← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260331.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260331.1 Rolnummer: O/25/00067 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-04-01 Raadplegingen: 503 - laatst gezien 2026-06-18 06:34 Fiche 1 Na de faillietverklaring dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds het louter actualiseren van de boekhouding op basis van reeds bestaande stukken, zoals bankafschriften en facturen, en anderzijds boekingen die steunen op beslissingen die pas na het faillissement worden genomen, zoals het toekennen van bezoldigingen of het ten laste nemen van kosten. Krachtens artikel XX.110 WER verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over zijn goederen. Vanaf de datum van het faillissement kunnen bijgevolg door de gefailleerde geen beslissingen meer worden genomen met betrekking tot zijn vermogen, noch kunnen dergelijke beslissingen nog boekhoudkundig worden verwerkt. De rekening-courant kan derhalve na faillietverklaring niet meer worden gewijzigd op grond van toekenningen, zoals bezoldiging, of andere beslissingen die niet steunen op vóór het faillissement bestaande stukken. Indien een schuldenaar uit hoofde van een rekening-courant evenwel aantoont dat hij in de laatste maanden vóór het faillissement met eigen middelen werkelijk bestaande aankoopfacturen, gericht aan de gefailleerde, heeft voldaan, kunnen deze betalingen wel worden toegerekend op het saldo van de rekening-courant zoals dit in de boekhouding op datum van faillissement is opgenomen. De bewijslast rust bij de schuldenaar die beweert te zijn bevrijd van de eerder vastgestelde schuld op rekening-courant. De schuldenaar zal zowel de betaling, alsook het bestaan van de schuld en de gehoudenheid van de gefailleerde moeten aantonen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Boekingen op rekening-courant na faillissement Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.110 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De curator beperkt zich tot het opsommen van een veelheid aan mogelijke rechtsgronden, gevolgd door een loutere oplijsting van beweringen met verwijzing naar stukken. Van een eisende partij mag worden verwacht dat zij in haar conclusies op duidelijke en gestructureerde wijze uiteenzet welke concrete fouten worden verweten, om welke redenen deze als foutief moeten worden gekwalificeerd en — in functie van de ingeroepen rechtsgrond — aantoont welke schade hieruit zou zijn voortgevloeid. Het komt niet aan de rechtbank toe om deze elementen zelf af te leiden uit een omvangrijk stukkenbundel, noch om interpretaties te ontwikkelen die door de eisende partij zelf niet worden aangereikt. Dit geldt onverkort voor een curator. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Fiche 3 De opname van een vordering van de vennootschap op een bestuurder in een jaarrekening, goedgekeurd door de bestuurder en de algemene vergadering, levert bewijs op tegen de bestuurder. De jaarrekening bindt de bestuurders of zaakvoerders die haar hebben opgesteld en voorgelegd alsook de vennoten of aandeelhouders die haar hebben gestemd, en uiteraard ook de vennootschap zelf. Eens de jaarrekening is goedgekeurd, wordt zij een akte uitgaande van de vennootschap. Vennoten, bestuurders of derden kunnen zich van dan af op de goedgekeurde en neergelegde jaarrekening beroepen om het bewijs te leveren van schuldvorderingen of schulden ten bate of ten laste van de vennootschap. De goedgekeurde jaarrekening geniet een vermoeden van juistheid en is daarom onherroepelijk bindend voor de neerleggende vennootschap. De vennoot ten aanzien van wie een schuldvordering wordt opgenomen in de boekhouding én die deze boekhouding goedkeurt, zal er in beginsel door gebonden zijn, net zoals de bestuurder die de jaarrekening hebben opgesteld. Ook wanneer de bestuurder zelf geen aandeelhouder is en dus niet heeft deelgenomen aan de algemene vergadering waarop de jaarrekening werd goedgekeurd, kan de jaarrekening als een schriftelijke, buitengerechtelijke (impliciete) bekentenis in hoofde van de bestuurder beschouwd worden om reden dat de jaarrekening wordt opgesteld en aan de algemene vergadering wordt voorgelegd door het bestuur. Niet enkel de jaarrekening vormt een bewijs en is tegenstelbaar aan de bestuurder. Ook andere stukken van de boekhouding van een onderneming, of deze nu wettelijk verplicht zijn of niet, kunnen in omstandigheden, behoudens bedrog of een materiële vergissing, tegengeworpen worden aan de bestuurder. De feitenrechter beoordeelt vrij de wettelijke bewijswaarde van de gegevens uit de boeken en kan bijgevolg oordelen dat de boeken eenzijdig, onvolledig of onnauwkeurig zijn. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: gevolgen goedkeuring jaarrekening voor aandeelhouder en bestuurder na faillissement Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer heeft volgend vonnis verleend: . Partijen in het geding . Mr. [X] , in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van BV [POL] Eiseres q.q. . De heer [TOL] Verweerder Hebbende als raadsman: Mr. [O] . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . Het geding werd ingeleid met een verzoekschrift vrijwillige verschijning van 1 april

  1. Bij beschikking van 18 november 2025 heeft de rechtbank, in overeenstemming met artikel 747, §1 Ger.W., de conclusietermijnen tussen partijen afgesproken bekrachtigd en heeft zij de rechtsdag bepaald. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 17 februari 2026 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN . 2.
