenmalige artikel 69 Fail.W. de mogelijkheid had om bezwaar aan te tekenen tegen de door verweerster verrichte verificatie van schuldvorderingen. Dit is blijkbaar niet gebeurd. In het kader van de collectieve controle moet de gefailleerde de aangiftes van schuldvordering en de verificatie ervan opvolgen en desgevallend bezwaar aantekenen. Daarenboven stelt de rechtbank vast dat de vonnissen waarbij de opname van de geviseerde schuldvorderingen werden toegelaten op heden niet zijn aangevochten. Er wordt ook niet meegedeeld welke ‘eigen’ schade eiser zou hebben geleden. Tussenbesluit: Er wordt noch een fout in hoofde van verweerster, noch vergoedbare schade in hoofde van eiser aangetoond met betrekking tot de verwijten inzake “de verificatie van aangiftes van schuldvorderingen”. Dit punt van de vordering wordt afgewezen als ongegrond. . VI.H. Fouten bij de niet-invordering van de rekening-courant ten aanzien van [GETR] . 6.20. Eiser voert aan dat verweerster een fout heeft begaan door de rekening-courantvordering ten belope van 23.638 EUR en 54.044 EUR niet in te vorderen bij [GETR]. De curator wijst erop dat de rekening-courantvordering waarop eiser doelt door [GETR] wordt betwist. Zij stelt voorts dat, gelet op het feit dat GCV [PDC]° aandeelhouder is van [GETR], het aangewezen was de uitkomst af te wachten van de procedure betreffende de verbreking van de aandelenoverdracht inzake [EJS] (zie randnummers 7.2 tot en met 7.5). Volgens de curator zou een invordering van de rekening-courantvordering ten aanzien van [GETR] enkel het faillissement van deze vennootschap hebben uitgelokt, zonder enig voordeel voor GCV [PDC]°, noch in haar hoedanigheid van aandeelhouder, noch als schuldeiser. De curator stelt bovendien rekening te hebben gehouden met de mogelijkheid dat [GETR] actief zou kunnen recupereren uit haar vordering tegen [BEX]. In dat geval zou de failliete boedel alsnog perspectief hebben gehad op realisatie van actief, waardoor de rekening-courantvordering kon worden voldaan. Vaststaat evenwel dat [BEX] de bedragen waartoe zij werd veroordeeld, niet aan [GETR] heeft betaald. Bijgevolg beschikt [GETR] niet over de middelen om de rekening-courantvordering – zelfs indien deze gegrond zou worden verklaard – te voldoen aan de failliete boedel. . 6.21. Een curator beschikt over een ruime beleidsvrijheid en kan, met het oog op de realisatie van actief voor de boedel, tactische keuzes maken. Eiser toont niet aan dat een normaal zorgvuldig en redelijk handelend curator, geplaatst in dezelfde omstandigheden, niet op gelijkaardige wijze zou hebben gehandeld met betrekking tot de rekening-courantvordering. Het was in die omstandigheden niet onredelijk om eerst de uitkomst van de procedure inzake [EJS] af te wachten. Verweerster heeft geen fouten begaan in deze. Dat [GETR] thans niet over de nodige middelen beschikt, vloeit bovendien voort uit het feit dat [BEX] — bestuurd door eiser — de schulden waartoe zij werd veroordeeld niet heeft voldaan. Er wordt verder ook niet meegedeeld welke ‘eigen’ schade eiser zou hebben geleden. Tussenbesluit: Er wordt noch een fout in hoofde van verweerster, noch vergoedbare schade in hoofde van eiser aangetoond met betrekking tot de verwijten inzake “de rekening-courant van [GETR]” . VI.I. Vordering tot het vergoeden van “morele schade en andere schade” . 6.22. Eiser vordert “morele schade en andere schade”. De rechtbank merkt op dat eiser in zijn syntheseconclusie geen concreet bedrag verbindt aan zijn vordering wegens “morele schade”. Morele schade kan inderdaad ‘eigen schade’ zijn, doch enkel wanneer deze volgt uit een fout die in causaal verband staat met die schade. In zijn uitgebreide uiteenzetting in conclusie richt eiser zich hoofdzakelijk op de heer [AER], [AST] en [GETR], zonder evenwel te verduidelijken welke specifieke fout verweerster zou hebben begaan die zou hebben geleid tot “morele schade” bij eiser. Wat eiser bedoelt met “andere schade” wordt evenmin verduidelijkt. Tussenbesluit: Er wordt noch een fout in hoofde van verweerster, noch vergoedbare schade in hoofde van eiser aangetoond met betrekking tot de verwijten inzake “morele schade en andere schade”. . 6.23. Samenvattend besluit: de vorderingen van eiser tegen verweerster wegens vermeende fouten in het beheer van het faillissement GCV [PDC]° zijn ongegrond. . 6.24. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger. W.). Eiser is de in het ongelijk gestelde partij. Hij stelt te zijn toegelaten tot de kosteloze rechtspleging en bijstand. Er worden geen stukken hierover voorgelegd. Het basisbedrag 23.546,51 EUR van de rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend. . VII. DE BESLISSING VAN DE RECHTBANK . - Verklaart de vordering van [PD]tot het afsluiten van het faillissement GCV [PDC]° onder straffe van een dwangsom onontvankelijk. - Verklaart de vordering van [PD] tot “verwerping van alle kosten gemaakt door verweerster al dan niet gelinkt aan het zich aansluiten bij de vordering van [AER] en [GETR]” onontvankelijk. - Wijst de overige vorderingen van [PD] tegen [CV] af als ongegrond. - Veroordeelt [PD] tot de kosten van het geding, waaronder zijn eigen kosten en tot een rechtsplegingsvergoeding aan [CV] begroot op 23.546,51 EUR. - In toepassing van artikel 4, §2, lid 1 en 3 en artikel 5, §1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt [PD] verwezen in de bijdrage van 26,00 euro aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. - Wijst het expliciete of impliciete, anders- of meergevorderde sowieso af als ongegrond. . ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van Laere en P. Van den Bossche, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 17 maart 2025 in aanwezigheid van Z. Foré, griffier bij beschikking hoofdgriffier N. Pettens dd. 16/09/2025. Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150120.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161007.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190510.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191025.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.