← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260414.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 14 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260414.2 Rolnummer: O/25/00400 Rechtsgebied: Insolventierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-04-16 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-06-18 06:41 Fiche 1 Onbetaald ereloon van de vereffeningsdeskundige in kader van een procedure overdracht over gerechtelijk gezag kan niet kwalificeren als boedelschuld in het navolgend faillissement met toepassing van artikel XX.58 WER. Een vereffeningsdeskundige handelt op grond van een vonnis waarin deze wordt belast met een gerechtelijk mandaat en niet op basis van een overeenkomst met de schuldenaar; hij is geen medecontractant en levert geen “zuiver contractuele prestaties”. Dat de schuldenaar gehouden is tot betaling van het ereloon en kosten van de vereffeningsdeskundige doet daaraan geen afbreuk. Ook die verplichting volgt uit de wet en uit het vonnis. Het vertrouwen van de vereffeningsdeskundige in de schuldenaar moet niet gewaarborgd worden. Een vereffeningsdeskundige moet niet aangemoedigd worden om handelsbetrekkingen met de schuldenaar aan te knopen. Waar het wegvallen van essentiële concrete leveranciers wel een wezenlijke impact kan hebben op de continuïteit van de schuldenaar, geldt dit niet voor de identiteit van de aangestelde vereffeningsdeskundige. Vereffeningsdeskundigen zijn inwisselbaar, kritieke leveranciers vaak niet. Een vereffeningsdeskundige zoekt kandidaat kopers en draagt activa over. Hij heeft geen wezenlijke invloed op de continuïteit en heeft op het vlak van bestuur geen enkele bevoegdheid. De vereffeningsdeskundige heeft geen zwakkere positie. Hij beschikt net over meer interne financiële informatie van de schuldenaar, dan de leveranciers. De vereffeningsdeskundige zal een betere inschatting kunnen maken omtrent de slaagkansen van de overdracht onder gerechtelijk gezag. Hij heeft de mogelijkheid om voortijdig een einde aan de procedure te laten maken. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: over de kwalificatie (niet) boedelschuld XX.58: ereloon vereffeningsdeskundige bij niet gelukte overdracht Wettelijke bepalingen: Wetboek 28 februari 2013 van economisch recht - 28-02-2013 - XX.58 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Het kan niet de bedoeling zijn dat een vereffeningsdeskundige er belang bij heeft om de navolgende opdracht als curator te weigeren met de redenering dat hij exact hetzelfde ereloon zal krijgen zonder dat hij de taken als curator nog ‘kosteloos' moet vervullen in de volledige afhandeling van de lege schelp. Ook kan het niet de bedoeling zijn dat een vereffeningsdeskundige er belang bij heeft om net géén overdracht van (alle) activa te bewerkstelligen zodat hij later als curator geen ‘aanrekening' op ereloon moet ondergaan. Er dient steeds te worden gewaarborgd dat de boedel niet onevenredig wordt uitgehold door kosten en erelonen die geen aantoonbare meerwaarde genereren. De vereffeningsdeskundige mag geen persoonlijk belang hebben bij het onnodig verlengen van gerechtelijke reorganisatieprocedures. Onder meer om die reden wordt van een vereffeningsdeskundige verwacht dat hij zelf de voortijdige beëindiging van de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag vraagt wanneer de schuldenaar kennelijk zelf niet meer in staat is de continuïteit van het geheel of een gedeelte van zijn activa of van zijn activiteiten te verzekeren overeenkomstig het doel van de procedure of wanneer de schorsing niet langer de onderhandelingen over het reorganisatieplan ondersteunt. Die beslissing dient door de vereffeningsdeskundige te worden genomen onafhankelijk van enige overweging met betrekking tot het eigen ereloon. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Fiche 3 De wetgever heeft in boek XX WER voor bepaalde gerechtelijke mandaten uitdrukkelijk voorzien dat zij kunnen genieten van het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1° van de Hypotheekwet van 16 december 1851 bij een navolgende samenloop.Voor de vereffeningsdeskundige in het kader van de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag zijn zulke uitdrukkelijke bepalingen evenwel niet voorzien.. Ook zonder uitdrukkelijke bepaling in boek XX WER moet de rechtbank nagaan of de erelonen en kosten van een vereffeningsdeskundige kunnen gevat worden door de artikelen 17 en 19,1° Hyp.W. Wel kan minstens worden vastgesteld dat de wetgever zich er voor de overige gerechtelijke mandaten van bewust was dat een uitdrukkelijke bepaling inzake het voorrecht van de gerechtskosten in Boek XX WER aanwezen was, aangezien de gemeenrechtelijke leer inzake het voorrecht van de gerechtskosten voor die mandaten mogelijk ontoereikend zou zijn. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Algemeen (insolventie) Vrije woorden: voorrecht gerechtskosten ereloon vereffeningsdeskundige Fiche 4 Het voorrecht van de gerechtskosten kan in beginsel alleen ingeroepen worden tegenover de personen die baat hebben gehad bij de gemaakte kosten, en geldt in beginsel enkel t.a.v. de goederen die dankzij de gerechtelijke procedure (waarvoor de kosten gemaakt werden) behouden bleven of te gelde gemaakt konden worden. Het ‘nutscriterium' vereist klassiek een objectief en effectief nut. Kosten die prima facie in het gemeenschappelijk belang zijn, kunnen bij nader inzien nutteloos blijken. In casu werd geen overdracht gerealiseerd door de vereffeningsdeskundige. De vraag rijst of de klassieke invulling van dit ‘nutscriterium' ook geldt in het vraagstuk omtrent het ereloon van een vereffeningsdeskundige en of dit ‘nut' in concreto moet afgetoetst worden tegenover de failliete boedel. De rechtbank heropent de debatten om partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Voorrechten Vrije woorden: Over het voorrecht van de gerechtskosten in relatie met onbetaald ereloon van devereffeningsdeskundige bij overdracht gerechtelijk gezag Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek III - Titel XVIII: Voorrechten en hypotheken. - Hypotheekwet - 16-12-1851 - 17 Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer heeft volgend vonnis verleend: .