  2. Bij akte van 17 december 2018 werd de BV [POL] opgericht. De heer [TOL], verweerder, werd sinds 30 september 2020 aangesteld als bestuurder voor onbepaalde duur. 2.
  3. Bij vonnis van 23 april 2024 van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, werd de BV [POL] failliet verklaard. Mr. [X] werd aangesteld als curator, thans eiseres q.q. 2.
  4. Uit het derde proces-verbaal van verificatie blijkt dat het passief van het faillissement 450.442,25 EUR bedraagt. 2.
  5. Bij aangetekende ingebrekestelling van 21 augustus 2024 verzocht eiseres q.q. verweerder in zijn hoedanigheid van bestuurder om over te gaan tot terugbetaling van 125.999,09 EUR, uit hoofde van een rekening-courant schuld. In dezelfde brief maakte ze voorbehoud voor een bestuurdersaansprakelijkheid. 2.
  6. Partijen konden niet tot een minnelijk vergelijk komen en legden op 1 april 2025 een gezamenlijk verzoek van vrijwillige verschijning neer. . III. DE VORDERINGEN . 3.
  7. Eiseres q.q. vordert in haar conclusie, neergelegd ter griffie op 17 december 2025: “De vordering ontvankelijk en gegrond te bevinden, Dienvolgens de verweerder te veroordelen om enerzijds aan de concluante qq. Te betalen uit hoofde van verkoop voertuigen en een rekening courant debet een bedrag van 125.999,09 EUR, anderzijds uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid een bedrag van 450.442,25 EUR meer de wettelijke rente vanaf datum van de aangetekende ingebrekestelling dd. 21.08.2024 tot op de dag van algehele en daadwerkelijke betaling. De verweerder te verwijzen tot de kosten, in hoofde van concluante qq. op heden te begroten op de kosten van dagvaarding.” . 3.
  8. Verweerder vordert in zijn conclusie, neergelegd op 30 januari 2026: “- In hoofdorde: de vordering van de curator ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en de failliete boedel te verwijzen in de kosten van het geding, aan de zijde van dhr. [TOL] begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 15.697,67€. - in ondergeschikte orde: de vordering van de curator ontvankelijk en gegrond te verklaren ten belope van provisioneel 12 400 € en de zaak voor het overige naar de rol te verwijzen.” . IV. DE BEOORDELING . Ontvankelijkheid 4.
  9. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. De vordering is ontvankelijk. . De grond van de zaak . 4.
  10. Tussen partijen bestaan twee onderscheiden discussiepunten. Enerzijds is er betwisting omtrent het bestaan en de omvang van een debetsaldo in rekening courant, zoals gevorderd door eiseres q.q. en betwist door verweerder. Anderzijds twisten partijen over de vraag of verweerder in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden voor het faillissementspassief. De rechtbank zal eerst de discussie omtrent de rekening courant behandelen onder de randnummers 4.3 e.v., waarna de beoordeling van de aangevoerde gronden inzake bestuurdersaansprakelijkheid volgt onder de randnummers 4.4 e.v. . IV.A. Rekening-courant . 4.
