← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260428.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 28 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260428.1 Rolnummer: O/25/00895 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 240 - laatst gezien 2026-06-18 06:47 Fiche 1 Geschokt krediet betekent dat de schuldenaar het vertrouwen van zijn handelspartners en schuldeisers heeft verloren. Het enkele feit dat de schuldenaar niet meer in staat was zijn opeisbare schulden op een voor het handelsleven normale wijze te voldoen, wijst erop dat hij van derden geen middelen ter beschikking kreeg om deze schulden aan te zuiveren en dus dat zijn krediet geschokt is. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Vervroegen datum staking van betaling Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.105 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Niet zozeer de datum van het beslag of het bevel tot betaling is doorslaggevend. Aan een beslag gaat in beginsel immers een rechterlijke uitspraak vooraf, die volgt op een dagvaarding waartoe een handelspartner doorgaans pas overgaat na herhaalde ingebrekestellingen. Het vertrouwen van handelspartners houdt niet pas op te bestaan bij de eerste daad van gedwongen tenuitvoerlegging, maar reeds op het moment dat het geduld is uitgeput en het invorderingstraject wordt aangevat. Het gegeven dat een schuldeiser, nadat een vonnis is verkregen of een eerste bevel tot betaling werd betekend, alsnog (deel)betalingen aanvaardt, heeft geen doorslaggevende betekenis. Een schuldeiser die reeds het invorderingstraject heeft ingezet, zich reeds heeft voorzien van een uitvoerbare titel en weet dat er onoverkomelijke financiële problemen bij zijn schuldenaar bestaan, zal elke kans op snelle deelbetaling grijpen. Als hij dat niet doet, ontvangt hij wellicht niets en wordt een andere schuldeiser in de rij betaald. Hieruit kan geen “vertrouwen” afgeleid worden. Een schuldeiser die vertrouwen heeft in zijn handelspartner, heeft geen nood aan dwangmaatregelen om “vrijwillige” betalingen te bekomen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Staking van betaling en geschokt krediet Fiche 3 Wanneer de beslagberichten de betaalagenda van de onderneming bepalen, is er geen normale bedrijfsvoering meer mogelijk en is dit minstens een aanwijzing van duurzame staking van betaling. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: duurzame staking van betaling Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer heeft volgend vonnis verleend: . Partijen in het geding . Mr. [G], in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van [NV MCG] Eiser q.q. . EN . [NV MCG] , Verweerster Hebbende als raadsman mr. [DB] . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 25 juli

  1. Bij beschikking van 2 september 2025 heeft de rechtbank, in overeenstemming met artikel 747, §1 Ger.W., de conclusietermijnen tussen partijen afgesproken bekrachtigd en heeft zij de rechtsdag bepaald. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 10 maart 2026 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN . 2.
  2. [NV MCG] (hierna “verweerster”) werd bij vonnis van 4 februari 2025 door de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, failliet verklaard. Mr. [G] (hierna “eiser q.q.”) werd als curator aangesteld. In het faillietverklarend vonnis wordt de datum van staking van betaling geplaatst op 27 januari
  3. Eiseres q.q. is van oordeel dat het tijdstip van staking van betaling in hoofde van gefailleerde dient te worden teruggesteld naar 4 augustus
  4. 2.
  5. Eiser q.q. ging over tot dagvaarding van verweerster op 25 juli
  6. . III. DE VORDERINGEN . 3.
  7. Eiser q.q. vordert in zijn laatste conclusie, neergelegd op 12 februari 2026: “De vordering van concludent QQ ontvankelijk en gegrond te verklaren. Het tijdstip waarop de Gefailleerde is opgehouden te betalen te vervroegen naar 4 augustus
  8. In toepassing van artikel XX.107 WER het te wijzen vonnis bij uittreksel bekend te maken in het Belgisch Staatsblad. Ondergeschikt, en dit indien de vordering van concludent QQ zou worden afgewezen, te zeggen voor recht dat de Gefailleerde niet kan worden verwezen in de kosten, hoogstens de kosten te beperken tot de minimale RPV voor niet in geld waardeerbare vorderingen, begroot op 117,73 EUR. Voor het overige als naar recht.” 3.
  9. Verweerster vordert in haar laatste conclusie, neergelegd op 5 maart 2026: “De vordering van eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren ; Eiser zich te horen veroordelen tot de gerechtskosten, aan de zijde van verweerster begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding; Uitspraak te horen doen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en zonder mogelijk van borgstelling of kantonnement, ongeacht de aanwending van enig rechtsmiddel “ . IV. DE BEOORDELING . IV.A. Ontvankelijkheid . 4.
  10. De ontvankelijkheid van de vordering inzake terugstelling van de datum van staking van betaling wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. De vordering is ontvankelijk. . IV.B. De grond van de zaak – datum staking van betaling . 4.
