← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260421.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260421.1 Rolnummer: O/25/00849 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 275 - laatst gezien 2026-06-18 20:54 Fiche 1 De terugbetaling van een lening die op het ogenblik van betaling geboekt staat onder “schulden op meer dan één jaar” op boekhoudrekening “overige leningen 174002”, is een betaling van een niet-opeisbare schuld. Een terugbetaling van een niet-opeisbare lening ten belope van 769.111,41 euro door een onderneming in moeilijkheden aan een bestuurder-aandeelhouder, is abnormaal. Het betreft een gewilde paulianeuze rangdoorbreking. De lening betrof een chirografaire schuld. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Abnormaal karakter betaling aan bestuurder XX.114 WER Fiche 2 Wanneer een bestuurder cryptomunten in eigen naam aankoopt met gelden onttrokken aan de vennootschap en deze aankoop niet boekhoudkundig verwerkt in de boekhouding van de vennootschap, dan betreft dit crypto-verhaal geen investering voor rekening van de vennootschap. Het onttrekken van de liquiditeiten doet enkel in hoofde van de bestuurder een plicht tot terugbetaling van de onttrokken geldsom ontstaan. Dat 775.000,00 euro aan cryptomunten ondertussen waardeloos zijn geworden, is niet voor rekening van de vennootschap. Dit verlies kan niet aangerekend worden aan de vennootschap. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Fiche 3 Geheel ten overvloede kan uit de stukken die wel worden voorgelegd, zelfs niet vastgesteld worden dat verweerders “de crash” hebben ondergaan. Uit de stukken kan enkel afgeleid worden dat de ‘wallet' van “user ID 62475841” op 24 april 2022 een waarde had van 880.088,97 dollar en op 15 mei 2022 een waarde had van 353,83 dollar. Historieken van de “wallet” worden niet voorgelegd. Er zijn ook andere redenen denkbaar waarom gelden in cryptomunten worden omgezet in het licht van nakende insolventie UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer heeft volgend vonnis verleend: . Partijen in het geding Mr. [D] in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van BV [JAN] De curator TEGEN: De heer [X] Eerste verweerder Mevrouw [Y] Tweede verweerster Hebbende als raadslieden: Mr. [V] en [G] . I. DE RECHTSPLEGING 1.

  1. De zaak wordt ingeleid met dagvaarding betekend op 3 juni
  2. Bij beschikking van 2 september 2025 werd met toepassing van artikel 747§ 1 Ger.W. conclusietermijnen bepaald. De rechtbank hoort de verschijnende partijen in openbare zitting van 10 maart
  3. De rechtbank sluit de debatten en neemt de zaak in beraad. 1.
  4. De rechtbank neemt kennis van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De rechtspleging verloopt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. . II. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL 2.
  5. Verweerders waren beiden bestuurder van de BV [JAN]. BV [JAN] fungeerde als holding en was de moedervennootschap van de BV [RET], die actief was in de modesector en meerdere filialen uitbaatte in o.a. […………………..] In de bijlage van het Belgisch Staatsblad wordt op 12 april 2022 gepubliceerd dat eerste verweerder ontslag heeft genomen als bestuurder van de BV [JAN] en tweede verweerster enige bestuurder is. Op […] juli 2022 wordt dochtervennootschap BV [RET] failliet verklaard. Vijf maanden later, op […] december 2022 wordt ook de BV [JAN] failliet verklaard en wordt mr. [D] aangesteld als curator. 2.
  6. Uit het derde en laatste proces-verbaal van verificatie blijkt dat in het faillissement BV [JAN] een passief werd aanvaard ten bedrage van 1.463.687,11 EUR. Volgens het laatste jaarverslag werd tot op heden in het faillissement BV [JAN] een actief gerealiseerd van 20.059,60 EUR. 2.
  7. De curator is van oordeel dat verweerders fouten in het bestuur hebben begaan. Er zouden enkele transacties verricht zijn met paulianeus inzicht en dienen deze niet-tegenstelbaar te worden verklaard aan de failliete boedel. In het bijzonder viseert de curator een betaling van 600.000,00 EUR op 14 januari 2022 en een betaling van 200.000,00 EUR op 25 februari 2022 aan verweerders. Verweerders betwisten elke aanspraak. . III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN 3.