  1. Mr. [X] handelend in zijn hoedanigheid van vereffeningsdeskundige van [BV HAL]
  2. BV [X] ADVOCATEN Eisende partijen Beiden hebbende als raadsman mr. […] . En . [Y] q.q., advocaat […], handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement [BV HAL] De curator . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . Het geding werd ingeleid met de dagvaarding aan de curator betekend op 17 maart
  3. Bij beschikking van 1 april 2025 heeft de rechtbank, in overeenstemming met artikel 747, §1 Ger.W., de conclusietermijnen tussen partijen afgesproken bekrachtigd en heeft zij de rechtsdag bepaald. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 20 januari 2026 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL . 2.
  4. Eerste eisende partij is advocaat en oefent zijn werkzaamheden uit in een vennootschap, zijnde tweede eisende partij. Eerste eisende partij werd bij vonnis van 16 januari 2024 van deze rechtbank, samen met mr. [Y] aangesteld als vereffeningsdeskundige over de [BV HAL] in het kader van een procedure overdracht onder gerechtelijk gezag met toepassing van artikel XX.84 WER en volgende. Er werd geen overdracht bewerkstelligd. Bij vonnis van 15 april 2024 werd met toepassing van artikel XX.62 WER voortijdig een einde gesteld aan de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag en werd het faillissement van [BV HAL] uitgesproken. Eerste eisende partij werd samen met mr. [Y] aangesteld als curator van de [BV HAL]. Mr. [Y] heeft het gerechtelijk mandaat van curator aanvaard. Eerste eisende partij daarentegen heeft de opdracht van curator geweigerd onder meer omdat naar zijn inzichten er “een inherente onverenigbaarheid [bestaat] tussen het mandaat als vereffeningsdeskundige en het navolgend mandaat als curator in de mate dat er nog niet werd gerealiseerd hangende de procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag”. 2.
  5. Op 7 mei 2024 verzocht eerste eisende partij bij verzoekschrift gericht aan de rechtbank om zijn staat van ereloon en kosten als vereffeningsdeskundige te begroten. Bij vonnis van deze rechtbank van 4 juni 2024 werd de staat van ereloon en kosten voor de prestaties als vereffeningsdeskundige begroot op 18.502,92 EUR inclusief BTW. Mr. [Y], die fungeert als enige curator van de [BV HAL], laat geen staat van ereloon en kosten voor zijn prestaties als vereffeningsdeskundige begroten. 2.
  6. Op 14 juni 2024 deed eerste eisende partij aangifte van schuldvordering ten belope van 18.508,92 EUR in het bevoorrecht passief in het faillissement [BV HAL]. In de aangifte verwees eerste eisende partij naar artikel XX.58 WER (boedelschuld), artikel 17 Hyp.W. (voorrecht van de gerechtskosten) en artikel 20, 4° Hyp.W. (voorrecht van de kosten tot behoud van de zaak). De aangifte van schuldvordering werd betwist door de curator. 2.
  7. Er ontstaat een geschil tussen partijen. Eisers zijn in hoofdorde van oordeel dat de onbetaalde staat van ereloon en kosten verschuldigd voor de taken uitgeoefend als vereffeningsdeskundige in de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag moet beschouwd worden als een ‘boedelschuld’ in het navolgend faillissement. Eisers zijn verder van oordeel dat deze vermeende boedelschuld, vermeerderd met intresten, onmiddellijk door de curator moet worden betaald en dat eisers niet moeten wachten tot het faillissement gesloten wordt. De curator wordt meermaals in gebreke gesteld om voormelde 18.508,92 EUR onmiddellijk te betalen, doch de curator weigert. Op 17 maart 2025 zijn eisers overgegaan tot dagvaarding van de curator. . III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN . 3.
