← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260324.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 24 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260324.1 Rolnummer: O/25/01207 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-03-24 Raadplegingen: 367 - laatst gezien 2026-06-18 18:27 Fiche 1 De vennoten onder firma zijn ook hoofdelijk aansprakelijk voor fiscale verhogingen en boeten ingekohierd lastens de VOF. De vennoten gelden immers als belastingschuldigen die gerechtigd zijn om een bezwaarschrift in te dienen tegen de aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, die ten name van de vennootschap is gevestigd. Vennoten onder firma kunnen tevens vorderingen in rechte instellen teneinde een btw-schuld met inbegrip van de boete te betwisten. Doen zij dit niet dan kan deze aanslag tegen de vennoten onder firma ten uitvoer worden gelegd. De tenuitvoerlegging van het kohier lastens de aansprakelijke vennoten vloeit voort uit het systeem van de wet. De vennoten onder firma zijn medeschuldenaren in de zin van artikel 2, § 1,6° WMGI. Dit geldt dus ook voor fiscale verhogingen en boeten. Uit de aard van de vennootschap zelf volgt dat de rechtspersoonlijkheid van een VOF is vermengd en dermate verweven met die van haar vennoten, dat die vennoten in werkelijkheid voor eigen rekening onder firma ondernemen en dus handelen. Dat de activiteiten van een VOF te beschouwen zijn als activiteiten verricht door de gezamenlijk handelende vennoten. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: aansprakelijke vennoten VOF voor fiscale boeten en verhogingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - 4:22 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Fiche 2 Zogenaamde ‘kohierbelastingen' ontstaan niet door de inkohiering, doch ontstaan op het tijdstip waarop de periode wordt afgesloten waarin de relevante reeks gebeurtenissen die samen de belastbare grondslag vormen, zich hebben voorgedaan. Wanneer een vennoot zijn aandelen van een VOF overdraagt alvorens het boekjaar werd afgesloten, stelt zich de vraag of rekening kan gehouden worden met fiscale latenties inzake de vennootschapsbelasting van dat lopend boekjaar. Om redenen uitgelegd in het vonnis, stelt de rechtbank zich op het standpunt dat een onbeperkte aansprakelijke vennoot van een VOF hoofdelijk pro rata gehouden is tot de vennootschapsbelasting die betrekking heeft op het inkomstenjaar waarin de vennoot is uitgetreden, waarbij kan aangenomen worden dat de vennootschapsbelasting gelijkmatig doorheen het inkomstenjaar werd opgebouwd. De onbeperkt aansprakelijke vennoot kan dit vermoeden weerleggen door in concreto aan te tonen dat een pro rata aanrekening niet in overeenstemming met de werkelijkheid kan geacht worden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: pro rata aansprakelijkheid in hoofde van vennoot voor vennootschapsbelasting van lopende boekjaar voor VOF Fiche 3 De huurovereenkomst wordt lastens de VOF ontbonden door de vrederechter waarna een vennoot zijn aandelen in de VOF overdraagt. Na de ontbinding van de huur is er een bezetting van het handelspand gedurende 926 dagen waarvoor een bezettingsvergoeding verschuldigd zou zijn van 36 938,14 EUR. Tijdens de bezetting worden maandelijkse betalingen uitgevoerd. De uitgetreden vennoot stelt niets te maken hebben met de latere bezetting van 926 dagen. De curator van de VOF acht de uitgetreden vennoot wel aansprakelijk en verwijst naar de ontbonden huurovereenkomst als oorsprong van de vordering. De rechtbank heropent de de debatten om partijen standpunt te laten innemen of ten gevolge de maandelijkse betalingen en blijvend gebruik van het handelspand na de ontbinding van de huurovereenkomst gedurende 926 dagen, er geen nieuwe overeenkomst zou zijn ontstaan. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, 2de kamer heeft volgend vonnis gewezen: . Partijen in het geding . Mr. X, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van [CLUB] VOF. Hierna verder aangeduid als “de curator”, . EN . [EG] Verweerder Met raadsman […], . I.INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . 1.1. Het geding werd ingeleid bij dagvaarding van 29 oktober 2025. Partijen hebben conclusies genomen. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 10 maart 2026 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. 1.2. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL . 2.1. Bij vonnis van 9 mei 2023 van de 2e kamer van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent werd [CLUB] VOF (hierna ‘[CLUB]’) in staat van faillissement verklaard. Mr. [X] werd daarbij aangesteld als curator. Uit het derde proces-verbaal van verificatie blijkt een aanvaard passief in het faillissement van [CLUB] van 142.228,68 EUR. De curator is van oordeel dat verweerder, als voormalig onbeperkt aansprakelijke vennoot van [CLUB], aansprakelijk dient te worden gesteld voor 115.920,67 EUR van deze schulden. Ter zitting legt de curator uit dat [CLUB] reddeloos verloren was op het ogenblik van de uittreding van verweerder, dat er geen boekhouding aanwezig was, dat geen actief werd aangetroffen, dat de zetel op het ogenblik van faillissement verlaten was en dat de ‘nieuwe’ vennoten onvindbaar zijn gebleven voor de curator. 2.2. Verweerder stelt enkel vennoot van [CLUB] te zijn geweest van 3 mei 2018 tot en met 3 november 2020. [CLUB] werd pas failliet verklaard op 9 mei 2023. Verweerder stelt slechts voor 57.900,10 EUR aansprakelijk te zijn, zijnde de schulden die zouden betrekking hebben op de periode tot 3 november 2020. . III. DE VORDERINGEN VAN PARTIJEN . 3.1. De curator vordert in laatste conclusie: “De vordering van concluant q.q. ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens: 1. verweerder te veroordelen tot het betalen aan concluant q.q. van de som van 115.920,67 EUR, vermeerderd tot op heden met verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 09/05/203 (datum faillissement) en vanaf datum dagvaarding tot de dag der integrale betaling op het aldus samengestelde bedrag vermeerderd met de gerechtelijke interest gelijk aan de wettelijke interestvoet; 2. verweerder tevens te veroordelen tot het betalen aan concluant q.q. van de som van 27.000,00 EUR provisioneel; voorbehoud te verlenen voor wat betreft de definitieve begroting van deze vordering en de zaak daartoe onbepaald uit te stellen; 3. verweerder te veroordelen tot alle kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van verzoeker q.q. begroot op: - dagvaarding: p.m. EUR; - rolstelling 4. dat het tussen te komen vonnis uitvoerbaar wordt verklaard bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement;” . 3.2. Verweerder vordert in zijn laatste conclusie: “De vordering ontvankelijk en deels gegrond te verklaren; Te zeggen voor recht dat concluant slechts gehouden is tot het betalen van de som van 57 900,10 euro De vordering van Fiducre ongegrond te verklaren. Te zeggen voor recht dat de vordering van NV [UG] niet in staat van wijzen is. Ondergeschikt: te oordelen dat concluant slechts gehouden is tot de betaling van een bedrag van 6 222,84 euro aan NV [UG].” . IV. DE BEOORDELING . IV.A. Ontvankelijkheid 4.1. De ontvankelijkheid wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. . IV.B. De juridische principes inzake de aansprakelijkheid van de vennoten van de VOF 4.2. Krachtens artikel 4:22 WVV is een vennootschap onder firma (VOF) een maatschap waarvan alle vennoten onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap (voorheen artikel 204 W.Venn.). De hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten geldt ongeacht de oorzaak en het tijdstip waarop de vennootschapsschulden zijn ontstaan (Cass. 1 december 1925, Pas. 1926, 88). De vennoten van een VOF zijn te beschouwen als medeschuldenaars die hoofdelijk en, gelet op artikel 4:26 WVV, subsidiair