← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260513.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 13 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260513.5 Rolnummer: O/23/00463 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-05-19 Raadplegingen: 175 - laatst gezien 2026-06-18 20:25 Fiche 1 Het onbetaald ereloon van een gerechtsmandataris (thans vereffeningsdeskundige) in het kader van een overdracht onder gerechtelijk gezag is geen boedelkost in het navolgend faillissement. De gerechtsmandataris is een schuldeiser in het faillissement. Overeenkomstig artikel XX.155,§1 WER zijn schuldeisers gehouden aangifte te doen van hun schuldvorderingen om in aanmerking te kunnen komen voor een uitdeling. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: betaling ereloon gerechtsmandataris na faillissement Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.20 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Artikel XX.94, §2 WER en de “aanrekening van ereloon” kan naar analogie toegepast worden wanneer blijkt dat de vereffeningsdeskundige die geen overdracht kon bewerkstelligen maar wel alle nuttige voorbereidende werkzaamheden met het oog op een verkoop heeft verricht, wanneer uit de feiten blijkt dat deze voorbereiding een substantiële uitsparing van werk in de hoedanigheid van curator heeft teweeggebracht met betrekking tot hetzelfde te realiseren actief. Het forfaitair bepaald ereloon voor curatoren op basis van gerealiseerd actief dekt onder meer de prestaties noodzakelijk om tot verkoop te kunnen overgaan (inventarisatie, zoeken kopers, organisatie biedproces, waardering, boekhoudkundige analyse, in kaart brengen van contractanten enzovoort). Het is kennelijk onredelijk om in hoedanigheid van gerechtsmandataris elke geleverde prestatie inzake voorbereidende werkzaamheden te laten betalen per uur, om vervolgens de vruchten van deze voorbereidingen nogmaals, zij het onrechtstreeks, te laten honoreren in het navolgend faillissement. Het louter feit dat de verkoopovereenkomst wordt gesloten net vóór het einde van de gerechtelijke reorganisatie, dan wel dat de koop wordt uitgesteld en onmiddellijk na faillietverklaring wordt gesloten, maakt geen verschil wanneer alle voorbereidingen al getroffen zijn in welke functie dan ook. Het louter tijdstip van verkoop doet geen afbreuk aan de ratio legis van artikel XX.94, §2 WER, namelijk vermijden dat er tweemaal kosten en erelonen zouden worden aangerekend voor dezelfde prestaties over dezelfde boedel. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Fiche 3 Voor geen enkele insolventiefunctionaris in welk remuneratiesysteem dan ook, heeft de wetgever ooit gewild dat prestaties dubbel ten laste kunnen worden gelegd van de schuldeisers. Ook niet door het combineren van verschillende remuneratiesystemen, elke met hun eigen berekeningsbasis. Er kan geen misbruik van recht worden gemaakt. Ook niet van het recht op vergoeding. Overeenkomstig artikel 446ter Ger.W. - dat van openbare orde is - begroten advocaten hun ereloon “met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht.” Dit betekent geenszins dat het ereloon naar omvang “bescheiden” moet zijn. Wel mag van een advocaat worden verwacht dat hij oordeelkundig kan inschatten wanneer het kennelijk onredelijk wordt om - door cumulatief gebruik van verschillende remuneratiesystemen - dezelfde prestaties dubbel te laten vergoeden ten laste van de schuldeisers. Artikel 446ter Ger.W. strekt ertoe het vertrouwen van de rechtszoekenden in justitie in het algemeen te versterken. Dit geldt evenzeer voor het vertrouwen van de schuldeisers in de insolventiefunctionaris. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in het faillissement van: [L] waarbij mr. [X] werd aangewezen als curator.

  1. DE RECHTSPLEGING Het faillissementsdossier werd ingezien, in het bijzonder het schriftelijk positief advies van de rechter-commissaris, de heer Paul Boels, dd. 21 oktober 2025 over de begroting van de staat van ereloon en kosten van de curator. De artikelen 2 en 30 tot en met 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en de bepalingen van boek XX WER werden nageleefd.
  2. HET VERZOEK Bij verzoekschrift neergelegd in het register op 17 oktober 2025 verzoekt de curator om het ereloon en de kosten te begroten.