  8. Eisers vorderen in hun laatste conclusie: . “- In hoofdorde te zeggen voor recht dat de vordering van concluanten als een boedelschuld moet worden aanvaard en derhalve verweerder q.q. te veroordelen om tot betaling over te gaan aan concluanten, hetzij aan één dezer met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend zal zijn ten overstaan van de andere van het bedrag € 18.508,92 in hoofdsom, te vermeerderen met de intresten sedert 04/06/2024 tot 17/03/2025 aan de intrestvoet op grond van de wet betalingsachterstand handelstransacties 02/08/2002 en de gerechtelijke intresten sedert 18/03/2025 tot de datum van betaling - Indien vereist voorafgaandelijk navolgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof : “Is er een schending van het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artt. 10 en 11 GW aangezien krachtens art. XX.58 WER de schuldvordering van een medecontractant ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie of overdracht onder gerechtelijk gezag in een navolgende vereffening of faillissement wel als een boedelschuld wordt erkend en de vordering van een vereffeningsdeskundige aangesteld in voormelde procedure niet, nu deze ongelijke behandeling niet kan verantwoord worden op een objectief en redelijk criterium aangezien beide schuldvorderingen ontstaan naar aanleiding van prestaties die kaderen in hetzelfde doel dat de wetgever met de wettelijke norm voor ogen heeft, nl. de mogelijkheid tot continuïteit van de onderneming of een deel ervan alle kansen te bieden”. - In ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat de bovenvermelde vordering van concluanten alleszins bevoorrecht is op grond van art. 17 Hyp. W. en art. 20,4° Hyp.W. - Verweerder te veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure aan de zijde van concluanten voorlopig begroot op € 438,87 (kosten dagvaarding) en € 3.139,53 (rechtsplegingsvergoeding) - Tevens te zeggen voor recht dat verweerder eveneens gehouden is de kosten van het rolrecht te betalen - Het te vellen vonnis uitvoerbaar te verklaren zonder zekerheidsstelling of vermogen tot kantonnement” . 3.
  9. De curator vordert in zijn laatste conclusie: . “De vordering van eisers af te wijzen als ongegrond, zowel in zijn geheel als in al zijn onderdelen. Kosten ten laste van eisers.” . IV. DE BEOORDELING . 4.
  10. De ontvankelijkheid wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. . IV. A. KWALIFICATIE ALS BOEDELSCHULD . 4.
  11. De eerste vraag stelt zich of het ereloon van een vereffeningsdeskundige aangesteld op grond van artikel XX.85 WER in het kader van een procedure overdracht onder gerechtelijk gezag een ‘boedelschuld’ uitmaakt in het navolgend faillissement. . 4.
  12. Dat eisers een aangifte van schuldvordering hebben ingediend, kan vooreerst niet beschouwd worden als een afstand van de ingeroepen kwalificatie ‘boedelkost’, noch leidt de desgevallende aanvaarding van de aangifte tot het onherroepelijk verlies van het recht om vóór elke uitdeling te worden uitbetaald (Cass. 5 maart 2010, Arr.Cass. 2010, afl. 3, 656) . 4.
  13. Om tot kwalificatie als boedelschuld te komen, verwijzen eisers naar artikel XX.58 WER en de rechtspraak en rechtsleer in dat kader. Overeenkomstig artikel XX.58 WER worden schuldvorderingen, in de mate dat deze ten aanzien van de schuldenaar beantwoorden aan prestaties uitgevoerd tijdens de procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag door zijn medecontractant, en ongeacht of zij voortvloeien uit nieuwe verbintenissen van de schuldenaar of uit overeenkomsten die lopen op het ogenblik van het openen van de procedure, beschouwd als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement, voor zover er een nauwe band bestaat tussen de beëindiging van de procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag en het faillissement. . 4.
  14. De rechtbank is van oordeel dat artikel XX.58 WER niet kan toegepast worden voor het onbetaald ereloon van een vereffeningsdeskundige. Dit blijkt uit een gezamenlijke lezing van de onderstaande overwegingen, uiteengezet in randnummers 4.5.1 tot en met 4.5.9.: 4.5.