gehouden zijn voor de vennootschapsschulden (Cass. 24 maart 1892, Pas. 1892, 133). De vennootschapsschuldeisers bezitten een dubbele verhaalsmogelijkheid. Zij kunnen, naast de vennootschap zelf, ook de individuele vennoten aanspreken voor het geheel. In geval van faillissement van de VOF maakt de noodzaak van een efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van de schuldeisers, dat de curator gerechtigd is de vorderingsrechten uit te oefenen tegen de hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijke vennoten, ook al behoren die vorderingsrechten niet toe aan de gefailleerde (vgl. Cass. 7 november 2013, RW 2014-15, 21 en Cass. 6 december 2012, Arr.Cass. 2012, afl. 12, 2785). Tijdens het faillissementsbewind kan enkel de curator de vennoot persoonlijk aansprakelijk stellen voor de passiva van de VOF en een rechtsvordering instellen tegen de vennoot strekkende tot aanzuivering van het passief van de gefailleerde vennootschap (artikel XX.99, 5de lid WER). De curator heeft een keuzerecht en hoeft niet noodzakelijk elke vennoot aan te spreken. Het aantal aandelen dat de vennoot bezit, heeft geen relevantie in de vordering tot aanzuivering van het passief. 4.3. De overdracht van aandelen kan, wanneer zij door de statuten is toegelaten, slechts gebeuren met inachtneming van de vormen van het burgerlijk recht. Het verlies van de hoedanigheid van vennoot onder firma moet worden bekendgemaakt (artikel 2:8, §1, 2° juncto 2:14 WVV en 2:18 WVV; voorheen artikel 69, 1ste lid 4°, W.Venn juncto artikel 74, 1°, W.Venn; zie ook Cass. 2 september 2016, TRV 2018, afl. 1, 54). Ingevolge artikel 4:7 WVV kan de overdracht van aandelen geen gevolg hebben ten aanzien van de verbintenissen van de vennootschap die dateren van vóór de tegenwerpelijkheid van de overdracht (voorheen artikel 209 W.Venn). Enkel voor de verbintenissen die ontstaan zijn na de bekendmaking van zijn uittreding, is de uitgetreden vennoot niet aansprakelijk. Bij gebreke aan bekendmaking blijft hij gehouden voor de verbintenissen die na zijn uittreding ontstaan. Een vennoot van een VOF die zijn aandelen overdraagt blijft gehouden voor de verbintenissen die ontstaan zijn vóór de overdracht. Dit geldt ook voor verbintenissen die voortvloeien uit de verdere uitvoering van voordien gesloten overeenkomsten (Cass. 18 juni 2020, RW 2020-21, afl. 24, 946). De nieuwe vennoot die de aandelen overneemt, kan wel worden aangesproken voor de vóór de overdracht ontstane verbintenissen (Cass. 24 mei 2012, FJF 2013, 566). . IV.C. Toepassing op de concrete feiten 4.4. Er bestaat tussen partijen geen betwisting dat de aandelen konden worden overgedragen. Verweerder is vennoot van [CLUB] geworden op 3 mei 2018. De uittrede werd bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad op 3 november 2020. Hieruit volgt dat verweerder aansprakelijk is voor alle vennootschapsschulden ontstaan vóór 3 november 2020. 4.5. De curator begroot deze schulden op 115.920,67 EUR. Verweerder aanvaardt slechts 57.900,10 EUR en voert betwisting over de fiscale schulden, huurschulden en een krediet. . IV.C.1. Wat betreft de fiscale schulden 4.6. De FOD Financiën heeft aangifte van schuldvordering gedaan ten belope van 52.702,80 EUR, dewelke werd aanvaard door de curator. De curator vordert om verweerder hiervan ten belope van 41.434,42 EUR aansprakelijk te stellen. - Venn. B Aj. 2018 – Artikel 201048961304: 6.264,34 EUR - Venn. B Aj. 2019 – Artikel 201045386953: 14.085,31 EUR - Venn. B Aj. 2021 – Artikel 201042381165: 20.615,93 EUR x 10/12 17.179,94 EUR - Rolrecht d.d. 29.10.2020 – Artikel 200489441254: 123,75 EUR - Rolrecht d.d. 28.02.2020 – Artikel 200437745611: 247,50 EUR - Rolrecht dd. 27.09.2019 – Artikel 200404684647: 1.182,78 EUR - Btw-schuld per 31.10.2020 – Art. 500244734410: 2.350,80 EUR Verweerder betwist dit punt van de vordering en vraagt deze post inzake fiscale schulden te herleiden tot 20.349,65 EUR. .

