← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260513.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 13 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260513.2 Rolnummer: O/19/00041 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-05-19 Raadplegingen: 161 - laatst gezien 2026-06-18 20:26 Fiche De inhoudingen en stortingen bedoeld in artikel 30bis, § 4, RSZ-wet kunnen niet gelden als basis voor de berekening van het ereloon van de curator. De inhoudingen en stortingen houden een eigen verplichting van de opdrachtgever in en betreft een betaling van schulden waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is wanneer hij deze niet zou betalen. Het uitvoeren van die verbintenis door de opdrachtgever, houdt geen realisatie van actief door de curator in. Deze betalingen vallen de boedel niet te beurt. De rangregeling wordt hierdoor niet beïnvloed. De oorzaak van de rechtstreekse betalingen volgen uit de wet en zijn geen “uitkeringen aan de schuldeiser” vanuit de boedel. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: berekening ereloon curator basis inhouding 30bis RSZ-wet Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.20 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in het faillissement van: [U] BV, waarbij mr. [M] werd aangewezen als curator.

  1. DE RECHTSPLEGING Het faillissementsdossier werd ingezien, in het bijzonder het schriftelijk positief advies van de rechter-commissaris, de heer Bruno Van Verdeghem, dd. 01 april 2026 over de begroting van de staat van ereloon en kosten van de curator. De artikelen 2 en 30 tot en met 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en de bepalingen van boek XX WER werden nageleefd.
  2. HET VERZOEK Bij verzoekschrift neergelegd in het register op 20 maart 2026 verzoekt de curator om het ereloon en de kosten te begroten.
  3. DE BEOORDELING Voor de begroting van de staat van onkosten en ereloon van de curator dient toepassing te worden gemaakt van het koninklijk besluit van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen. Uit het verzoekschrift en de stukken blijkt: • Een berekeningsbasis voor ereloon gerealiseerd actief van 262.689,52 euro, • Er 57.833,06 euro gemaakte aanrekenbare kosten zijn, • de nog aanrekenbare sluitingskosten 391,23 euro bedragen. De curator neemt een gerealiseerd actief op van 262.689,52 euro. Dit gerealiseerd actief zou bestaan uit onder meer 148.817,49 euro “invorderingen”. Van deze 148.817,49 euro werd slechts 99.974,33 euro daadwerkelijk door de curator geïnd. Een bedrag van 48.843,16 euro zou - althans volgens verklaring van de curator waarover geen stukken voorliggen - door de debiteuren van gefailleerde rechtstreeks zijn betaald aan de FOD Financiën en RSZ op basis van de inhoudingsplicht De curator wenst niettemin dat deze 48.843,16 euro geldt als berekeningsbasis voor de berekening van het ereloon. De curator aanziet deze 48.843,16 euro als reeds uitgekeerd dividend aan de schuldeisers. Krachtens artikel 30bis, § 3, eerste lid, RSZ-wet is de opdrachtgever die voor de in § 1 vermelde werken een beroep doet op een aannemer die sociale schulden heeft op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant. Krachtens artikel 30bis, § 3, tiende lid, RSZ-wet is de in deze paragraaf vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid eveneens van toepassing op de sociale schulden van de aannemer of de onderaannemer die ontstaan in de loop van de uitvoering van de overeenkomst. Krachtens artikel 30bis, § 4, eerste lid, RSZ-wet is de opdrachtgever wanneer hij een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, verplicht bij die betaling 35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst. Krachtens artikel 30bis, § 4, vierde lid, RSZ-wet wordt, wanneer deze inhouding en storting correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van een deel of het geheel van de prijs aan een aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, de voormelde hoofdelijke aansprakelijkheid niet toegepast. Krachtens artikel 30bis § 11 RSZ-wet blijven voormelde bepalingen van toepassing in geval van faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers alsook bij cessie, beslag onder derden, inpandgeving, inbetalinggeving of in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de inhoudingen en stortingen bedoeld in artikel 30bis, § 4, RSZ-wet een eigen verplichting in hoofde van de opdrachtgever inhoudt en een betaling betreft van schulden waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is wanneer hij deze niet zou betalen. Het uitvoeren van die verbintenis door de opdrachtgever, houdt geen realisatie van actief door de curator in. Deze betalingen vallen de boedel niet te beurt. De rangregeling wordt hierdoor niet beïnvloed. De oorzaak van de rechtstreekse betalingen volgen uit de wet en zijn geen “uitkeringen aan de schuldeiser” vanuit de boedel. Mochten het uitkeringen zijn, - quod non - zou de rechter-commissaris machtiging moeten verleend hebben, wat in casu geheel niet aan de orde is gezien het wettelijk dwangvoorschrift. Geheel ten overvloede blijkt in concreto overigens uit het ontwerp van rangregeling voorgelegd door de curator dat enkel uitkeringen uit de boedel zullen geschieden aan de bijzonder bevoorrechte en pandhoudende schuldeisers. (Zie in zekere mate naar analogie en uitgebreider Orb.Gent, afd. Gent, 10 april 2025, ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250401.1, zie www.juportal.be ) Voor de inhouding en stortingen voor fiscale schulden geldt dezelfde redenering (zie artikelen 53-59 van het Wetboek van 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen) Het gerealiseerd actief wordt gebracht op 262.689,52 euro - 48.843,16 euro = 213.846,36 euro. Aldus kan de staat van kosten en erelonen begroot worden zoals hierna bepaald.
  4. DE BESLISSING Op die gronden, de tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent, rechtdoende op verzoekschrift : - Begroot het ereloon van de curator op 33.733,20 euro (exclusief BTW). - Begroot de aanrekenbare kosten op 58.224,29 euro. - Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer, samengesteld uit rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken Guy Lucq en Firmin Bulté en is op de buitengewone openbare zitting van 13 mei 2026 uitgesproken door rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van griffier Ann Vriendt. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250401.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.