  15. Artikel XX.58 WER vervangt artikel 37 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen. Over deze bepaling stelde de wetgever dat deze tot doel had de continuïteit van de onderneming te bevorderen door het vertrouwen van de contractanten van de schuldenaar te waarborgen, teneinde te vermijden dat zij contante betaling van hun schuldvorderingen zouden eisen (Parl.St. Kamer 2007-08, nr. 160/001, 22-23; Parl.St. Kamer 2007-08, 160/002, 63; Parl.St. Kamer 2008-09, 160/5, 148). Volgens het Hof van Cassatie strekte voormeld artikel 37 ertoe “het in stand houden van bestaande en het aangaan van nieuwe contractuele verhoudingen aan te moedigen en het krediet van de schuldenaar te versterken ten einde de continuïteit van de onderneming veilig te stellen” (Cass. 22 februari 2018, RW 2018-19, 899) Deze bepaling kan leiden tot moeilijk te controleren misbruiken inzake ‘over-facturatie’ of ‘compensatie-facturatie’. Bovendien kan het zijn dat, gelet op de voorwaarde dat “er een nauwe band” moet bestaan tussen de beëindiging van de procedure gerechtelijke reorganisatie en het navolgend faillissement, bepaalde contractanten net belang hebben bij een snel faillissement eerder dan bij een (tijdelijke) redding. Onder de Wet betreffende het gerechtelijk akkoord van 17 juli 1997 (BS 28 oktober 1997) konden boedelschulden enkel naar de volgende collectieve procedure worden doorgeschoven voor handelingen door de schuldenaar verricht ”met medewerking, machtiging of bijstand'' van de commissaris inzake opschorting (art. 44 WGA). Onder boek XX WER is geen akkoord of machtiging meer nodig. 4.5.
  16. De door artikel XX.58 WER gecreëerde fictieve of synthetische boedelschulden betreffen een uitzondering op de klassieke invulling van het begrip boedelschuld bij faillissement. Deze gelijkgeschakelde boedelschulden situeren zich immers vóór het ontstaan van de boedel waarvan zij de kosten zouden zijn. Boedelschulden zijn in het faillissement niet aan de samenloop onderworpen en worden bij voorrang boven de andere schulden voldaan (XX.192 WER). Aangezien boedelschulden afbreuk doen aan de gelijkheid tussen schuldeisers dienen zij beperkend te worden geïnterpreteerd (Cass. 22 februari 2018, RW 2018-19, 899). Dit geldt des te meer voor uitzonderingen op de uitzonderingen. 4.5.
  17. Bij de invoering van boek XX WER heeft de wetgever over het toepassingsgebied van XX.58 WER duidelijk gesteld dat “alleen de zuiver contractuele prestaties [zijn] die van een bijzonder statuut zullen genieten bij een navolgende samenloop” (Parl.St. Kamer 2016-17, 2407/001, 69-70). De bijkomende uitzondering (of ‘verduidelijking’) voor de fiscale of sociaalrechtelijke heffingenschulden die later bij amendement 132 werd ingevoerd, is strikt afgelijnd (Parl.St. Kamer 2016-17; 2407/006, 65, zie hierover ook Cass. 17 september 2020). Deze latere toevoeging doet evenwel geen afbreuk aan het initiële uitgangspunt, namelijk dat alleen de zuiver contractuele prestaties een bijzonder statuut zullen genieten bij een navolgende samenloop. Een vereffeningsdeskundige aangesteld met toepassing van artikel XX.85 WER handelt op grond van een vonnis waarin deze wordt belast met een gerechtelijk mandaat en niet op basis van een overeenkomst met de schuldenaar. Een vereffeningsdeskundige is geen medecontractant en levert geen “zuiver contractuele prestaties”. Dat de schuldenaar gehouden is tot betaling van het ereloon en kosten van de vereffeningsdeskundige doet daaraan geen afbreuk. Ook die verplichting volgt uit de wet en uit het vonnis. Het vertrouwen van de gerechtsmandataris in de schuldenaar moet niet gewaarborgd worden. Een gerechtsmandataris moet niet aangemoedigd worden om handelsbetrekkingen met de schuldenaar aan te knopen (vgl. GwH 27 april 2017, nr. 47/2017, B.10). 4.5.
  18. Aanvaarden dat het ereloon van een vereffeningsdeskundige in het kader van een overdracht onder gerechtelijk gezag, “boedelschulden” zijn in het navolgend faillissement, zou net een nieuwe, niet te verantwoorden ongelijkheid creëren ten aanzien van de herstructureringsdeskundige inzake bemiddeling (XX.29/2 WER), de herstructureringsdeskundige bij onbestuurbaarheid of kennelijk tekortkomingen (XX.30 WER), de voorlopige bewindvoerder (XX.32 WER), de herstructureringsdeskundige bij besloten reorganisatie (XX.83/28 WER) en de beoogd curator (XX.97/6 WER). Aan voormelde functionarissen werd op basis van een expliciete wettelijke bepaling het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1° van de Hypotheekwet toegekend voor hun onbetaald ereloon in de navolgende samenloop (zie verder). 4.5.