  1. a)De fiscale verhogingen en boeten . 4.7. Verweerder stelt dat fiscale verhogingen en boeten niet aan de vennoten kunnen toegerekend worden. Fiscale boeten en verhogingen kunnen een overwegend repressief karakter hebben en dus een strafrechtelijke sanctie uitmaken, ook wanneer zij louter van administratieve aard zijn. Het persoonlijk karakter van de straf, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, verzet zich er evenwel niet tegen dat de vennoten van de VOF hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze verhogingen en boeten. Uit de aard van de vennootschap zelf volgt dat de rechtspersoonlijkheid van een VOF is vermengd en dermate verweven met die van haar vennoten, dat die vennoten in werkelijkheid voor eigen rekening onder firma ondernemen en dus handelen. Dat de activiteiten van een VOF te beschouwen zijn als activiteiten verricht door de gezamenlijk handelende vennoten. De rechten van de vennoten onder firma zijn in deze gewaarborgd volgens de principes van het strafrecht. De vennoten onder firma gelden als belastingschuldigen die gerechtigd zijn om een bezwaarschrift in te dienen tegen de aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, die ten name van de vennootschap is gevestigd (Cass. 22 november 2007, Arr.Cass. 2007, nr. 577; zie ook Cass. 15 oktober 2015, Arr.Cass. 2015, afl. 10, 2375). Vennoten onder firma kunnen tevens vorderingen in rechte instellen teneinde een btw-schuld met inbegrip van de boete te betwisten. Doen zij dit niet dan kan deze aanslag tegen de vennoten onder firma ten uitvoer worden gelegd. Wat de FOD Financiën kan vóór faillietverklaring, kan de curator ook na faillietverklaring. De tenuitvoerlegging van het kohier lastens de aansprakelijke vennoten vloeit voort uit het systeem van de wet. De vennoten onder firma zijn medeschuldenaren in de zin van artikel 2, § 1,6° WMGI. Tussenbesluit: Verweerder is hoofdelijk aansprakelijk voor fiscale verhogingen en boeten ingekohierd lastens [CLUB] .
  2. b)De vennootschapsbelasting van het inkomstenjaar waarin de vennoot is uitgetreden . 4.8. Verweerder stelt niet aansprakelijk te kunnen zijn voor de vennootschapsbelasting aanslagjaar 2021, inkomsten 2020 gezien hij als vennoot is uitgetreden op 3 november 2020 en de curator niet aantoont hoeveel winst er gemaakt was per 30 november 2020. De curator acht verweerder wel aansprakelijk voor deze aanslag ten belope van 10/12de gelet op de uittreding op 3 november 2020. De curator wijst erop dat het een aanslag van ambtswege betrof zodat deze losstaat van de werkelijke winst en een pro-rata toerekening de enige werkbare oplossing is. Bij zogenaamde ‘kohierbelastingen’ ontstaat de belastingschuld niet door de inkohiering (Cass. 15 september 2000, C.98.0388.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000915.3, Cass. 14 maart 2008, F.07.0067.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.1). Dergelijke belastingschulden ontstaan in de fiscaalrechtelijke zin reeds definitief op het tijdstip waarop de periode wordt afgesloten waarin de relevante reeks gebeurtenissen die samen de belastbare grondslag vormen, zich hebben voorgedaan. Zo zal een onbeperkt aansprakelijke vennoot die is uitgetreden op 1 februari 2003 toch aansprakelijk zijn voor de vennootschapsbelasting over het inkomstenjaar 2002, ook als de aanslag werd ingekohierd na 1 februari 2023 (Cass. 30 april 2021, Not.Fisc.M. 2021/9, 327). 4.9. Echter, in casu is de onbeperkt aansprakelijke vennoot uitgetreden op 3 november 2020, staande het lopende inkomstenjaar. De vennootschapsbelasting voor 2020 ‘bestond’ nog niet op 3 november 2020. Er bestond hoogstens een ‘latentie’. Tussentijdse latenties in aanmerking nemen, is niet evident gezien in het resterend deel van het inkomstenjaar zich gebeurtenissen kunnen voordoen die het resultaat van dat inkomstenjaar dermate beïnvloeden. Aan de andere kant moet rekening gehouden worden met hetgeen de onbeperkte aansprakelijkheid net beoogt en moet vermeden worden dat onbeperkt aansprakelijke vennoten tijdens de lopende belastingperiode anticiperen op onvermijdelijke vennootschapsbelasting waarvan men weet dat deze niet kan betaald worden door de VOF of wanneer de