  11. Eiseres q.q. stelt dat uit de boekhouding een debetsaldo in rekening courant blijkt, die eind 2023 nog 105.899,09 EUR bedroeg (stukken 4 en 14 eisers q.q.). Daarnaast zouden twee voertuigen zijn verkocht voor 12.100 EUR (stuk 5 eiseres q.q.) en 8.000 EUR (stuk 7 eiseres q.q.), waarvan de opbrengst door verweerder contant werd geïnd zonder doorstorting aan de vennootschap. Eiseres q.q. meent dat verweerder deze bedragen dient aan te zuiveren ten voordele van de boedel. 4.
  12. Verweerder betwist dat hij dit bedrag uit hoofde van een rekening-courantschuld ten aanzien van de gefailleerde verschuldigd is. Hij voert aan dat de curator zich baseert op verouderde cijfers en dat de boekhouding nog diende te worden afgewerkt. Inmiddels zou door een door hem betaalde accountant een “correcte” faillissementsbalans zijn opgesteld (stuk 7 verweerder). Volgens deze balans vertoont de rekening-courant geen debetsaldo, maar integendeel een tegoed van 31.240,96 EUR in zijn voordeel. Eiseres q.q. zou er volgens verweerder niet in slagen om aan te tonen dat deze geactualiseerde balans foutief is. . 4.5 Theoretisch kader 4.5.
  13. Hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. Hij die beweert bevrijd te zijn, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die zijn bewering ondersteunen. Alle partijen zijn gehouden om mee te werken aan de bewijsvoering (artikel 8.
  14. BW). 4.5.
  15. De opname van een vordering van de vennootschap op een bestuurder in een jaarrekening, goedgekeurd door de bestuurder en de algemene vergadering, levert bewijs op tegen de bestuurder. De jaarrekening bindt de bestuurders of zaakvoerders die haar hebben opgesteld en voorgelegd alsook de vennoten of aandeelhouders die haar hebben gestemd, en uiteraard ook de vennootschap zelf. Eens de jaarrekening is goedgekeurd, wordt zij een akte uitgaande van de vennootschap (HvB Gent 12 juni 2017, DAOR 2017, afl. 123, 96). Vennoten, bestuurders of derden kunnen zich van dan af op de goedgekeurde en neergelegde jaarrekening beroepen om het bewijs te leveren van schuldvorderingen of schulden ten bate of ten laste van de vennootschap (HvB Gent 19 juni 2017, TGR-TWVR 2017, afl. 4, 309; Gent 4 april 2001, TBH 2002, 124). De goedgekeurde jaarrekening geniet een vermoeden van juistheid en is daarom onherroepelijk bindend voor de neerleggende vennootschap. De vennoot ten aanzien van wie een schuldvordering wordt opgenomen in de boekhouding én die deze boekhouding goedkeurt, zal er in beginsel door gebonden zijn (HvB Gent 9 maart 2015, TRV 2015, 575), net zoals de bestuurder die de jaarrekening hebben opgesteld. Ook wanneer de bestuurder zelf geen aandeelhouder is en dus niet heeft deelgenomen aan de algemene vergadering waarop de jaarrekening werd goedgekeurd, kan de jaarrekening als een schriftelijke, buitengerechtelijke (impliciete) bekentenis in hoofde van de bestuurder beschouwd worden om reden dat de jaarrekening wordt opgesteld en aan de algemene vergadering wordt voorgelegd door het bestuur (zie HvB Gent 20 februari 2023, 2021/AR/951). Een buitengerechtelijke bekentenis kan voortvloeien uit het gedrag van een van de partijen. Dat gedrag kan met alle bewijsmiddelen worden aangetoond (artikel 8.31 BW). Niet enkel de jaarrekening vormt een bewijs en is tegenstelbaar aan de bestuurder. Ook andere stukken van de boekhouding van een onderneming, of deze nu wettelijk verplicht zijn of niet, kunnen in omstandigheden, behoudens bedrog of een materiële vergissing, tegengeworpen worden aan de bestuurder (vgl. ook met HvB Brussel 25 januari 1990, TBH 1990, 534). De feitenrechter beoordeelt vrij de wettelijke bewijswaarde van de gegevens uit de boeken en kan bijgevolg oordelen dat de boeken eenzijdig, onvolledig of onnauwkeurig zijn (Cass. 3 december 2007, RW 2010-11, afl. 9, 382, zie ook HvB Gent 8 november 2001, DAOR 2002, afl. 63, 243). 4.5.