  8. De curator vordert in laatste conclusie: “De vordering van de curator qq. ontvankelijk en gegrond te verklaren, In hoofdorde: Verweerders solidair, minstens in solidum, de een bij gebrek aan de andere, te veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.463.687,11 EUR (aanvaard passief), te vermeerderen met de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf datum dagvaarding tot datum van algehele en daadwerkelijke betaling. In ondergeschikte orde: Te zeggen voor recht dat de betalingen voor een totaal bedrag van 1.375.000 EUR niet tegenstelbaar zijn aan de boedel en verweerders solidair, minstens in solidum, de een bij gebrek aan de andere, te veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.375.000 EUR te vermeerderen met de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet 600.000 EUR vanaf 14.01.2022, op het bedrag van 575.000 EUR vanaf 25.01.2022, en op het bedrag van 200.000 EUR vanaf 25.02.2022 tot datum van daadwerkelijke betaling In elk geval: Verweerders solidair, minstens in solidum te horen veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van de curatele qq. op heden te begroten op de kost van onderhavig exploot en de rolrechten ten laste van verweerders te leggen. In ondergeschikte orde, de door verweerder gevorderde rechtsplegingsvergoeding te herleiden naar het minimum.” 3.
  9. Verweerders vorderen in laatste conclusie: “De vorderingen van eiseres QQ af te wijzen als ongegrond; ondergeschikt en hoogstens concludenten te veroordelen tot een schadevergoeding van 50.000,00 EUR; - Eiseres QQ te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van concludenten begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten belope van het basisbedrag van 23.546,51 EUR.” . IV. DE BEOORDELING 4.
  10. De ontvankelijkheid van de vorderingen worden niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. 4.
  11. Het staat vast dat de gefailleerde BV [JAN] een bedrag van 800.000,00 EUR heeft overgeschreven aan verweerders tussen 14 januari 2022 en 25 februari
  12. 4.2.
  13. Er wordt namelijk niet betwist: - dat op 14 januari 2022 door gefailleerde 600.000 EUR naar rekening BE18 3771 0712 9665 werd overgeschreven met vermelding “Ph+h”; - dat “Ph+h” verwijst naar de voornamen van verweerders, [……………]; - dat op 25 februari 2022 door gefailleerde 200.000 EUR naar rekening BE59 3771 1949 3226 werd overgeschreven met vermelding “Philippe”; Verweerders stellen dat zij na ontvangst van deze 800.000,00 EUR een bedrag van 145.650,41 EUR (samengesteld uit 22.289,54 + 8.360,87 + 115.000,00) hebben terugbetaald aan BV [JAN]. Dit wordt niet betwist door de curator. De exacte data van de terugbetalingen worden weliswaar niet meegedeeld. 4.2.
  14. Tussenbesluit: De rechtbank weerhoudt voor de verdere beoordeling van deze zaak een netto betaald bedrag van 654.349,59 EUR. . 4.
  15. In hoofdorde voeren verweerders aan dat het bedrag van 800.000,00 EUR niet als een betaling in hun voordeel kan worden gekwalificeerd. Zij stellen dat deze gelden hebben gediend voor investering “ten behoeve van de vennootschap” in de cryptomunt “Luna Terra”. Er zou voor 775.000,00 EUR aan “Luna Terra” zijn aangekocht in het voorjaar
  16. Volgens verweerders noteerde deze cryptomunt op 8 april 2022 een waarde van 95,36 EUR, waarna zij ten gevolge van “één van de hevigste cryptocrashes ooit” op 20 mei 2022 zou zijn gedaald tot 0,0001276 EUR. Als gevolg hiervan zou de initiële investering van 775.000,00 EUR waardeloos geworden zijn. Het verlies volgend uit deze mislukte investering zou moeten worden gedragen door de gefailleerde BV [JAN] ten behoeve van wie de investering werd gedaan. Verweerders erkennen dat de cryptomunten op hun persoonlijke naam werden aangekocht. Doch zij voeren aan dat deze werkwijze noodzakelijk was, aangezien de aankoop van cryptomunten niet op naam van een vennootschap zou kunnen plaatsvinden. Wel betogen zij dat het steeds de bedoeling is geweest om een eventuele winst uit deze investering integraal aan BV [JAN] te laten toekomen. Verweerders leggen in dat kader enkele stukken voor van een digitale crypto portefeuille (wallet) gekoppeld aan een onbenoemde “user ID”. . 4.