  11. Eiser q.q. is van oordeel dat het tijdstip van staking van betaling van verweerster dient te worden vervroegd en moet worden vastgesteld op 4 augustus 2024, zijnde zes maanden vóór faillietverklaring. Eiser q.q. steunt zich hiervoor op artikel XX.105 2de en 3de lid WER: Dit tijdstip mag door de rechtbank alleen worden vervroegd wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden; deze omstandigheden moeten in het vonnis worden vermeld. Op dagvaarding van de curatoren betekend aan de gefailleerde of op dagvaarding van iedere belanghebbende betekend aan de gefailleerde en aan de curatoren, kan de rechtbank, bij een later vonnis, beslissen die datum te wijzigen. De uitdrukking “dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden”, zoals gebruikt in artikel XX.105, 2de lid WER, verwijst naar de faillissementsvoorwaarden vermeld in artikel XX.99 WER (Cass. 16 mei 2008, C.07.0197.F) Dit tijdstip mag door de rechtbank alleen worden vervroegd wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden; deze omstandigheden moeten in het vonnis worden vermeld (artikel XX. 105, lid 2 WER en zie Cass. 10 november 2006, C.06.0274.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.2/1). Volgens artikel XX.99, 1ste lid, WER bevindt de schuldenaar die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en van wie het krediet geschokt is, zich in staat van faillissement. De faillissementsvoorwaarden zijn vervuld wanneer een onderneming haar eisbare schulden niet betaalt of waarvan vaststaat dat zij haar schulden op korte termijn niet zal kunnen voldoen, omdat zij niet in staat is bij gebrek aan eigen middelen of krediet haar verbintenissen na te leven (Cass. 18 februari 2005, C.03.0508.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.2). De duurzame staking van betaling en het geschokte krediet zijn nauw met elkaar verbonden; de schuldenaar wordt maar geacht in staking van betaling te verkeren wanneer hij geen krediet meer ontvangt of zichzelf een kunstmatig krediet verstrekt (Cass. 5 juni 2020, Nr. C.19.0550.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3). Het op duurzame wijze hebben opgehouden te betalen vereist niet dat de staking van betaling totaal is (Cass. 13 maart 2012, P.11.1426.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.5). Ook indien bepaalde schuldeisers worden betaald, kan gelet op omstandigheden staking van betaling vastgesteld worden (Cass. 5 december 2000, P.99.0203.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001205.4). In beginsel is het onverschillig te weten welke middelen de onderneming aanwendt om haar krediet te handhaven, echter die middelen mogen niet kunstmatig, ongeoorloofd of bedrieglijk zijn (Cass. 17 september 1996, Arr.Cass.1996, 763). . 4.
  12. Eiser q.q. legt zijn stuk 2 voor waarin hij – weliswaar niet alle – ingediende schuldvorderingen chronologisch, per factuur heeft uitgesplitst en telkens met de weergave van de vervaldata van de factuur. Volgens eiser q.q. blijkt uit deze lijst dat er reeds duurzame staking van betaling was in hoofde van verweerster op 4 augustus
  13. Verweerster betwist de toegevoegde waarde van deze lijst en schrijft hierover: “Deze lijst werd niet afgepunt ten aanzien van de rekeninguittreksels en vermeld dus vele posten als zogenaamd onbetaald terwijl deze wel betaald werden. Deze lijst bevat feitelijke fouten, dubbele opnames, foutieve saldi en houdt evenmin rekening met de diverse lopende afbetalingen, afbetalingsplannen en mondelinge akkoorden welke concludent had met diens leveranciers. Het stuk 2 van de curatele heeft onvoldoende bewijskracht daar deze met onvoldoende elementen rekening houdt, zoals aangetoond door de bovenstaande uiteenzetting van concludent.” . 4.
  14. Uit het derde PV van verificatie blijkt een aangegeven passief van 13.725.123,81 EUR waarvan 4.333.170,73 EUR aanvaard als bevoorrecht passief en 1.357.341,62 EUR als gewoon passief. Een bedrag ten belope van 8.034.611,46 EUR is betwist. Het betwistte bedrag blijkt vooral te bestaan uit de vorderingen van [S], [J],[D], [DE] en [E] elk voor een bedrag van 1.217.924,38 EUR, hetzij in totaal 6.089.621,90 EUR. Deze schuldvorderingen werden niet opgenomen in de lijst van de curator onder stuk 2, gelet op het feit dat deze vorderingen voortvloeien uit de faillietverklaring wegens de beëindiging van overeenkomsten en niet uit de loutere niet-betaling van eerdere schulden. . 4.