  16. Na de faillietverklaring dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds het louter actualiseren van de boekhouding op basis van reeds bestaande stukken, zoals bankafschriften en facturen, en anderzijds boekingen die steunen op beslissingen die pas na het faillissement worden genomen, zoals het toekennen van bezoldigingen of het ten laste nemen van kosten. Krachtens artikel XX.110 WER verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over zijn goederen. Vanaf de datum van het faillissement kunnen bijgevolg door de gefailleerde geen beslissingen meer worden genomen met betrekking tot zijn vermogen, noch kunnen dergelijke beslissingen nog boekhoudkundig worden verwerkt (HvB Gent 6 oktober 2014, AR 2011/2525). De rekening-courant kan derhalve na faillietverklaring niet meer worden gewijzigd op grond van toekenningen, zoals bezoldiging, of andere beslissingen die niet steunen op vóór het faillissement bestaande stukken (HvB Gent, 8 december 2025, AR 2024/AR/1435). Indien een schuldenaar uit hoofde van een rekening-courant evenwel aantoont dat hij in de laatste maanden vóór het faillissement met eigen middelen werkelijk bestaande aankoopfacturen, gericht aan de gefailleerde, heeft voldaan, kunnen deze betalingen wel worden toegerekend op het saldo van de rekening-courant zoals dit in de boekhouding op datum van faillissement is opgenomen. De bewijslast rust bij de schuldenaar die beweert te zijn bevrijd van de eerder vastgestelde schuld op rekening-courant. De schuldenaar zal zowel de betaling, alsook het bestaan van de schuld en de gehoudenheid van de gefailleerde moeten aantonen. . 4.
  17. Concrete toepassing 4.6.
  18. Uit de laatst neergelegde jaarrekening over het boekjaar 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023 blijkt een post “overige vorderingen” ten belope van 122.073 EUR. Deze jaarrekening werd neergelegd op 28 februari 2024 door verweerder in zijn hoedanigheid van bestuurder (stuk 2 eiseres q.q.). In het verslag van de bestuurder over dit boekjaar 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023, gericht aan de aandeelhouders, wordt uitdrukkelijk vermeld dat “de lopende rekening van [POL] een schuld tegenover de vennootschap vertoont ten bedrage van 99.773,90 EUR (SCHULD TEGENOVER DE VENNOOTSCHAP!)” (stuk 3 eiseres q.q.). Dit verslag werd opgesteld door verweerder zelf en door hem ondertekend op 31 januari
  19. De bijlagen bij dit verslag, zoals onder meer de interne jaarrekening, werden ook getekend door verweerder. Uit de notulen van de algemene vergadering waarop de jaarrekening van het boekjaar 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023 werd goedgekeurd, blijkt dat verweerder in zijn hoedanigheid van enige aandeelhouder de jaarrekening, waarin wordt vermeld dat hij een schuld heeft van 99.773,90 EUR, heeft goedgekeurd. Tussenbesluit: De rechtbank acht aldus naar recht bewezen dat verweerder op 30 juni 2023 een schuld aan de vennootschap had ten bedrage van 99.773,90 EUR. 4.6.