  17. De rechtbank acht de ganse uiteenzetting over de cryptomunt-transactie niet ter zake en bovendien niet geloofwaardig. 4.4.
  18. Vooreerst blijkt uit geen enkel stuk dat de 775.000,00 EUR op naam en voor rekening van de vennootschap [JAN] werd geïnvesteerd in cryptomunten. De gelden werden betaald naar persoonlijke rekeningen van verweerders en verweerders hebben deze gelden dan blijkbaar aangewend om cryptomunten aan te kopen in eigen naam. In de mededelingen van de overschrijvingen worden geen gewag gemaakt van enig crypto-verhaal, doch wel van “Ph+h” en “Philippe”. In de boekhouding van gefailleerde werd de vermeende aankoop van de cryptomunten evenmin boekhoudkundig verwerkt, hoewel verweerders bestuurder waren en alle verrichtingen zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde moeten worden ingeschreven in de boekhouding (artikel III.84 WER). De crypto-investering is niet gedaan voor rekening of in naam van gefailleerde BV [JAN]. Het verlies kan niet aan BV [JAN] worden toegerekend. . 4.4.
  19. Nog vóór het faillissement, had de boekhouder van de BV [JAN] op 4 november 2022 per mail aan verweerders over deze betalingen gesteld: “Gezien bij deze overschrijving geen enkele titel werd meegegeven waartoe deze overschrijvingen dienen, is dit een zuivere afname rekening courant. Dit werd ook zo boekhoudkundig verwerkt. […] Wij willen jullie er op wijzen dat deze afnames mogelijks tot bestuurdersaansprakelijkheid zouden kunnen leiden. Deze afnames vonden namelijk plaats op een moment, wetende dat de vennootschap nog een aantal belangrijke schuldeisers zal dienen te voldoen en dat de inkomstenstroom voor geleverde prestaties toe een einde genomen had [….] Op deze manier werden quasi alle liquide middelen waar [RET] nog kon over beschikken om schuldeisers te voldoen aan haar onttrokken. Na deze overschrijvingen vonden de verrichtingen naar jullie privé-rekening plaats”. Verweerders tonen niet aan dat zij zouden gereageerd hebben op dit mailbericht van de eigen boekhouder. . 4.4.
  20. Geheel ten overvloede kan uit de stukken die wel worden voorgelegd, zelfs niet vastgesteld worden dat verweerders “de crash” hebben ondergaan. Uit de stukken kan enkel afgeleid worden dat de ‘wallet’ van “user ID 62475841” op 24 april 2022 een waarde had van 880.088,97 dollar en op 15 mei 2022 een waarde had van 353,83 dollar. Historieken van de “wallet” worden niet voorgelegd. Er zijn ook andere redenen denkbaar waarom gelden in cryptomunten worden omgezet in het licht van nakende insolventie. Op basis van het uittreksel van het rijksregister gehecht aan de inleidende dagvaarding, kan de rechtbank vaststellen dat eerste verweerder zich op 1 april 2022 heeft laten “afschrijven” naar het buitenland zonder opgave van woonplaats. Tweede verweerder is dan gevolgd op 31 oktober
  21. 4.4.
  22. Tussenbesluit: Er is een betaling ten belope van netto 654.349,59 EUR uitgevoerd ten voordele van verweerders, minstens ten voordele van eerste verweerder. . 4.