vennoot beseft dat er geen deugdelijke boekhouding werd bijgehouden waardoor correcte fiscale aangiftes onmogelijk worden. Vennootschappen kunnen bovendien hun boekjaar verlengen en dus het fiscaalrechtelijk ‘ontstaan’ van de schuld uitstellen. De problematiek van het doorschuiven van een VOF in het licht van nakende insolventie is een reëel risico. A priori de aansprakelijkheid voor elke fiscale latentie uitsluiten, zou tot gevolg hebben dat een onbeperkt aansprakelijke vennoot die uittreedt op 30 december niet gehouden is tot de vennootschapsbelasting en een onbeperkt aansprakelijke vennoot die uittreedt op 2 januari wel gehouden is tot die vennootschapsbelastingbelasting. Dit terwijl het mogelijk is dat er tussen 30 december en 2 januari geen enkele handeling werd gesteld. Dergelijk onderscheid is in het licht van de doelstelling van de onbeperkte aansprakelijkheid niet verantwoord. Te meer daar de belastbare handelingen in hoofde van een VOF in wezen handelingen zijn van die vennoten en de belastbare handelingen de grondslag uitmaken van de latere vennootschapsbelasting. 4.10. Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank zich op het standpunt dat een onbeperkte aansprakelijke vennoot van een VOF hoofdelijk pro rata gehouden is tot de vennootschapsbelasting die betrekking heeft op het inkomstenjaar waarin de vennoot is uitgetreden, waarbij kan aangenomen worden dat de vennootschapsbelasting gelijkmatig doorheen het inkomstenjaar werd opgebouwd. De onbeperkt aansprakelijke vennoot kan dit vermoeden weerleggen door in concreto aan te tonen dat een pro rata aanrekening niet in overeenstemming met de werkelijkheid kan geacht worden. Toegepast op concrete casus toont verweerder niet aan dat een pro rata aanrekening volgens 307/366 van de vennootschapsbelasting voor inkomstenjaar 2020 niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. Tussenbesluit: verweerder is aansprakelijk voor 17.179,94 EUR uit hoofde van de vennootschapsbelasting aanslagjaar 2021, inkomstenjaar 2020. .
  3. c)De rolrechten . 4.11. Verweerder stelt dat niet wordt aangetoond dat de rolrechten die de FOD Financiën ten bedrage van 123,75 EUR, 247,50 EUR en 1.182,78 EUR dateren van vóór 3 november 2020. De rechtbank stelt vast dat uit de aangifte van schuldvordering blijkt dat [CLUB] werd veroordeeld tot deze de rolrechten op 27 september 2019, 28 februari 2020 en 29 oktober 2020. Tussenbesluit: verweerder is aansprakelijk voor de rolrechten ten bedrage van 123,75 EUR, 247,50 EUR en 1.182,78 EUR. . IV.C.2. Wat betreft de schuld aan Fiducre uit hoofde van een kredietopening . 4.12. [CLUB] is op 22 juni 2015 een overeenkomst tot kredietopening met ING België aangegaan voor een hoofdsom van 6.000,00 EUR. De vordering werd overgedragen aan Fiducre die een aangifte van schuldvordering heeft ingediend ten bedrage van 7.904,05 EUR welke werd aanvaard door de curator. Verweerder betwist aansprakelijk te zijn voor deze schuld daar niet duidelijk is wanneer de gelden “effectief gebruikt werden”. Volgens verweerder draagt de curator de bewijslast om aan te tonen wanneer de gelden zouden zijn “opgenomen”. De argumentatie van verweerder acht de rechtbank niet ter zake. Een vennoot van een VOF die zijn aandelen overdraagt, blijft gehouden voor de verbintenissen die ontstaan zijn vóór de overdracht. Dit geldt ook voor verbintenissen die voortvloeien uit de verdere uitvoering van voordien gesloten overeenkomsten (Cass. 18 juni 2020, RW 2020-21, afl. 24, 946). Het volstaat vast te stellen dat de overeenkomst tot kredietopening werd gesloten op 22 juni 2015. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat uit de stukken blijkt dat het krediet van 6.000,00 EUR onmiddellijk ter beschikking werd gesteld op bankrekening BE66 3631 4187 2543 die onder beheer stond van [CLUB]. Tussenbesluit: verweerder is aansprakelijk voor de schuld ten aanzien van Fiducre ten belope van 7.904,05 EUR. . IV.C.3. Wat betreft de schuld aan [UG] uit hoofde van bezetting na stopzetting huur . 