  19. Indien een door de rechtbank aangestelde gerechtsmandataris het risico op een niet-onmiddellijke of niet-integrale betaling van zijn staat van ereloon en kosten niet wenst te dragen, staat het hem steeds vrij de opdracht te weigeren. De continuïteit van de schuldenaar komt hierdoor niet in het gedrang, aangezien de weigering door een welbepaalde gerechtsmandataris er enkel toe zal leiden dat een andere mandataris wordt aangesteld. De slaagkansen van een reorganisatie of van een overdracht worden daardoor niet verminderd. Waar het wegvallen van essentiële concrete leveranciers wel een wezenlijke impact kan hebben op de continuïteit van de schuldenaar, geldt dit niet voor de identiteit van de aangestelde vereffeningsdeskundige. Gerechtsmandatarissen zijn inwisselbaar, kritieke leveranciers vaak niet. Beide behoren niet tot dezelfde categorie van onbetaalde schuldeisers. In tegenstelling tot wat eisers voorhouden heeft de aanstelling van een vereffeningsdeskundige op grond van XX.85 WER niet “tot doel de continuïteit van de onderneming alle kansen te bieden”. De vereffeningsdeskundige wordt gelast met het organiseren en realiseren van de overdracht in naam en voor rekening van de schuldenaar. Hij zoekt kandidaat kopers en draagt activa over. Hij heeft geen wezenlijke invloed op de continuïteit en heeft op het vlak van bestuur geen enkele bevoegdheid. 4.5.
  20. Niet elke onbetaalde schuld ontstaan tijdens een procedure overdracht onder gerechtelijk gezag, moet noodzakelijk gekwalificeerd worden als een boedelschuld. Een wetgever kan differentiëren in de behandeling van onbetaalde schuldeisers om tegemoet te komen aan de bezorgdheid dat de toekomstige boedel tijdens de periode van gerechtelijke reorganisatie niet volledig wordt uitgeput nog vóór die boedel ontstaat. Er rust bovendien op de vereffeningsdeskundige de verantwoordelijkheid om erop toe te zien dat een procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag niet onnodig wordt verlengd wanneer er geen reële slaagkansen meer bestaan. Van een vereffeningsdeskundige wordt verwacht dat hij zelf de voortijdige beëindiging van de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag vraagt wanneer de schuldenaar kennelijk zelf niet meer in staat is de continuïteit van het geheel of een gedeelte van zijn activa of van zijn activiteiten te verzekeren overeenkomstig het doel van de procedure of wanneer de schorsing niet langer de onderhandelingen over het reorganisatieplan ondersteunt (XX.62, §2 WER). Enkel op grond van die verantwoordelijkheid kan worden gewaarborgd dat de gevolgen van artikel XX.58 WER zich uitsluitend op een doelmatige wijze laten gelden. 4.5.
  21. De vergelijking met, en de verwijzing naar, de gemaakte uitzondering voor fiscale of sociaalrechtelijke heffingenschulden is niet dienstig. Voor deze uitzondering – los van de vraag of dit wel een uitzondering is – werd uitdrukkelijk gekozen door de wetgever om zo de zwakkere positie van de Staat te compenseren tegenover de andere schuldeisers, die voor zichzelf contractuele waarborgen kunnen regelen, zich kunnen beroepen op de exceptie van niet-uitvoering of kunnen proberen vrijwillige betalingen te verkrijgen (vergelijk GwH 10 november 2022, nr. 142/2022, overweging B.9). De vereffeningsdeskundige heeft geen zwakkere positie. De vereffeningsdeskundige beschikt net over meer interne financiële informatie van de schuldenaar, dan de schuldeisers. De vereffeningsdeskundige zal in regel een betere inschatting kunnen maken omtrent de slaagkansen van de overdracht onder gerechtelijk gezag. Hij heeft de mogelijkheid om voortijdig een einde aan de procedure te laten maken (artikel XX.62, § 2 WER). 4.5.
  22. Overeenkomstig artikel 13 van het K.B. van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen, kan de vereffeningsdeskundige tijdens zijn gerechtelijke opdracht aan de ondernemingsrechtbank een voorschot ten belope van 75% van zijn ereloon vragen. 4.5.
  23. Dat de wetgever de boedel in een navolgende samenloop niet wou belasten met kosten van een voorafgaand gerechtelijk mandaat blijkt onder meer uit het feit dat de wetgever bij de invoering van boek XX WER het eerdere voorschrift uit artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 dat met betrekking tot het ereloon van een voorlopig bewindvoerder stelde “in geval van faillissement van de schuldenaar zijn de kosten schulden van de boedel” , heeft vervangen door “bij een navolgende samenloop van schuldeisers geniet de vordering van de voorlopige bewindvoerder het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1°, van de hypotheekwet van 16 december 1851” (zie artikel XX.32, §6 WER). . 4.
  24. Eisers stellen nog in conclusie dat de betaling van boedelkosten “onmiddellijk” dient te geschieden. Geheel terzijde wijst de rechtbank erop dat een boedelschuldeiser in de zin van artikel XX.58 WER weliswaar betaling kan vorderen van de curator staande de faillissementsvereffening, doch van een curator kan in alle redelijkheid geen betaling verwacht worden zo lang niet ontegensprekelijk duidelijk is dat werd voldaan aan de voorwaarden gesteld in alinea 5 van artikel XX.58 WER. Bovendien kan de boedel op zich deficitair zijn wat gevolgen kan hebben. . 4.