  20. Op datum van het faillissement, 23 april 2024, blijkt de boekhouding te zijn bijgewerkt tot en met 31 december
  21. De boekhouder heeft aan eiseres q.q. meegedeeld dat het eerste kwartaal van 2024 nog diende te worden geboekt. Uit een door de boekhouder op 22 mei 2024 overgemaakte historiek van de rekeningen voor de periode 2 juli 2023 tot 31 december 2023 blijkt dat het saldo van de rekening‑courant van verweerder op 31 december 2023 nog steeds 105.899,09 EUR bedroeg (stukken 4 en 14 eiseres q.q.). De crediteringen van de rekening-courant tussen 30 juni 2023 en 31 december 2023 zijn hoofdzakelijk cashafhalingen en transfers naar eigen rekening met vermelding “lening”. Er zijn ook betalingen te kaderen in gokactiviteiten van verweerder. Verweerder betwist de boekingen op zijn rekening-courant in de periode 30 juni 2023 en 31 december 2023, zoals deze blijken uit de door eiseres q.q. voorgelegde historiek, niet. Deze boekhouding werd gevoerd onder het bestuur van verweerder. Tussenbesluit: De boekingen op de rekening courant in de periode 30 juni 2023 en 31 december 2023 die leiden tot een saldo van 105.899,09 EUR zijn correct 4.6.
  22. Verweerder stelt echter dat niet alle boekingen op datum van faillissement gebeurd waren. De boekhouding was “niet actueel” en diende nog te worden afgewerkt. De rekening-courant zoals die bleek uit de boekhouding diende nog te worden geactualiseerd in het voordeel van verweerder. De curator zou zich baseren op “achterhaalde cijfers”. Verweerder heeft op eigen kosten de boekhouder de boekhouding laten ‘afwerken’. Dit resulteert in een balans – afgedrukt op 29 mei 2025 – waaruit blijkt dat er geen rekening-courant schuld meer is, maar dat verweerder een tegoed op de vennootschap zou hebben ten bedrage van 31.240,96 EUR. Aangezien onder randnummer 4.6.
  23. reeds voor recht werd vastgesteld dat op 30 juni 2023 verweerder een schuld had van 99.773,90 EUR impliceert dit dat verweerder beweert dat hij in de periode 1 juli 2023 tot en met 23 april 2024 een bedrag van 131.014,86 EUR ter beschikking zou gesteld hebben van de vennootschap. 4.6.
  24. Samen met eiseres q.q. stelt de rechtbank vast dat verweerder geen enkel onderliggend stuk kan voorleggen waarop de transformatie van een schuld van 99.773,90 EUR naar een vordering van 31.240,96 EUR zou kunnen gesteund zijn. Er wordt door verweerder enkel een “eindbalans” voorgelegd, maar geen historieken om de opbouw of afbouw van de rekening-couranten te kunnen verifiëren. Verweerder bewijst niet welke concrete rechtshandelingen of betalingen zouden hebben geleid tot een aanzuivering, compensatie of verrekening van het debetsaldo en faalt in de op hem rustende bewijslast. Verweerder stelt hierover in conclusie “De daling van de rekening-courant is het logische gevolg van de definitieve verwerking van de laatste boekhoudkundige periode tot aan het faillissement. In de voorlopige balans van 31.12.2023 was er slechts sprake van "voorlopige lonen". De stijging van post 618000 (bezoldigingen) is de resultante van de effectieve boeking van de verschuldigde lonen en sociale lasten over de volledige periode tot 23 april 2024, cijfers die logischerwijs niet konden voorkomen in de jaarrekening die stopte op 30.06.2023.” In conclusie van verweerder wordt niet uitgelegd welke “bezoldigingen” aan wie zouden toegekend zijn. De rechtbank stelt wel vast dat in het boekjaar eindigend per 30 juni 2023 de algemene vergadering een bezoldiging van 28.500,00 EUR heeft goedgekeurd en dat in de door verweerder neergelegde “eindbalans” een bezoldiging wordt vermeld van 65.000,00 EUR. Wie daartoe heeft beslist, wordt niet meegedeeld. Op de vraag of verweerder deze vermeende toekenningen ook fiscaal heeft aangegeven in zijn fiscale aangifte inzake personenbelasting over het inkomstenjaar 2024, kon ter zitting niet geantwoord worden. Verweerder duidt verder niet op welke wijze de “boeking van de verschuldigde lonen en sociale lasten over de volledige periode tot 23 april 2024” een invloed heeft gehad op zijn reeds bestaande rekening courant-schuld. Uit niets blijkt dat verweerder correct ingeboekte lonen met eigen middelen zou betaald hebben. Tussenbesluit: verweerder bewijst geen enkele noodzaak tot enige afboeking van de vastgestelde schuld van 105.899,09 EUR. Verweerder is derhalve gehouden tot betaling van 105.899,09 EUR aan eiseres q.q. uit hoofde van een rekening-courant schuld. . 4.