  23. In ondergeschikte orde stellen verweerders dat indien de rechtbank de overschrijving van 800.000,00 EUR wel als ‘een betaling’ aanziet, dat deze betaling niet abnormaal was gezien eerste verweerder op het ogenblik van de ‘betaling’ een schuldvordering op de BV [JAN] had ten bedrage van 769.111,41 euro. De uitgevoerde betalingen zouden aldus loutere terugbetalingen van eerder geleende gelden. Er wordt door de curator niet betwist dat eerste verweerder een vordering op BV [JAN] had van 769.111,41 euro op het ogenblik van de betaling van voormelde 800.000,00 EUR. Dit blijkt ook uit de boekhouding van BV [JAN]. Wel stelt de curator dat deze betaling, dan wel deze ‘terugbetaling’ een kennelijk grove fout is in de zin van artikel XX.225 WER en dat deze betaling werd uitgevoerd met bedrieglijk opzet gericht op de benadeling van de verhaalsrechten van de schuldeisers met verwijzing naar artikel XX.114 WER. . 4.
  24. Krachtens artikel XX.114 WER kunnen handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers niet worden tegengeworpen onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad. De niet-tegenwerpelijkheid is een verplichte en geen facultatieve sanctie. Indien de rechter vaststelt dat de voorwaarden van artikel XX.114 WER zijn vervuld, dan moet hij de aangevochten handeling niet-tegenwerpelijk verklaren aan de boedel. De pauliaanse vordering heeft tot doel het verhaalsrecht van de schuldeisers te beschermen. Het volstaat derhalve dat (de uitoefening van) het verhaalsrecht van de schuldeisers op enige wijze wordt bemoeilijkt of dat de schuldeisers hun verhaalsrecht niet meer (volledig) kan uitoefenen opdat voldaan is aan de voorwaarde van benadeling (Cass. 5 januari 2006, Arr.Cass. 2006). De hinder of aantasting aan de uitwinningsmogelijkheden kan zowel van juridische alsook van praktische aard zijn. Werkelijke verarming van de boedel is niet vereist. De benadeling kan bestaan uit het wijzigen van de rangorde van schuldeisers. Ook al zijn rechtshandelingen vermogensrechtelijk neutraal in hoofde van de schuldenaar, kunnen deze toch de verhaalsrechten van de collectiviteit van schuldeisers aantasten wanneer wordt vastgesteld dat er sprake is van “rangdoorbreking”, waarbij bepaalde schuldeisers een preferente positie wordt verleend of bij voorrang worden betaald (vgl. Cass. 9 juli 1953, Arr.Cass. 1953, 788). Dit op “het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico wordt”, ook al is er nog geen formele samenloop (zie hierover J. Vananroye, Organisatierecht: Werfbezoek aan een onvoltooide piramide in Acta Falconis VII, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 28, nr. 15); de regels van de samenloop werpen immers hun schaduw vooruit (E. Dirix, Grenzen van de wilsautonomie inzake zakelijke zekerheidsrechten, In H. Bocken, Bijzondere overeenkomsten 2007-2008, p. 149). Op het ogenblik van de aangevochten rechtshandeling, moet de faillietverklaring niet dreigend en imminent zijn. Het volstaat te weten – of behoren te weten – dat het ondernemingsverhaal zal eindigen met een tekort en dus dat er geen redelijke vooruitzichten zijn om dat nog te vermijden. Het is immers die wetenschap die ertoe kan aanzetten om het onvermijdelijk nettopassief af te wentelen op andere schuldeisers en zichzelf vooraan te plaatsen op de betaalagenda. Het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico wordt, is niet gelijk te stellen met de formele datum van staking van betaling. De tijdspanne tussen “het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico” en de uiteindelijke faillietverklaring is niet alles bepalend. Samenloop kan immers doelbewust uitgesteld worden om redenen eigen aan de bestuurder of andere insiders (ingewijden). Dat een vennootschap enige tijd in slaapmodus wordt gebracht om samenloop uit te stellen, maakt eerdere selectieve betalingen niet minder onrechtmatig. Er is sprake van bedrog indien de schuldenaar wist of behoorde te weten dat door de bestreden handeling te stellen hij de verhaalsrechten van de schuldeisers zou schaden. Het pauliaans bedrog kan ook afgeleid worden uit het abnormaal karakter van een handeling (Cass. 19 februari 2015, Arr.Cass. 2015, 473; Cass. 26 oktober 1989, Arr.Cass. 1989-90, 282; Cass. 15 maart 1985, Arr.Cass. 1984-85, 969). De vaststelling van het abnormale karakter van handelingen kan worden gestoeld op een geheel van feiten en gedragingen, die door hun onderlinge samenhang het abnormale karakter ervan aantoonbaar maken. . 4.