  15. De rechtbank stelt vast dat de lijst opgesteld door de curator, bestaat uit correct overgenomen gegevens van het derde PV van verificatie. De lijst bevat op het eerste gezicht 169 facturen met een vervaldatum voor of op 4 augustus 2024 voor een bedrag van 1.069.976,78 EUR. In werkelijkheid zijn het 211 facturen aangezien voor schuldeisers [TIS] per lijn meerdere onbetaalde facturen samengebundeld zijn (zie stukken 2.25a, 2.30a, 2.41, 2.64a, 2.84a, 2.125 van de curator). Van deze 211 facturen zijn er 9 betwist door de curator, voor een bedrag van 67.175,16 EUR. Op heden is er aldus een aanvaard passief ten belope van 1.002.801,62 euro dat opeisbaar was op 4 augustus 2024 en samengesteld is uit 202 verschillende facturen van meer dan 50 schuldeisers. Deze facturen zijn op heden onbetaald gebleven. In haar conclusies betwist verweerster 69 “lijnen” van dit stuk, zijnde een bedrag van 634.769,61 EUR, en beperkt ze zich verder tot een algemene formulering dat de lijst “onvoldoende bewijskracht” heeft omdat ze “met onvoldoende elementen rekening houdt”. Verweerster lijkt daarbij geen rekening te houden met de (tweede) aangepaste lijst die door eiser q.q. werd gevoegd bij zijn syntheseconclusie. Dergelijk verweer mist relevantie. De rechtbank kan enkel vaststellen dat deze schuldvorderingen werden aanvaard en dat niet wordt meegedeeld dat deze aangiftes zouden zijn betwist. Zelfs indien rekening zou worden gehouden met de opmerkingen van verweerster over de 69 “lijnen”, waar de rechtbank overigens geen reden toe ziet, dan nog dringt de vaststelling zich op dat er meer dan 100 facturen, goed voor een bedrag van 435.207,18 EUR, vervallen waren op 4 augustus 2024 en nog steeds onbetaald waren op datum faillissement. Zulke omvang en veelheid aan onbetaalde facturen, die allen méér dan 6 maanden vervallen zijn, duidt op duurzame staking van betaling, minstens reeds op 4 augustus
  16. De niet-betaling van de facturen was een louter gevolg van een liquiditeitsgebrek dat duidelijk van blijvende aard was. De betalingen die wel gebeurden waren selectief. Enkel de kritieke leveranciers met het oog op de continuïteit werden nog betaald, evenals de schuldeisers die overgingen tot beslag. Wanneer de beslagberichten de betaalagenda van de onderneming bepalen, is er geen normale bedrijfsvoering meer mogelijk en is dit minstens een aanwijzing van duurzame staking van betaling. . 4.
  17. Het geschokt krediet bedoeld in XX.99 WER is nauw verbonden met het ophouden te betalen (Cass. 7 september 1992, Arr.Cass. 1991-92, 1073; Cass. 10 oktober 1997, Arr. Cass. 1997, 397). Geschokt krediet betekent dat de schuldenaar het vertrouwen van zijn handelspartners en schuldeisers heeft verloren. Het enkele feit dat de schuldenaar niet meer in staat was zijn opeisbare schulden op een voor het handelsleven normale wijze te voldoen, wijst erop dat hij van derden geen middelen ter beschikking kreeg om deze schulden aan te zuiveren en dus dat zijn krediet geschokt is (Gent 9 maart 2015, NjW 2016, 878). Wat een voor het handelsleven normale termijn betreft, kan onder meer gelezen worden in de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. . 4.
  18. Het staat vast dat er sprake was van een geschokt krediet op 4 augustus
  19. Mocht verweerster op 4 augustus 2024 nog over krediet beschikt hebben – quod non –, dan kon zij haar schulden op dat ogenblik voldoen en zouden verschillende schuldeisers zich niet reeds gewend hebben tot rechtbanken en gerechtsdeurwaarders. Eiser q.q. legt een bundel voor waaruit blijkt dat 14 schuldeisers gedwongen uitvoeringsdaden hebben gesteld binnen het jaar voor de faillietverklaring. De RSZ was reeds overgegaan tot gedwongen uitvoering op 1 maart
  20. Zes andere schuldeisers hadden reeds een veroordelend vonnis bekomen, veelal op verstek. Niet zozeer de datum van het beslag of het bevel tot betaling is doorslaggevend. Aan een beslag gaat in beginsel immers een rechterlijke uitspraak vooraf, die volgt op een dagvaarding waartoe een handelspartner doorgaans pas overgaat na herhaalde ingebrekestellingen. Het vertrouwen van handelspartners houdt niet pas op te bestaan bij de eerste daad van gedwongen tenuitvoerlegging, maar reeds op het moment dat het geduld is uitgeput en het invorderingstraject wordt aangevat. Het gegeven dat een schuldeiser, nadat een vonnis is verkregen of een eerste bevel tot betaling werd betekend, alsnog (deel)betalingen aanvaardt, heeft geen doorslaggevende betekenis. Een schuldeiser die reeds het invorderingstraject heeft ingezet, zich reeds heeft voorzien van een uitvoerbare titel en weet dat er onoverkomelijke financiële problemen bij zijn schuldenaar bestaat, zal elke kans op snelle deelbetaling grijpen. Als hij dat niet doet, ontvangt hij wellicht niets en wordt een andere schuldeiser in de rij betaald. Hieruit kan geen “vertrouwen” afgeleid worden. Een schuldeiser die vertrouwen heeft in zijn handelspartner, heeft geen nood aan dwangmaatregelen om “vrijwillige” betalingen te bekomen. Zo kan verwezen worden naar schuldeiser [PA] die weliswaar “afbetalingen” heeft toegelaten, doch enkel nadat zij eerst bewarend derdenbeslag bij de hoofdklant van verweerster, [AM] , heeft gelegd waardoor de ganse werking stokte en slechts wou overgaan tot handlichting op voorwaarde dat een significante deel van de beslagen sommen onmiddellijk aan haar zouden worden vrijgeven. . 4.
