id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260331.2 Rolnummer: Q/26/00005 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-04-01 Raadplegingen: 368 - laatst gezien 2026-06-18 06:34 Fiche krachtens artikel XX.50 WER kan tijdens de duur van de opschorting voor schuldvorderingen in de opschorting in beginsel geen enkel middel van tenuitvoerlegging op de roerende of onroerende goederen van de schuldenaar worden voortgezet of aangewend. Dit geldt ook voor beslag onder derden. Verzoekster moet aldus niet aan de rechtbank vragen “te zeggen voor recht dat de lopende derdenbeslagen […] tijdens de opschorting geen uitvoerend effect kunnen ressorteren”. Dit volgt uit de wet. Een uitvoerend beslag onder derden (bv. op banktegoeden of klanttegoeden) behoudt wel haar bewarend karakter tijdens de duur van opschorting in het kader van een procedure gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord. Het is dat bewarend karakter dat de schuldenaar kan laten neutraliseren door de handlichting van het beslag te vorderen met toepassing van artikel XX.51 §1, 2de lid WER. Echter, zulke “opheffing” heeft niet tot gevolg dat de gelden die de gerechtsdeurwaarder heeft geïnd vóór de opening van de gerechtelijke reorganisatie in uitvoering van het derdenbeslag - doch nog niet heeft verdeeld onder de schuldeisers - zou moeten worden ‘teruggegeven' aan de beslagen schuldenaar. Een opheffing van een bewarend beslag met toepassing van artikel XX.51, §1, 2de lid WER, is geen verzet tegen dat beslag. Door afgifte van de gelden door de derde beslagene in handen van de gerechtsdeurwaarder, is het beslag ‘voltooid'. De latere uitdeling is geen daad van uitvoering, doch slechts een afwikkeling van het neutrale vereffeningsbewind. Op het ogenblik van de afgifte van de gelden ontstaat de kleine samenloop en ontstaat er een neutraal bewind. Die kleine samenloop kan weliswaar opgeslorpt worden door een grote samenloop, doch een geopende gerechtelijke reorganisatie met het oog op een collectief akkoord doet zulke samenloop niet ontstaan. Een opheffing in de zin van artikel XX.51 WER van een derdenbeslag dat reeds werd ‘uitgevoerd' op een ogenblik dat hiertegen geen wettelijk beletsel was, heeft niet tot gevolg dat de uitvoering retroactief ongedaan wordt gemaakt. Dergelijk oordeel is niet onredelijk in het licht van de doelstelling van de procedure gerechtelijke reorganisatie. Een beslagen schuldenaar heeft een termijn van minstens 17 dagen vanaf de aanzegging van het derdenbeslag om verzet aan te tekenen tegen de afgifte van de gelden door de derde-beslagene in handen van de gerechtsdeurwaarder (artikel 1543 Ger.W.). Doet een beslagen schuldenaar geen verzet binnen de 17 dagen nadat het exploot van beslag hem werd aangezegd, kan aangenomen worden dat de schuldenaar deze gelden niet essentieel acht voor de continuïteit van de onderneming. Bovendien moet gewezen worden op de gevolgen van de collectiviteit van het beslag. De opheffing van één beslag heeft niet noodzakelijk gevolgen eens de gelden zijn afgegeven in handen van de gerechtsdeurwaarder (zie artikel 1390quinquies Ger.W.) UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: opheffing beslag gerechtelijke reorganisatie Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - xx.51 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - xx.50 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, 3de kamer heeft volgend vonnis verleend: . BV [TENT] hierna "de verzoekende partij" genoemd, met als raadsman […] . TEGEN [RSZ] hierna "de beslaglegger" genoemd, waarvoor ter zitting niemand verschijnt, . De bij wet voorgeschreven procedurestukken werden ingediend met in acht name van de vereiste pleegvormen. Werden gehoord op de zitting van 24 maart 2026 : • de verzoekende partij, vertegenwoordigd door haar bestuurder mevrouw [….] en bijgestaan door meester […] • de gedelegeerd rechter, de heer Edwin Meysmans, die gehoord wordt in zijn verslag. De debatten werden gesloten en de zaak werd vervolgens in beraad genomen. Er wordt vastgesteld dat de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd. . I. DE VORDERING . 1.
