← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260513.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 13 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260513.4 Rolnummer: O/20/00014 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-05-19 Raadplegingen: 138 - laatst gezien 2026-06-18 20:25 Fiche 1 De onroerende voorheffing voor het kalenderjaar waarin het faillissement wordt uitgesproken, is geen boedelschuld. Dit is wel een schuld in de massa waarvoor aangifte van schuldvordering moet gedaan worden die enkel door de curator kan betaald worden indien zij in nuttige rang komt in de rangregeling. De onroerende voorheffing is verschuldigd door wie eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is op 1 januari van het aanslagjaar. Het belastbaar feit is definitief voltrokken op 1 januari. De datum van de inkohiering en kennisgeving aan de belastingplichtige van de onroerende voorheffing heeft geen relevantie in de discussie omtrent de kwalificatie als boedelschuld. De inkohiering heeft een loutere declaratieve werking, waarbij een reeds bestaande schuld wordt vastgesteld en opeisbaar wordt gemaakt. Het bedrag van 1.433,78 euro wordt uit de boedelkosten geweerd. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: boedelkosten onroerende voorheffing bij faillissement Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - xx.20 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De curator neemt in de boekhoudfiche een bedrag van 35.479,54 euro op bij de boedelkosten onder de omschrijving “onroerende VH boedelkosten”. Dit bedrag werd door de curator betaald op 18 februari 2026 aan de Vlaamse Belastingsdienst. Bij nazicht van de onderliggende stukken blijkt dat hierin 31.784,40 euro achterstallige “registratiebelasting” voor het aanslagjaar 2013 vervat zit, terwijl het faillissement werd uitgesproken in

  1. De debatten worden heropend om de curator toe te laten toelichting te geven, dan wel rechtszettingen te doen indien zij dit nodig acht. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: boedelkosten - registratierechten Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in het faillissement van: [ZIJ] CVBA, waarbij mr. [B] werd aangewezen als curator.
  2. DE RECHTSPLEGING Het faillissementsdossier werd ingezien, in het bijzonder het schriftelijk positief advies van de rechter-commissaris, de heer Philippe Van Laere, dd. 26 februari 2026 over de begroting van de staat van ereloon en kosten van de curator. De artikelen 2 en 30 tot en met 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en de bepalingen van boek XX WER werden nageleefd.
  3. HET VERZOEK Bij verzoekschrift neergelegd in het register op 24 februari 2026 verzoekt de curator om het ereloon en de kosten te begroten.
  4. DE BEOORDELING Voor de begroting van de staat van onkosten en ereloon van de curator dient toepassing te worden gemaakt van het koninklijk besluit van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen. In het verzoekschrift wijst de curator op: • Een berekeningsbasis voor ereloon gerealiseerd actief van 99.138,24 euro, • Dat gemaakte aanrekenbare kosten 54.796,92 euro bedragen, • Dat er geen nog aanrekenbare sluitingskosten zijn. 3.
  5. De curator neemt diverse aanslagen inzake onroerende voorheffing voor het jaar 2020 op in de boedelkosten, terwijl het faillissement is uitgesproken op 7 januari 2020 (zie stukken 7,8,9 en 10 voor een totaalbedrag van 1.433,78 euro). Na interpellatie hierover blijft de curator bij haar standpunt dat deze onroerende voorheffingen voor het aanslagjaar 2020 boedelkost zijn en verwijst naar de “vele aanmaningen van de Vlaamse Belastingdienst” De rechtbank volgt dit niet. Aangezien boedelschulden afbreuk doen aan het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers, dienen zij beperkend te worden uitgelegd. In beginsel kan er slechts sprake zijn van een boedelschuld wanneer de schuld na het faillissement is ontstaan (zie bijvoorbeeld de uitzondering in artikel XX.58 WER) De onroerende voorheffing is verschuldigd door wie eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is op 1 januari van het aanslagjaar (art. 2.1.2.0.1 VCF voorheen art. 251 WIB 92). Het belastbaar feit is definitief voltrokken op 1 januari. De datum van de inkohiering en kennisgeving aan de belastingplichtige van de onroerende voorheffing heeft geen relevantie in de discussie omtrent de kwalificatie als boedelschuld. De inkohiering heeft een loutere declaratieve werking, waarbij een reeds bestaande schuld wordt vastgesteld en opeisbaar wordt gemaakt. Hieruit volgt dat de onroerende voorheffing voor het kalenderjaar waarin het faillissement wordt uitgesproken geen boedelschuld is, doch wel een schuld in de massa waarvoor aangifte van schuldvordering moet gedaan worden die enkel door de curator kan betaald worden indien zij in nuttige rang komt in de rangregeling. Derhalve wordt het bedrag van 1.433,78 euro uit de boedelkosten geweerd. 3.
  6. De curator neemt in de boekhoudfiche een bedrag van 35.479,54 euro op onder de boedelkosten onder de omschrijving “onroerende VH boedelkosten” betaald op 18 februari
  7. Bij nazicht van de onderliggende stukken blijkt dit geen volledig correcte omschrijving te zijn. In voormeld bedrag zijn de onroerende voorheffingen voor de aanslagjaren 2022-2025 ten belope van 5.512,08 euro vervat. Dit zijn inderdaad boedelkosten en kunnen als dusdanig begroot worden. Echter, de curator heeft aan de Vlaamse Belastingdienst eveneens 31.784,40 euro achterstallige “registratiebelasting” betaald voor het aanslagjaar
  8. Op basis van de stukken in het dossier, kan de rechtbank niet afleiden dat dit “boedelkosten” zouden zijn. Aan de curator wordt gevraagd schriftelijk te verduidelijken op welke gronden zij de “registratiebelasting aanslagjaar 2013” als een boedelkost beschouwt. Het staat de curator vrij al dan niet nog rechtszettingen door te voeren, indien zij dat nodig acht.
  9. DE BESLISSING Op die gronden, de tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent, rechtdoende op verzoekschrift : Alvorens te oordelen, wordt aan de curator verzocht te verduidelijken op welke gronden zij de “registratiebelasting aanslagjaar 2013” ten belope van 31.784,40 euro door haar betaald op 18 februari 2026, als een boedelkost beschouwt. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer, samengesteld uit rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken Firmin Bulté en Patrick Dumortier en is op de buitengewone openbare zitting van 13 mei 2026 uitgesproken door rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van griffier Ann Vriendt. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.