  25. Eisers vorderen dat indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat artikel XX.58 WER niet kan worden toegepast, dat de rechtbank een specifieke prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof zou stellen met betrekking tot artikel XX.58 WER. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door eisers in hun conclusies voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. De rechtbank is immers van oordeel dat, gelet op het voorgaande uiteengezet in de randnummers 4.5.1 tot en met 4.5.9, artikel XX.58 WER de Grondwet kennelijk niet schendt in de interpretatie dat het ereloon van de vereffeningsdeskundige niet onder het toepassingsgebied van die bepaling kan worden gebracht (cfr. artikel 26, § 2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). . IV.B. WAT BETREFT HET VOORRECHT VAN DE GERECHTSKOSTEN . 4.
  26. Eiseres stellen in hun aangifte van schuldvordering “de schuldvordering is bevoorrecht op grond van (i) artikel XX.58 WER, (ii) artikel 17 Hyp.W. (gerechtskosten) en (iii) artikel 20,4° Hyp.W. (voorrecht behoud zaak).” In conclusie stellen eisers dat voor zover hun schuldvordering niet als een boedelschuld zou worden aanvaard “het duidelijk [is] dat de vordering van concluanten in elk geval bevoorrecht is op grond van de artt. 17 en 20,4° Hyp.W.”. De curator betwist de aangifte van schuldvordering zowel cijfermatig alsook ten gronde. De rechtbank stelt vast dat partijen in conclusie focussen op het vraagstuk omtrent de kwalificatie als boedelschuld en dat partijen niet concluderen over de toepassingsvoorwaarden van het voorrecht van de gerechtskosten of van het voorrecht voor kosten tot behoud van de zaak. . 4.
  27. De vraag stelt zich of het onbetaald ereloon van een vereffeningsdeskundige aangesteld op grond van artikel XX.85 WER in het kader van een procedure overdracht onder gerechtelijk gezag, in het navolgend faillissement wordt gevat door het voorrecht van de gerechtskosten bedoeld in de artikelen 17 Hyp. W. in de gevallen waarin geen overdracht heeft plaatsgevonden. Wanneer een overdracht plaatsvindt tijdens de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag zullen zich in de praktijk weinig problemen stellen: ofwel volgt er geen faillissement en kunnen de kosten van de vereffeningsdeskundige betaald worden, ofwel volgt wel een faillissement en heeft de wet voorzien dat in de regel de vereffeningsdeskundige wordt aangesteld als curator (artikel XX.93/1, 3de lid) en dat het ereloon van de vereffeningsdeskundige wordt aangerekend op het deel van het ereloon van de curator dat betrekking heeft op de opbrengst van de overdracht bewerkstelligd door de vereffeningsdeskundige (artikel XX.94, 2de lid WER). Een ogenschijnlijk ‘probleem’ ontstaat wanneer er géén overdracht plaatsvindt en of wanneer de vereffeningsdeskundige de opdracht als curator in het navolgend faillissement weigert. In die gevallen spelen de artikelen XX.93/1, 3de lid en XX.94, 2de lid WER geen rol. Enerzijds kan het als onbillijk ervaren worden dat een vereffeningsdeskundige die in opdracht van een rechtbank handelingen stelt om een overdracht te bewerkstelligen dit zou moeten doen op eigen risico van niet-betaling, zij het dat er steeds de mogelijkheid is om een voorschot te bekomen tijdens de duurtijd van de opdracht (zie artikel 13 van het K.B. van 26 april 2018). Anderzijds kan het niet de bedoeling zijn dat een vereffeningsdeskundige er net belang bij heeft om de navolgende opdracht als curator te weigeren met de redenering dat hij exact hetzelfde ereloon zal krijgen zonder dat hij de taken als curator nog ‘kosteloos’ moet vervullen in de volledige afhandeling van de lege schelp. Ook kan het niet de bedoeling zijn dat een vereffeningsdeskundige er belang bij heeft om net géén overdracht van (alle) activa te bewerkstelligen zodat hij later als curator geen ‘aanrekening’ op ereloon moet ondergaan. Er dient steeds te worden gewaarborgd dat de boedel niet onevenredig wordt uitgehold door kosten en erelonen die geen aantoonbare meerwaarde genereren. De vereffeningsdeskundige mag geen persoonlijk belang hebben bij het onnodig verlengen van gerechtelijke reorganisatieprocedures. Onder meer om die reden werd bepaald dat de vereffeningsdeskundige zelf de voortijdige beëindiging van de procedure kan vorderen zodra blijkt dat er geen reële slaagkansen meer bestaan. Deze beslissing dient door de vereffeningsdeskundige te worden genomen onafhankelijk van enige overweging met betrekking tot het eigen ereloon. . 4.