- De verzoekende partij is bij vonnis van 17 maart 2026 toegelaten tot een gerechtelijke reorganisatieprocedure. Middels een bijkomende verzoekschrift vordert zij: - “Te zeggen voor recht dat de lopende derdenbeslagen van de RSZ onder de wettelijke opschorting vallen overeenkomstig artikel XX.51 WER, en tijdens de opschorting geen uitvoerend effect kunnen ressorteren. - De opheffing te bevelen van alle lopende derdenbeslagen gelegd op initiatief van de RSZ, na verslag van de gedelegeerd rechter en na de RSZ als beslaglegger te horen, overeenkomstig artikel XX.51, §1 WER. - Te bepalen dat de RSZ tot aan de beslissing over de handlichting geen verdere uitvoeringsmaatregelen mag nemen of voortzetten. - Te bepalen dat de kosten verbonden aan de beslaglegging en de opheffing ervan ten laste worden gelegd van de RSZ als beslaglegger. “ . 1.
- Concreet viseert verzoekende partij de uitvoerende derdenbeslagen op initiatief van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overeenkomstig artikel XX. 51 WER gelegd bij volgende derde-beslagenen: • NV [GV] • NV [MSC] • BV [NIM] • BV [DELTA] • CommV [LAY] • BV [KEY] . II. DE BEOORDELING . 2.
- Voor aanvang van de procedure gerechtelijke reorganisatie is schuldeiser RSZ op basis van een uitvoerbare titel overgegaan tot uitvoerend derdenbeslag. Meer bepaald werd derdenbeslag gelegd bij zes klanten van verzoekster. Deze klanten hebben de bedragen voor verschuldigde facturen ingehouden en vervolgens deze sommen afgegeven in handen van de uitvoerende gerechtsdeurwaarder. Er zou volgens verklaring van verzoekster al meer dan 150.000,00 EUR zijn geïnd door de uitvoerende gerechtsdeurwaarder vóór de neerlegging van het verzoekschrift tot opening van de gerechtelijke reorganisatie. Verzoekster legt uit dat zij niet kan functioneren indien voortaan de betaling van alle verkoopfacturen zou worden ingehouden. Verzoekster legt ook uit dat naar haar inzichten, de RSZ ingrijpende herberekeningen van de schuld en rechtzettingen zal moeten uitvoeren gelet op de tussengekomen A1-formulieren waarover een geschil lopende was. . 2.
- Er werd opschorting verleend tot 30 juni
- De stemming is voorzien op 16 juni
- De rechtbank neemt aan dat een gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord geen kans van slagen heeft wanneer door een derdenbeslag bij alle klanten van de schuldenaar elke liquiditeit geblokkeerd blijft. De rechtbank kan op basis van de gegevens op heden door de rechtbank gekend, niet vaststellen dat in casu de procedure tot gerechtelijke reorganisatie door verzoekster van haar doel wordt afgewend en enkel wordt ingesteld om lopende uitvoeringen te frustreren. De RSZ werd als beslaglegger opgeroepen, doch is niet aanwezig, noch vertegenwoordigd. De gevraagde handlichting kan worden verleend. . 2.
- Gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de soms tegenstrijdige standpunten die verzoekster ter zitting heeft ingenomen – en teneinde misverstanden en interpretatieproblemen met betrekking tot het te wijzen vonnis te voorkomen – acht de rechtbank het aangewezen om de volgende verduidelijking te verstrekken: . 2.3.
- Op enkele uitzonderingen na die in casu niet relevant zijn, kan krachtens artikel XX.50 WER tijdens de duur van de opschorting voor schuldvorderingen in de opschorting in beginsel geen enkel middel van tenuitvoerlegging op de roerende of onroerende goederen van de schuldenaar worden voortgezet of aangewend. Dit geldt ook voor beslag onder derden. Verzoekster moet aldus niet aan de rechtbank vragen “te zeggen voor recht dat de lopende derdenbeslagen […] tijdens de opschorting geen uitvoerend effect kunnen ressorteren”. Dit volgt uit de wet. 2.3.