  25. Eiseres q.q. stelt dat verweerder twee voertuigen van gefailleerde heeft verkocht en de opbrengst ervan zelf zou hebben geïnd zonder correcte doorstorting aan de vennootschap of corresponderende boeking in de boekhouding. Eiseres q.q. legt twee verkoopfacturen van voertuigen voor: de factuur van 20 februari 2023 betreffende de verkoop van een Renault Trafic (voor 12.100 EUR) (stuk 5 eiseres q.q.) en de factuur van 28 januari 2024 betreffende de verkoop van een Renault Kangoo (voor 8.000 EUR) (stuk 7 eiseres q.q.). Verweerder zou tegenover de curator verklaard hebben dat hij deze bedragen contant heeft ontvangen. In conclusie gaat verweerder niet in op dit punt van de vordering. De uiteenzetting over de voertuigen met betrekking tot de vermeende ‘afpersing’ door [KUR] heeft geen betrekking op de voertuigen Renault Trafic of Renault Kangoo. Tussenbesluit: Bij gebreke aan betwisting wordt de vordering tot betaling van 12.100 EUR en 8.000 EUR toegekend. 4.
  26. Verweerder is aldus gehouden tot betaling van 105.899,09 EUR, 12.100 EUR en 8.000 EUR aan eiseres q.q. Eiseres q.q. vordert slechts intresten vanaf 21 augustus 2024 (datum ingebrekestelling) aan de wettelijke rentevoet overeenkomstig de wet van 5 mei 1865 tot de dag van volledige betaling. Verweerder voert hieromtrent geen betwisting. . IV.B. Bestuurdersaansprakelijkheid . 4.
  27. Eiseres q.q. is van oordeel dat verweerder bestuursfouten heeft begaan en vordert hiervoor een schadevergoeding van 450.442,25 EUR. Eiseres q.q. steunt haar vordering inzake bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:56 WVV, artikel 3:10 WVV, de “statuten”, artikel XX.225 WER en artikel 1382 oud BW. Eiseres q.q. stelt: - dat verweerder een verlieslatende activiteit zou hebben verder gezet en laattijdig aangifte zou hebben gedaan van het faillissement; - dat verweerder de alarmbelprocedure niet tijdig zou hebben toegepast; - dat verweerder haar jaarrekeningen niet zou hebben neergelegd; - dat verweerder gelden aan de vennootschap zou hebben onttrokken voor privégebruik (stukken 1 t.e.m. 4 eiseres q.q.); - dat verweerder leningen in persoonlijke naam zou hebben afgesloten en deze vervolgens zou hebben terugbetaald met voertuigen van de vennootschap (stukken 10, 11 en 18 eiseres q.q.); - dat een voertuig van de vennootschap zou zijn verkocht onder gebruik van een vervalst chassisnummer (stukken 9 en 18 eiseres q.q.); - dat sinds het derde kwartaal van 2023 geen deugdelijke boekhouding meer zou zijn gevoerd, waardoor de onderneming volgens haar zonder enige financiële opvolging werd voortgezet. 4.
  28. Verweerder betwist de vordering en stelt hierover: “de curator gooit zomaar, slechts woordelijk, juridische argumenten in het midden zonder in concreto te duiden welke geviseerde rechtshandeling welke vooropgestelde rechtsregel zou hebben geschonden. […] Noch het NBW, noch het Gerechtelijk Wetboek bepalen dat curatoren als waren zij outlaws zouden mogen afwijken van deze bewijsregels”. 4.