  21. Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op: - Met betrekking tot schuldeiser [TIS] stelt verweerster in conclusie dat “in dit dossier nooit enige rappels, aanmaningen of dagvaardingen uitgestuurd werden, waardoor hieruit geen staking van betaling kan blijken”. Uit stuk 4.
  22. van eiser q.q. blijkt dat schuldeiser [TIS] op 7 november 2024 is overgegaan tot dagvaarding voor 64 openstaande facturen, waarvan er 54 vervallen waren vóór 4 augustus
  23. - Met betrekking tot schuldeiser [BG] wordt, ondanks het beweerdelijk feit dat “partijen hebben altijd overeen gekomen met elkaar dat deze facturen in een latere fase konden en mochten betaald worden”, dit niet door verweerster gestaafd. - Met betrekking tot schuldeiser [NA] werd door eiser q.q. het vermeldde bedrag aangepast gelet op de deelbetaling. Het beweerde feit dat het een “foutief opgemaakte factuur” betreft en dat nog niet alle componenten voor de opdracht werden aangeleverd, wordt evenwel door geen enkel stuk gestaafd. - Met betrekking tot schuldeiser [DW] schrijft verweerster hierover in conclusies: “Deze kleinere bedragen (allen sub 1.000 EUR) zijn vermoedelijk een vergetelheid. Deze schuldeiser is zonder meer dranken blijven leveren tot diep in
  24. Concludent wijst op het feit dat in dit dossier nooit enige rappels, aanmaningen of dagvaardingen uitgestuurd werden, waardoor hieruit geen staking van betaling kan blijken.” Echter, de rechtbank stelt vast dat uit stuk 2.20a eiser q.q. blijkt dat de laatste factuur van 28 juni 2024 dateert en het stuk zelf een herinnering betreft, opgemaakt op 30 oktober
  25. Stellen dat deze schuldeiser nog zou leveren tot “diep in 2024” en “nooit enige rappels” zou hebben uitgestuurd is aldus onjuist. - Met betrekking tot schuldeiser [NE] beweert verweerster dat het accountantskantoor tot en met 2024 correct werd betaald en verwijst daarbij naar haar stuk
  26. Uit dit stuk, en uit stuk 2.7 en 2.8 eiser q.q., blijkt evenwel dat twee facturen met vervaldatum 31 juli 2022 onbetaald bleven. Een andere factuur, eveneens uitgeschreven op 1 juli 2022, werd wél betaald, weliswaar zes maanden na vervaldatum, op 9 januari
  27. Dat voor deze nota’s “herhaaldelijk om detail van de uurprestaties [werd] gevraagd” wordt opnieuw niet door verweerster gestaafd. - Met betrekking tot [ML] beweert verweerster dat de factuur van 25 december 2023 wel betaald werd. Zonder betalingsbewijs of boeking kan de rechtbank niet uit dit stuk afleiden dat een factuur betaald is, laat staan wanneer. . 4.
  28. Besluit, uit voormelde vaststellingen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de vordering op grond van artikel XX.105, 2de en 3de lid WER gegrond is. . V. BESLISSING De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van mr. [G] ontvankelijk en gegrond in de hiernavolgende mate: - Zegt voor recht dat in het faillissement van [NV MCG] de datum van staking van betaling bepaald wordt op 4 augustus 2024 - Beveelt de publicatie van dit vonnis door de curator bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad overeenkomstig XX.107, §1 WER. - De rechtbank legt de gerechtskosten, zijnde 632,38 EUR kosten van dagvaarding, ten laste van de failliete boedel. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Hoste en B. Reunis, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 28 april 2026 in aanwezigheid van Z. Foré, griffier bij beschikking hoofdgriffier N. Pettens dd.24/02/2026 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001205.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.