  25. Aangezien tussen partijen geen betwisting bestaat omtrent de vervulling van de anterioriteitsvereiste, zal de rechtbank zich richten op de beoordeling van de benadeling van de schuldeisers en het bedrog in hoofde van de betrokken partijen. . 4.
  26. Zoals hierna zal blijken, staat het voor de rechtbank vast dat de betalingen van 600.000,00 EUR op 14 januari 2022 en 200.000,00 EUR op 25 februari 2022 abnormaal zijn en enkel werden uitgevoerd om de schuldeisers te benadelen. Begin 2022 wisten verweerders als bestuurder van de BV [JAN] dat insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico was geworden en hebben zij om die reden, bewust zichzelf bij voorrang terugbetaald. De rechtbank komt tot dit oordeel gelet op volgende vaststellingen: . 4.8.
  27. BV [JAN] betrof een holding- en managementvennootschap die enkel inkomsten genoot via haar dochteronderneming [RET] die verschillende kledingwinkels uitbaatte. BV [JAN] had geen eigen activiteiten of inkomsten buiten de relatie met haar dochteronderneming [RET]. Dit wordt ook bevestigd door de eigen boekhouder van BV [JAN] (zie randnummer 4.4.2.) 4.8.
  28. Eind 2021, begin 2022 was de situatie voor de dochteronderneming [RET] uitzichtloos geworden, wat verweerders wisten. [RET] draaide in 2020 een omzet van 1.703.384,17 euro en in 2021 een omzet van 1.694.824,32 euro. Eind november 2021, begin 2022 zouden de verschillende winkels gesloten zijn en een uitverkoop gehouden hebben. Deze bewering vindt aansluiting bij het door dochteronderneming [RET] gerealiseerde omzetcijfer in 2022 van nauwelijks 268.579,73 euro, excl. verkoop vast actief. Er kan onder andere verwezen worden naar stukken 6, 7 en 8 van de curator. [RET] werd failliet verklaard op […] 2022, enkele maanden na de uitverkopen. Het ingediend passief in de dochteronderneming zou meer dan 1 miljoen euro bedragen en voornamelijk bestaan uit terug te betalen corona-steun. Hoewel het stukkenbundel bijhorend bij stuk 6 door de curator niet wordt gevoegd in deze procedure, stelt de rechtbank vast dat verweerders de feitelijke uiteenzetting hierover niet betwisten. Wanneer een vennootschap actief in luxe-modeartikelen vanaf de zomer 2021 geen nieuwe collecties meer bestelt en eind 2021 in alle vestigingen uitverkoop houdt om vervolgens 6 maanden later failliet te worden verklaard met een netto-passief van bijna anderhalf miljoen euro dan kan aangenomen worden dat elke redelijke bestuurder eind 2021, begin 2022 wist dat het verhaal eindig was en de situatie uitzichtloos. 4.8.
  29. Verweerders stellen dat de financiële toestand van de dochteronderneming niet relevant is voor de beoordeling van de situatie van de moedervennootschap. De rechtbank volgt dit niet. Uit alles blijkt dat moeder- en dochtervennootschap in casu dermate verweven waren dat het faillissement van de dochtervennootschap onvermijdelijk het faillissement van de moedervennootschap met zich zou meebrengen. Beide vennootschappen vormden een btw-eenheid die de oplopende btw-schuld niet kon betalen. Beide vennootschappen waren mede-kredietnemer van een openstaand krediet van 788.433,37 EUR dat zij niet konden terugbetalen. Dat de moedervennootschap uiteindelijk pas 5 maanden later dan de dochteronderneming werd failliet verklaard, is in deze omstandigheden niet relevant. 4.8.