  29. Verweerder stelt vooreerst dat een vordering op grond van artikel XX.225 niet toelaatbaar zou zijn om reden dat de curator niet zou bewijzen dat de gefailleerde niet zou voldoen aan de cumulatieve voorwaarden inzake de gemiddelde omzet en balanstotaal voorzien in paragraaf 2 van art. XX.225 WER. Eiseres q.q. repliceert hierop dat “verweerder zich geenszins [kan] steunen op de uitzonderingsgrond van artikel XX.225 § 2 WER om zijn aansprakelijkheid te ontlopen. Uit de feiten blijkt duidelijk dat het faillissement het gevolg is van zijn foutief handelen door de werkingsmiddelen van de vennootschap te hebben afgewend van het maatschappelijk doel en de financiële moeilijkheden die tot het faillissement hebben geleid, zodoende zelf heeft veroorzaakt.” De argumentatie van beide partijen is niet ter zake. Vooreerst is het verweerder als bestuurder van de gefailleerde – en niet de curator – die de bewijslast draagt voor het aantonen dat de drempels inzake omzet en balanstotaal al dan niet vervuld zijn (zie Cass. 2 december 2021, C.21.0016.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211202.1N.8). De rechtbank stelt vast dat verweerder in conclusie geen enkele cijferoefening weergeeft inzake gemiddelde omzet en balanstotaal. Het is niet aan de rechtbank dit ambtshalve te doen. Verder wordt de uitsluitingsgrond in §2 van artikel XX.225 WER niet bepaald door de oorzaken van “de financiële moeilijkheden die tot het faillissement hebben geleid”, zoals eiseres q.q. lijkt aan te nemen. De beoordeling van de drempels tot uitsluiting betreft een zuivere cijfermatige oefening op basis van de neergelegde jaarrekening die op regelmatige wijze tot stand kwam, besproken en goedgekeurd werd (zie Cass. 1 juni 2023, C.22.0468.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230601.1F.5). Ten overvloede stelt de rechtbank zelf vast dat het balanstotaal in de laatst neergelegde jaarrekening van het boekjaar eindigend op 30 juni 2023 alvast de drempels vermeld in §2 van artikel XX.225 WER overschrijdt. 4.
  30. Wat de gegrondheid van de vordering betreft, stelt de rechtbank vast dat de curator zich beperkt tot het opsommen van een veelheid aan mogelijke rechtsgronden, gevolgd door een loutere oplijsting van beweringen met verwijzing naar stukken. Van een eisende partij mag worden verwacht dat zij in haar conclusies op duidelijke en gestructureerde wijze uiteenzet welke concrete fouten worden verweten, om welke redenen deze als foutief moeten worden gekwalificeerd en — in functie van de ingeroepen rechtsgrond — aantoont welke schade hieruit zou zijn voortgevloeid. Het komt niet aan de rechtbank toe om deze elementen zelf af te leiden uit een omvangrijk stukkenbundel, noch om interpretaties te ontwikkelen die door de eisende partij zelf niet worden aangereikt. Dit geldt onverkort voor een curator. - Zo voert eiseres q.q. aan dat de jaarrekening niet werd neergelegd, zonder evenwel te preciseren op welke jaarrekening zij doelt. De rechtbank stelt nochtans vast dat eiseres q.q. zich in het kader van de rekening-courantvordering zelf beroept op neergelegde jaarrekeningen als bewijsstuk en de jaarrekening over het boekjaar 2024 op het ogenblik van de faillietverklaring nog niet diende te zijn neergelegd. - Voorts verwijst eiseres q.q. naar een vermeende niet-naleving van de alarmbelprocedure, zonder evenwel te specificeren voor welk boekjaar deze inbreuk wordt ingeroepen, noch op welke concrete stukken deze bewering is gestoeld. - Daarnaast stelt eiseres q.q. dat verweerder een verlieslatende activiteit zou hebben voortgezet en laattijdig aangifte van faillissement zou hebben gedaan, doch zij verduidelijkt niet op welke feitelijke gegevens zij zich baseert. Evenmin preciseert zij het tijdstip waarop volgens haar de activiteiten hadden moeten worden stopgezet en aangifte van staking van betaling had