4.13. [UG] heeft een aangifte van schuldvordering ingediend in het faillissement van [CLUB] ten belope van 35.199,65 EUR. Op 31 januari 2019 wordt een huurovereenkomst afgesloten met de rechtsvoorganger van [UG] die optreedt als verhuurder. Zowel [CLUB] alsook verweerder verschijnen als huurder. Met toepassing van artikel 24 van de huurovereenkomst zijn de huurdersverplichtingen ten aanzien van de huurders hoofdelijk en ondeelbaar. Bij vonnis van 27 mei 2020 van de vrederechter van het tweede kanton Gent werd de huurovereenkomst ontbonden lastens [CLUB] én verweerder. Beiden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van: - 8.467,45 EUR achterstallige huur tot en met mei 2020, meer nalatigheidsintrest aan een intrestvoet van 8% vanaf de onderscheiden vervaldata tot 30 maart 2020, meer gerechtelijke intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 30 maart 2020 tot de dag van de volledige betaling; - 7.280,94 EUR wederverhuringsvergoeding, meer gerechtelijke intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf heden tot de dag van de volledige betaling; - 39,89 EUR bezettingsvergoeding per dag vanaf 1 juni 2020 tot de dag dat het huurpand vrij ter beschikking wordt gesteld, meer gerechtelijke intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf elke vervaldag tot de dag van de volledige betaling. - 201,80 EUR registratierechten, meer nalatigheidsintrest aan een intrestvoet van 8% vanaf 8 mei 2019 tot 30 maart 2020, meer gerechtelijke intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 30 maart 2020 tot de dag van de volledige betaling; - 40,00 EUR forfaitaire vergoeding voor de eigen invorderingskosten, meer gerechtelijke intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 30 maart 2020 tot de dag van de volledige betaling. - bijdrage in het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand 20,00 EUR + 1.440,00 EUR RPV en 20,00 EUR rolrecht. Deze veroordeling resulteerde in een afrekening op 15 juni 2020 ten belope van 16.956,61 EUR. Uit stuk 24 (pagina 202) van de aangifte van schuldvordering van [UG] blijkt dat na tussengekomen vonnis tot ontbinding van de huurovereenkomst 31.5689,62 EUR werd afbetaald. Er blijkt een maandelijkse regelmaat in de afbetalingen. Niettemin bedraagt de afrekening gemaakt op basis van voormeld vonnis, op datum faillissement klaarblijkelijk nog steeds 35.199,65 EUR te bedragen. Uit de stukken blijkt dat er een bezettingsvergoeding werd aangerekend van 36 938,14 EUR ofwel 926 dagen. Er ligt een PV uitdrijving voor van 13 december 2022 waarin niet nader gespecifieerd wordt wie of wat nog werd aangetroffen. Verweerder is uitgetreden als vennoot op 3 november 2020. 4.14. Verweerder stelt vooreerst dat het punt van de vordering met betrekking tot [UG] niet in staat is. Verder stelt verweerder niets te maken te hebben met de bezetting door wie dan ook van het betrokken pand na 3 november 2020. Hij wijst erop dat een bezetting na ontbinding van de huur geen contractuele grondslag heeft doch wel gebaseerd is op de leer van de vermogensvermeerdering zonder oorzaak of de ongerechtvaardigde verrijking die van dag tot dag verschuldigd wordt. De curator stelt dat een bezettingsvergoeding een schadevergoeding betreft voor de wanprestatie van de huurder. De oorsprong van die vergoeding zou gelegen zijn in een feit dat zich heeft voltrokken in de periode van verweerder vennoot was van [CLUB]. 4.15. De rechtbank stelt vooreerst vast dat beide partijen eraan voorbij gaan dat verweerder zelf in eigen naam huurder was en in eigen naam werd veroordeeld tot betalen bij vonnis van 27 mei 2020. Niet omdat hij vennoot was van [CLUB] maar omdat hij zelf ook huurder was. In tegenstelling tot wat de curator voorhoudt, kan schuldeiser [UG] verder gedwongen uitvoeren tegen verweerder en wordt [UG] hierin niet gehinderd door artikel XX.99, 5de lid WER. Zo zal verweerder in zijn rechtstreekse relatie met [UG] desnoods in executiegeschillen kunnen laten beslechten of
  4. i)verweerder wel kan gehouden worden tot een bezettingsvergoeding van 926 dagen op basis van het vonnis 27 mei 2020,
  5. ii)of er geen nieuwe overeenkomst is ontstaan door na de ontbinding 926 dagen gebruik toe te laten door “iemand” die maandelijks heeft betaald aan de gerechtsdeurwaarder, iii) of de bezetting tot 13 december 2022 wel daadwerkelijk bewezen is,