  30. Het volstaat voor de curator om aan te tonen dat de handeling of de betaling een abnormaal karakter heeft en dat de schuldenaar gehandeld heeft wetende dat zijn schuldeisers benadeeld zullen worden. Een betaling van een niet-vervallen of niet-opeisbare schuld, of een betaling met verdachte spoed, kunnen abnormale handelingen zijn. Zeker wanneer die betalingen geschieden aan bestuurders of aandeelhouders. In casu stelt de rechtbank vast dat de ‘terugbetaling’ op 14 januari 2022 en 25 februari 2022 ‘abnormaal’ waren: - Het boekjaar van de BV [JAN] eindigt op 31 maart. - Uit stuk 4 van verweerders blijkt dat eerste verweerder op 31 maart 2021 een vordering op BV [JAN] had ten belope van 911.000,00 euro. Dit wordt niet betwist door de curator. - De schuld aan eerste verweerder staat in de boekhouding van de BV [JAN] geboekt onder “schulden op meer dan één jaar” onder boekhoudrekening “overige leningen” 174002 met omschrijving “lening Philippe […]”. Op de goedgekeurde en neergelegde jaarrekening eindigend op 31 maart 2021 van de BV [JAN] staat eveneens onder “schulden op meer dan één jaar” onder “overige leningen” (174/0) een bedrag van 911.000,00 euro uitgedrukt. - Uit stuk 5 van verweerders blijkt dat eerste verweerder op 31 maart 2022 een vordering op BV [JAN] had ten belope van 769.111,41 euro. Dit wordt niet betwist door de curator. - De schuld stond op het ogenblik van faillietverklaring nog steeds geboekt onder “schulden op meer dan één jaar” onder boekhoudrekening “overige leningen” 174002 met omschrijving “lening Philippe [….]” - Het ontslag van eerste verweerder als bestuurder van gefailleerde werd in de bijlage van het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 12 april
  31. Het ontslag kan aan derden slechts worden tegengeworpen vanaf de dag van bekendmaking ervan, behalve indien de rechtspersoon aantoont dat die derden er reeds kennis van hadden (artikel 2:18 WVV). De boekhouding van de gefailleerde werd gevoerd door de bestuurders, waaronder eerste verweerder. De opname van de vordering van eerste verweerder op BV [JAN] in de boekhouding onder “schulden op meer dan één jaar” is tegenstelbaar aan eerste verweerder. - Uit het voorgaande volgt aldus dat de betalingen op 14 januari 2022 en 25 februari 2022 te beschouwen zijn een ‘terugbetaling’ van een lening die op de respectievelijke data van betaling nog niet opeisbaar was. Een terugbetaling van een niet-opeisbare lening ten belope van 769.111,41 euro door een onderneming in moeilijkheden aan een bestuurder, is abnormaal. Het betreft een gewilde paulianeuze rangdoorbreking. De lening betrof een chirografaire schuld. Op heden is er een bevoorrecht passief van 650.541,53 EUR aangegeven in het faillissement van de BV [JAN] en zijn er kosten van vereffening waarmee rekening moet gehouden worden. - Op het ogenblik van de betalingen waren beide verweerders bestuurder van de BV [JAN]. Zij wisten of behoorden te weten dat de schuldeisers van de BV [JAN] door deze terugbetalingen werden benadeeld. 4.8.
  32. Tussenbesluit: De voorwaarden van artikel XX.114 WER zijn voldaan. 4.
  33. De niet-tegenstelbaarheid van een betaling heeft tot gevolg dat de ontvanger het ontvangen bedrag dient terug te betalen. Dit vermeerderd met intresten vanaf de litigieuze handeling gelet op de kwade trouw (artikel 5.122 BW). Zoals eerder gesteld, heeft eerste verweerder reeds 145.650,41 EUR terugbetaald, zodat de veroordeling tot terugbetaling wordt begrensd tot 654.349,59 EUR wat de hoofdsom betreft. 4.