  28. De wetgever heeft in boek XX WER voor bepaalde gerechtelijke mandaten uitdrukkelijk voorzien dat zij kunnen genieten van het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1° van de Hypotheekwet van 16 december 1851 bij een navolgende samenloop. Dit werd zo bepaald voor de herstructureringsdeskundige inzake bemiddeling (XX.29/2, § 2 WER), de voorlopige bewindvoerder (XX.32, §6 WER), de herstructureringsdeskundige bij minnelijk akkoord (XX.65, § 6 WER), de herstructureringsdeskundige bij de besloten reorganisatie (XX.83/28 WER en XX.83/30, § 6 WER) én de beoogd curator (XX.97/6 WER). Voor de vereffeningsdeskundige in het kader van de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag zijn zulke uitdrukkelijke bepalingen niet voorzien in boek XX WER. Er zijn geen bepalingen in boek XX WER waaruit zou kunnen afgeleid worden dat de wetgever het voorrecht van de gerechtskosten bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1° Hyp.W. wou van toepassing verklaren op het onbetaald ereloon van de vereffeningsdeskundige. . 4.
  29. Ook zonder uitdrukkelijke bepaling in boek XX WER moet de rechtbank nagaan of de erelonen en kosten van een vereffeningsdeskundige kunnen gevat worden door de artikelen 17 en 19,1° Hyp.W. Wel kan minstens worden vastgesteld dat de wetgever zich er voor de overige in randnummer 4.10 opgesomde mandaten van bewust was dat een uitdrukkelijke bepaling inzake het voorrecht van de gerechtskosten in Boek XX WER aanwezen was, aangezien de gemeenrechtelijke leer inzake het voorrecht van de gerechtskosten voor die mandaten mogelijk ontoereikend zou zijn. . 4.
  30. De gerechtskosten zijn bevoorrecht op de roerende en de onroerende goederen, ten aanzien van alle schuldeisers in wier belang zij zijn gemaakt (artikel 17 Hyp.W.). De gerechtskosten die in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers zijn gemaakt, zijn bevoorrecht op alle roerende goederen en worden bij voorrang betaald (artikel 19,1° Hyp. W.). De gerechtskosten gaan boven alle schuldvorderingen ten behoeve waarvan zij zijn gemaakt (artikel 21 Hyp.W.). Hieruit volgt dat het voorrecht van de gerechtskosten in beginsel alleen kan ingeroepen worden tegenover de personen die baat hebben gehad bij de gemaakte kosten, en dat het voorrecht in beginsel enkel geldt t.a.v. de goederen die dankzij de gerechtelijke procedure (waarvoor de kosten gemaakt werden) behouden bleven of te gelde gemaakt konden worden. . 4.
  31. In het algemeen worden kosten van handelingen die onder het gezag van de rechter worden verricht voor het behoud en de vereffening van het vermogen van een schuldenaar, in het belang van zijn schuldeisers, beschouwd als ‘gerechtskosten’ (Cass. 23 juni 1834, Pas. 1834, I, 272). Een vereffeningsdeskundige in de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag, stelt handelingen onder gerechtelijk gezag; de wet legt op wanneer een vereffeningsdeskundige door de rechtbank moet worden aangesteld en de wet bepaalt de basisopdracht van de vereffeningsdeskundige. Derhalve aanvaardt de rechtbank dat de staat van ereloon en kosten van een vereffeningsdeskundige aangesteld op grond van artikel XX.85 WER ‘gerechtskosten’ zijn in de zin van artikel 17 Hyp.W. die bevoorrecht ‘kunnen’ zijn. . 4.
  32. De vraag stelt zich echter of de staat van ereloon en kosten van een vereffeningsdeskundige in de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag - dewelke gerechtskosten zijn - automatisch steeds bevoorrecht zijn. Dan wel of ook voor gerechtsmandatarissen – die niet beschikken over een uitdrukkelijke rechtsgrond - die handelen onder gerechtelijk gezag onverkort geldt dat het voorrecht der gerechtskosten enkel kan gelden tegenover andere schuldeisers als in concreto wordt aangetoond in welk opzicht de verrichtingen in het belang van één of meerdere schuldeisers zijn gedaan. Anders gesteld, rijst de vraag of het ‘nutscriterium’ in casu ook geldt en of dit ‘nut’ in concreto moet afgetoetst worden tegenover de failliete boedel. Zo zou uit het arrest van het Hof van Cassatie van 10 oktober 1985 kunnen afgeleid worden dat ook voor mandatarissen handelend onder gerechtelijk gezag moet aangetoond worden dat diens verrichtingen zijn gedaan in het belang van de schuldeisers tegenover wie het voorrecht wordt ingeroepen (Cass. 10 oktober 1985, Arr.Cass. 1985-86, 166). In die mogelijke redenering kan niet uitgegaan worden van een alles-of-niets benadering inzake de toepasbaarheid van het voorrecht en moet nagegaan worden welke concrete handelingen van de vereffeningsdeskundige – ondanks er geen overdracht kon bewerkstelligd worden – toch nut hebben gehad voor de failliete boedel die is ontstaan naar aanleiding van de navolgende samenloop. . 4.