  6. iv)of er geen sprake is van rechtsmisbruik of verlies aan actualiteit van de titel. 4.16. Wat de huidige vordering van de curator met betrekking tot schuldvordering van [UG] betreft in huidige zaak, volgt de rechtbank verweerder dat de zaak niet in staat is en dat de debatten heropend moeten worden. 4.16.1. De curator lijkt er vanuit te gaan dat de aanvaarding van de aangifte van schuldvordering in het faillissement van [CLUB] ook onherroepelijk gevolgen heeft voor de onbeperkt aansprakelijke vennoot en dat er verder geen debat ten gronde nodig is. Aan partijen wordt gevraagd standpunt in te nemen met betrekking tot het arrest van het Hof van Cassatie van 13 april 2018, C.17.0486.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180413.3, RW 2019-20, afl. 4, 140. Verder wordt gevraagd standpunt in te nemen of een aanvaarding van een aangifte van schuldvordering enkel de curator, de gefailleerde, de boedel en de schuldeiser bindt of ook een medeschuldenaar. 4.16.2. Het arrest van het Hof van Cassatie van 18 juni 2020 (C.18.0333.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.28) heeft inderdaad deels betrekking op de gehoudenheid van de onbeperkt aansprakelijke vennoot tot de ‘bezettingsvergoeding’ na ontbinding van de huurovereenkomst. In casu is het feitencomplex met betrekking de vermeende bezetting (of uitbating) vanaf 1 juni 2020 tot en met 13 december 2022 niet helder. Aan de curator wordt gevraagd – desnoods na het interpelleren van schuldeiser [UG] – duidelijkheid te verschaffen wie of wat het onroerend goed te [straat] heeft bezet (of uitgebaat) tot en met 13 december 2022, alsook mee te delen wie de maandelijkse betalingen of afbetalingen ten belope van 31.5689,62 EUR heeft verricht na het tussengekomen vonnis van 27 mei 2020. Aan partijen wordt gevraagd standpunt in te nemen of ten gevolge de maandelijkse betalingen en blijvend gebruik van het handelspand na de ontbinding van de huurovereenkomst, er geen nieuwe overeenkomst is ontstaan en wat de rechtsgevolgen daarvan kunnen zijn in relatie met huidig geschil. 4.17. Samengevat is verweerder voorlopig aansprakelijk ten bedrage van 80.721,02 EUR. Voor de schuld ten aanzien van [UG] ten belope van 35.199,65 EUR worden de debatten heropend. De vordering met betrekking tot de kosten van de curator en boedelkosten, wordt aangehouden. De rechtbank verwijst dienaangaande wel reeds naar het arrest van het Hof van Cassatie van 12 april 2024 (C.23.0376.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240412.1F.6). . V. DE BESLISSING . De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van mr. Rydant in zijn hoedanigheid van curator van VOF [CLUB] ontvankelijk en gegrond in de hiernavolgende mate: De rechtbank - veroordeelt [EG] tot betaling aan mr. [X] in zijn hoedanigheid van curator van VOF [CLUB] de som van 80.721,02 EUR provisioneel begroot, te vermeerderen met de interesten aan de wettelijke rentevoet overeenkomstig de wet van 5 mei 1865 vanaf 29 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling; - Heropent de debatten teneinde standpunt in te nemen met betrekking tot randnummer 16 en bepaalt volgende conclusietermijnen: 24 april 2026 curator 24 mei 2026 verweerder 24 juni 2026 curator 30 augustus 2026 verweerder En stelt de zaak voor behandeling op de zitting van de tweede kamer van 15 september 2026 om 10:00 in het gerechtsgebouw te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401, zittingszaal 1.1 - Houdt de vordering met betrekking tot de schuld ten aanzien van [UG], de vordering met betrekking tot de boedelkosten en ereloon van de curator, evenals de gerechtskosten aan. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Hoste en B. Reunis, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 24 maart 2026 in aanwezigheid van Z. Foré, griffier bij beschikking hoofdgriffier N. Pettens dd. 24/02/2026. Z. Foré B. Reunis P. Hoste V. Verlaeckt Gerelateerde publicatie(
  7. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000915.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180413.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.28 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240412.1F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.