  34. Tweede verweerder stelt dat de terugbetalingen zijn uitgevoerd op “persoonlijke” bankrekeningen van eerste verweerder en dat zij niet hoofdelijk kan worden veroordeeld. De rechtbank stelt vast dat verweerders gehuwd zijn en samenwonen in Portugal. Verweerders tonen niet aan dat zij niet gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel. De initiële vordering op BV [JAN] ten belope van 769.111,41 euro wordt vermoed te behoren tot de huwgemeenschap tussen verweerders. De terugbetaling ervan wordt ook vermoed te zijn gebeurd aan de huwgemeenschap tussen verweerders. Verweerders zijn om die reden hoofdelijk gehouden tot terugbetaling. 4.
  35. Eindbesluit: Verweerders worden hoofdelijk veroordeeld tot het betalen aan de curator van een bedrag van 654.349,59 EUR in hoofdsom, meer de intresten zoals hierna bepaald. 4.
  36. De curator stelt tevens een vordering bestuurdersaansprakelijkheid tegen verweerders die op het ogenblik van de aangevochten betalingen, beide bestuurder waren van de BV [JAN]. 4.12.
  37. Een bestuurder die wetens willens medewerking verleent aan paulianeuze handelingen begaat een fout. In het licht van de concrete omstandigheden betreft het ook een kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement. Door 800.000,00 EUR, dan wel 654.349,59 EUR aan liquiditeiten te onttrekken aan een onderneming in moeilijkheden om een niet-opeisbare lening onmiddellijk integraal terug te betalen aan een eigen bestuurder-aandeelhouder, werd elke kans op herstel van de vennootschap ontnomen en heeft dit bijgedragen tot het faillissement. Om deze reden dient bestuurdersaansprakelijkheid in hoofde van beide verweerders op grond van artikel XX.225 WER en 1382 oud BW (6.
  38. BW) weerhouden te worden. 4.12.
  39. Echter, de rechtbank is van oordeel dat uit deze vastgestelde fouten geen meerdere veroordeling voor verweerders moet volgen dan hetgeen bepaald in randnummers 4.9 tot en met 4.
  40. Het aldaar bepaalde en omschreven rechtsherstel volstaat. 4.
  41. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger.W.). Verweerders zijn de in het ongelijk gestelde partijen. V. DE BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van mr. [D]. in haar hoedanigheid van curator van BV [JAN] ontvankelijk en gegrond in de hiernavolgende mate: - De rechtbank veroordeelt [X] en [Y] hoofdelijk tot het betalen aan mr. DE NYS q.q. in haar hoedanigheid van curator van BV [JAN], het bedrag van 654.349,59 EUR. Te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke rentevoet overeenkomstig de wet van 5 mei 1865 vanaf 14 januari 2022 op 600.000,00 EUR en vanaf 25 februari 2022 op 200.000,00 EUR, te verminderen met de negatieve intresten aan dezelfde intrestvoet, berekend op de terugbetalingen van 22.289,54 EUR, 8.360,87 EUR en 115.000,00 EUR, telkens vanaf respectievelijke de datum van de terugbetaling. - De rechtbank veroordeelt [X] en [Y] hoofdelijk tot de kosten van het geding, zijnde het rolrecht begroot op 165 EUR aan de Belgische Staat (FOD Financiën) die instaat voor de inning en kosten, alsook de kost van de dagvaarding ten belope 588,17 EUR en 69,24 EUR aan mr. DE NYS q.q. - In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand worden [X] en [Y] verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. - Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, en de rechters in ondernemingszaken P. Hoste en B. Reunis en is op de openbare zitting van 21 april 2026 uitgesproken door rechter, kamervoorzitter V. Verlaeckt in aanwezigheid van griffier A. Vriendt. A. Vriendt B. Reunis P. Hoste V. Verlaeckt Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.