moeten gebeuren. Het behoort niet tot de taak van de rechtbank om zelf een proces-verbaal van verificatie — dat overigens geen enkele vervaldag vermeldt — te interpreteren om tot gevolgtrekking te komen. - Verder wordt verwezen naar leningen die door verweerder in persoonlijke naam zouden zijn aangegaan en zouden zijn terugbetaald door de overdracht van voertuigen. Deze bewering wordt evenwel niet nader toegelicht in de conclusies en blijft beperkt tot een verwijzing naar stukken zonder dat duidelijk wordt gemaakt wat uit die stukken zou moeten afgeleid worden. - Er wordt verwezen naar “een vervalst chassisnummer” zonder hierover duiding te geven of te kaderen in een relevant feitencomplex in relatie met vermeende collectieve schade. - Tenslotte voert eiseres q.q. aan dat sinds het derde kwartaal van 2023 geen deugdelijke boekhouding meer zou zijn gevoerd, zonder evenwel concreet aan te duiden waarop deze stelling is gebaseerd. Op grond van de voorliggende stukken kan de rechtbank hoogstens vaststellen dat de boekhouding voor het laatste kwartaal voorafgaand aan de faillietverklaring niet was afgewerkt. 4.
  31. Het is mogelijk dat verweerder fouten – en misschien zelfs kennelijk grove fouten heeft begaan – doch op basis van de conclusies van eiseres q.q. kan de rechtbank dat niet vaststellen. Partijen zijn ertoe gehouden in hun conclusies alle middelen voor te dragen die hun eis of verweer kunnen schragen (zie ook Cass. 3 januari 1980, Arr.Cass. 1979, 510). Het is niet aan de rechtbank om door middel van tussenvonnissen de vorderingen van eisende partijen vorm te geven. Een burgerlijk proces verloopt niet in verschillende fases. Tussenbesluit: de vordering inzake bestuurdersaansprakelijkheid is ongegrond. 4.
  32. Geheel ten overvloede stelt de rechtbank vast dat eiseres q.q. een schadevergoeding (450.442,25 EUR) vordert die zij begroot op het volledig ingediend passief bovenop de veroordeling tot de openstaande rekening-courant (125.999,09 EUR). Eiseres q.q geeft ook geen cijfermatig inzicht in het reeds gerealiseerd actief, wat nochtans nodig is om het netto-passief te kunnen vaststellen. Uit de conclusie van eiseres q.q. kan de rechtbank afleiden dat het onderscheid tussen ‘passief’ en ‘netto-passief’ niet steeds consequent wordt gemaakt. Wanneer een curator de aanzuivering van het netto-passief beoogt, moet hij rekening houden met het gerealiseerd actief én met vorderingen die hij op andere gronden stelt. 4.
  33. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger. W.). Verweerder is de in het ongelijk gestelde partij. Eiseres q.q. vordert de veroordeling tot de kosten van dagvaarding terwijl de zaak werd ingeleid bij verzoekschrift vrijwillige verschijning. . V. BESLISSING . De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van eiseres q.q. ontvankelijk en gegrond in de hiernavolgende mate: De rechtbank veroordeelt de heer [TOL] tot betaling aan eiseres q.q. de som van 125.999,09 EUR, te vermeerderen met de interesten aan de wettelijke rentevoet overeenkomstig de wet van 5 mei 1865 vanaf 21 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank veroordeelt de heer [TOL] tot de kosten van het geding, zijnde het rolrecht begroot op 165 EUR aan de Belgische Staat (FOD Financiën) die instaat voor de inning. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt de heer [TOL] verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, en de rechters in ondernemingszaken M. Reyniers en P. Van den Bossche en is op de openbare zitting van 31 maart 2026 uitgesproken door rechter, kamervoorzitter V. Verlaeckt in aanwezigheid van griffier A. Vriendt. A. Vriendt P. Van den Bossche M. Reyniers V. Verlaeckt Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211202.1N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230601.1F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.