  3. DE BEOORDELING 3.
  4. Voor de begroting van de staat van onkosten en ereloon van de curator dient toepassing te worden gemaakt van het koninklijk besluit van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen. De curator verzoekt de staat van onkosten ereloon te begroten op basis van: • een berekeningsbasis voor ereloon gerealiseerd actief van 18.012,61 euro, • gemaakte aanrekenbare kosten van 11.034,09 euro + aanrekenbare sluitingskosten 370 euro. 3.
  5. De rechtbank stelt vast dat verzoekster in de boedelkosten haar staat van ereloon en kosten op voor prestaties geleverd als gerechtsmandataris voorafgaand aan het faillissement, heeft opgenomen. Het opgenomen ereloon voor haar prestaties als gerechtsmandataris bedraagt 4.979,88 euro meer de btw ten bedrage van 1.045,77 euro. Thans wordt verzocht het ereloon voor haar prestaties als curator te begroten op 5.403,78 euro. . 3.
  6. Deze zaak raakt de problematiek van het ereloon van de gerechtsmandataris (thans vereffeningsdeskundige) in combinatie met het ereloon van de curator, in een situatie waarin geen overdracht tot stand kon worden gebracht en waarbij dezelfde persoon zowel als gerechtsmandataris en als curator optrad. De rechtbank gaat vooreerst na of dit ereloon van de gerechtsmandataris kan worden gekwalificeerd als “boedelkost” in het navolgend faillissement. Vervolgens gaat de rechtbank na of de vaststellingen enige invloed hebben op de begroting van het ereloon voor de prestaties als curator. De rechtbank onderzoekt ambtshalve alle omstandigheden die relevant zijn voor de insolventieprocedure (XX.7 WER). . 3.
  7. Mevrouw [L] baatte één damesboetiek uit. Er is één deeltijdse werknemer, zijnde de moeder van mevrouw [L] Bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, van 28 maart 2023 werd de procedure tot gerechtelijke reorganisatie van mevrouw [L], geopend met als doelstelling een overdracht onder gerechtelijk gezag. Verzoekster werd aangesteld als gerechtsmandataris gelast met het organiseren en het realiseren van de overdracht. De duur van de opschorting werd bepaald op 2 maanden, namelijk tot en met 28 mei
  8. In communicatie met “kandidaten” mailt verzoekster onder meer “U kan op alles samen bieden of u kan enkel op bepaalde onderdelen bieden, vb. enkel op de overname van de naam, de huur, de webshop en domeinnaam, de stock en de winkelinrichting.” . 3.
  9. Op 26 april 2023 legt mevrouw [L] zelf een verzoek tot voortijdige beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie neer. Zij stelt dat er “nieuwe schulden” zijn ontstaan, dat “de verkoop geheel is stilgevallen”, dat de verliezen zich opstapelen en dat de “situatie als uitzichtloos wordt geëvalueerd”. Verder stelt zij dat “er geen kasgelden beschikbaar zijn voor welke danige verdere kost te betalen” en de continuïteit niet langer “kan verzekeren”. Samen met dit verzoek legt mevrouw [L] de boeken neer en doet aangifte van staking van betaling op 26 april
  10. Op het ogenblik van het neerleggen van het verzoekschrift voortijdige beëindiging had verzoekster als gerechtsmandataris voor 11u45 prestaties geleverd volgens haar timesheet. . 3.
  11. Verzoekster verzet zich echter tegen de voortijdige beëindiging van de gerechtelijke reorganisatieprocedure. Meer zelfs, op 10 mei 2023 legt verzoekster in haar hoedanigheid van gerechtsmandataris zelf een verzoek tot verlenging van de procedure van gerechtelijke reorganisatie neer en vraagt een bijkomende periode van opschorting van 2 maanden. Er waren geen biedingen binnengekomen tijdens de biedingsronde, doch na afloop hadden zich blijkbaar vier “geïnteresseerde kandidaten” gemeld. De gedelegeerd rechter maakt in zijn verslag van 21 mei 2023 betreffende het verzoek tot verlenging de bedenking dat de biedingen waar hij kennis van heeft (namelijk één van 3.000,00 euro en één van 500,00 euro) niet van die aard zijn dat dit het verschil tussen de lopende kosten en een mogelijke overnamesom rechtvaardigt . 3.