- Een uitvoerend beslag onder derden (bv. op banktegoeden of klanttegoeden) behoudt wel haar bewarend karakter tijdens de duur van opschorting in het kader van een procedure gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord. Het is dat bewarend karakter dat de schuldenaar kan laten neutraliseren door de handlichting van het beslag te vorderen met toepassing van artikel XX.51 §1, 2de lid WER. Echter, zulke “opheffing” heeft niet tot gevolg dat de gelden die de gerechtsdeurwaarder heeft geïnd vóór de opening van de gerechtelijke reorganisatie in uitvoering van het derdenbeslag - doch nog niet heeft verdeeld onder de schuldeisers - zou moeten worden ‘teruggegeven’ aan de beslagen schuldenaar. Een opheffing van een bewarend beslag met toepassing van artikel 51, §1, 2de lid WER, is geen verzet tegen dat beslag. 2.3.
- Door afgifte van de gelden door de derde beslagene in handen van de gerechtsdeurwaarder, is het beslag ‘voltooid’. De latere uitdeling is geen daad van uitvoering, doch slechts een afwikkeling van het neutrale vereffeningsbewind. Op het ogenblik van de afgifte van de gelden ontstaat de kleine samenloop en ontstaat er een neutraal bewind. Die kleine samenloop kan weliswaar opgeslorpt worden door een grote samenloop, doch een geopende gerechtelijke reorganisatie met het oog op een collectief akkoord doet zulke samenloop niet ontstaan. Een opheffing in de zin van artikel XX.51 WER van een derdenbeslag dat reeds werd ‘uitgevoerd’ op een ogenblik dat hiertegen geen wettelijk beletsel was, heeft niet tot gevolg dat de uitvoering retroactief ongedaan wordt gemaakt. 2.3.
- Dergelijk oordeel is niet onredelijk in het licht van de doelstelling van de procedure gerechtelijke reorganisatie. Een beslagen schuldenaar heeft een termijn van minstens 17 dagen vanaf de aanzegging van het derdenbeslag om verzet aan te tekenen tegen de afgifte van de gelden door de derde-beslagene in handen van de gerechtsdeurwaarder (artikel 1543 Ger.W.). Doet een beslagen schuldenaar geen verzet binnen de 17 dagen nadat het exploot van beslag hem werd aangezegd, kan aangenomen worden dat de schuldenaar deze gelden niet essentieel acht voor de continuïteit van de onderneming. Bovendien moet gewezen worden op de gevolgen van de collectiviteit van het beslag. De opheffing van één beslag heeft niet noodzakelijk gevolgen eens de gelden zijn afgegeven in handen van de gerechtsdeurwaarder (zie artikel 1390quinquies Ger.W.) . 2.
- Uit dit alles volgt dat uit de opheffing van de beslagen zoals hieronder zal worden bevolen, niet kan afgeleid worden dat op basis van dit vonnis verzoekster de door gerechtsdeurwaarder Kristian Sanders geïnde bedragen vóór de neerlegging van het verzoekschrift tot opening van de gerechtelijke reorganisatie kan doen afgeven. 2.
- De rechtbank ziet geen redenen om de kosten tot beslag en opheffing ervan ten laste te leggen van de RSZ. . III. DE BESLISSING . De rechtbank, uitspraak doende op tegenspraak, Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond, Beveelt de handlichting van het beslag onder derden gelegd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in handen van : NV [GV], NV [MSC], BV [NIM] , BV [DELTA] , CommV [LAY] , BV [KEY]… […]… Wijst het meer of anders gevorderde af. . Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, derde kamer, samengesteld uit rechter, kamervoorzitter, V. Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken M. Reyniers en T. Moreels en is op de openbare zitting van 31 maart 2026 uitgesproken door rechter, kamervoorzitter V. Verlaeckt in aanwezigheid van Z. Foré, griffier bij beschikking hoofdgriffier N. Pettens dd. 24/02/
- Z. Foré T. Moreels M. Reyniers V. Verlaeckt Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div