  33. PARYS stelt over het nutscriterium dat dit onderworpen is aan een dubbele relativiteit: enerzijds geldt het slechts ten aanzien van de schuldeisers die “profijt” hebben gehad bij de tussenkomst en anderzijds is vereist dat de kosten effectief bepaalde activa hebben in stand gehouden, te gelde gemaakt en/of gestrekt hebben tot verdeling ervan (zie R. Parys, “Art. 561 Faillissementswet”, TBH 1991, 705-706). HELSEN stelt met verwijzing naar rechtspraak “Het voorrecht blijft beperkt tot de nuttige kosten. Deze voorwaarde is de concretisering van de voorwaarde van het belang van de gemeenschappelijke schuldeisers. Het moet gaan om een objectief en effectief nut, ongeacht de onderliggende bedoeling van de solvens: het is het resultaat dat telt. Opdat het voorrecht ten aanzien van andere schuldeisers zou kunnen worden uitgeoefend, is vereist dat zij de facto ‘profijt’ hebben gehad van de kosten door een van hen gemaakt” (F. HELSEN, “Art. 17 Hyp. W”, in Voorrechten en hypotheken. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer , Afl. 46 (4 februari 2013), 41). VAN DEN BERGH stelt “Het bewijs moet worden geleverd door wie zich op het voorrecht beroept dat andere schuldeisers door de daden van diegene die deze kosten heeft aangegaan, zelf kosten hebben uitgespaard die ze anders noodzakelijkerwijze zelf hadden moeten aangaan [….] Het bestaan van de voorrang hangt ook af van het voortbestaan van dit nut. Kosten die prima facie in het gemeenschappelijk belang zijn, kunnen bij nader inzien nutteloos blijken, en zijn als gevolg niet bevoorrecht. Het nutscriterium verklaart ook waarom gerechtskosten bevoorrecht kunnen zijn tegenover schuldeisers wiens schuldvordering is ontstaan na de bedoelde gerechtskosten en dit verklaart ook waarom de kosten maar bevoorrecht kunnen zijn voor een bedrag gelijk aan de waarde van de goederen: als de kosten meer bedragen dan de opbrengst, hebben ze geen nut meer voor de andere schuldeisers.” (B. Van Den Bergh, “[Gerechtskosten] Het voorrecht van de gerechtskosten”, in Handboek Burgerlijk procesrecht, vanaf pagina 1492). . 4.
  34. Het komt partijen toe hierover standpunt in te nemen. De rechtbank heropent dan ook ambtshalve de debatten ten einde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de toepassingsvoorwaarden van het voorrecht van de gerechtskosten op onbetaalde erelonen en kosten van de vereffeningsdeskundige in kader van een procedure overdracht onder gerechtelijk gezag. . IV. C. WAT BETREFT HET VOORRECHT VOOR KOSTEN TOT BEHOUD VAN ZAAK . 4.
  35. Eisende partijen beroepen zich in ondergeschikte orde op het voorrecht voor kosten tot behoud van de zaak. Zowel eisende partijen alsook de curator laten dit voorrecht onbesproken in hun respectievelijke conclusie. Dit voorrecht gesteld in artikel 20,4° Hyp. W. heeft noodzakelijkerwijs betrekking op een specifiek goed en kan geen algemeenheid tot voorwerp hebben (Cass. 5 februari 1880, Pas. 1880, I, 67; Cass. 24 april 1986, Arr.Cass. 1985-86, 1151; Cass. 18 december 2008, TBBR 2010, 414) De debatten worden heropend ten einde partijen te laten verduidelijken in welke mate zij het voorrecht voor kosten tot behoud van de zaken willen inroepen of betwisten, welke specifieke kosten of prestaties zij zien als een kost tot behoud van de zaak en welk zadel zij beogen. . V. DE BESLISSING . De rechtbank, Heropent de debatten i) ten einde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de toepassingsvoorwaarden van het voorrecht van de gerechtskosten op onbetaalde erelonen en kosten van de vereffeningsdeskundige in kader van een procedure overdracht onder gerechtelijk gezag en ii) ten einde partijen te laten verduidelijken in welke mate zij het voorrecht voor kosten tot behoud van de zaken willen inroepen of betwisten, welke specifieke kosten of prestaties zij zien als een kost tot behoud van de zaak en welk zadel zij beogen. Partijen dienen hierover conclusies uit te wisselen en de rechtbank te overhandigen binnen volgende termijnen: - 10 mei 2026 eisende partijen - 10 juni 2026 de curator - 30 juli 2026 eisende partijen - 30 augustus 2026 de curator Waarna de zaak in beraad zal worden genomen. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van Laere en P. Van den Bossche, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 14 april 2026 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260513.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.