  12. Bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 30 mei 2023 wordt de gerechtelijke reorganisatie niet verlengd en afgesloten. De rechtbank overweegt “een verlenging van de opschortingstermijn en verderzetting van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie [is] zinloos geworden”. Het faillissement wordt uitgesproken op 30 mei 2023 en verzoekster wordt aangesteld als curator. Bij vonnis van 31 oktober 2023 wordt het ereloon voor de prestaties verricht als gerechtsmandataris bepaald op 4.979,88 euro te vermeerderen met de btw, hetzij een bedrag van 6.025,65 euro. Er worden 26,75 uren aan prestaties aangerekend. . 3.
  13. In het faillissementsbewind legt verzoekster – thans in haar hoedanigheid van curator – op datum van faillietverklaring onmiddellijk een verzoekschrift neer met de vraag tot machtiging tot “dadelijke verkoop” met toepassing van artikel XX.142 WER. In dit verzoekschrift, dat wordt neergelegd op datum van faillietverklaring, stelt de curator onder meer: . “ aangezien verzoeker qq. voordien aangesteld was als gerechtsmandataris in het kader van een procedure gerechtelijke reorganisatie met overdracht onder gerechtelijk gezag mbt de gefailleerde. Aangezien verzoeker qq. in die hoedanigheid een bod ontving op onder andere de website/webshop en sociale media van de gefailleerde www.[...].com , en de daaraan gelinkte stock, klantenlijsten edm… Aangezien verzoeker qq. kort voor het vonnis faillissement ook benaderd werd door een partij die interesse toonde voor (een deel van) het handelsfonds. […]Aangezien bovendien de stock van de gefailleerde (dameskledij) een seizoensprodukt is. Aangezien het momenteel mid-season is. Aangezien het dan ook van belang is voor de boedel om de stock zo snel als mogelijk te kunnen uitverkopen, idealiter zelfs nog ruim voor de soldenperiode. [….] Aangezien de verkoop van de webshop en social media best zo snel mogelijk wordt gerealiseerd gezien anders het risico bestaat dat de leverancier van de website deze offline zou halen wegens betalingsachterstal. Bovendien gaat de verkoop op de webshop verder en dient continuïteit gegarandeerd te worden in de afhandeling van de verkopen.” . Verzoekster wordt op 31 mei 2023 gemachtigd door de rechter-commissaris om “dadelijk” over te gaan tot verkoop. In “het proces-verbaal van inventaris XX.134 WER” dat verzoekster in haar hoedanigheid van curator heeft opgemaakt op 31 mei 2023 noteert verzoekster: “De winkel sloot haar deuren midden mei 2023”. . 3.
  14. In het kader van de faillissementsafwikkeling, organiseert verzoekster – thans in haar hoedanigheid van curator - een “winkelverkoop”. Deze winkelverkoop wordt in handen gegeven van een veilinghuis. De winkelverkoop heeft een bruto opbrengst van 6.177,90 euro, vermeerderd met de btw, hetzij 7.475,26 euro. De overblijvende stockgoederen en inrichting worden verkocht via openbare veiling. Dit brengt 4.787,89 euro op, vermeerderd met de btw, hetzij 5.793,39 euro. De handelsnaam, login sociale media, webshop, domeinnaam www.[...], klantenlijst, mailadressen, logo wordt onderhands verkocht voor 3.500,00 euro, vermeerderd met de btw, hetzij 4.235,00 euro. De kosten van het veilinghuis voor bijstand met betrekking tot de voormelde verkopen bedragen 1.415,85 euro. Op 17 november 2023 betaalt verzoekster 6.025,65 euro vanuit de boedel aan zichzelf uit hoofde van het onbetaald ereloon inzake haar taken als gerechtsmandataris. . 3.
  15. Gelet op de aanwezige kasgelden en verworven intresten, komt het totaal gerealiseerd actief in het faillissement op 14.974,75 euro excl. btw, ofwel 18.012,61 euro incl. btw. Verzoekster begroot de boedelkosten op 11.404,09 euro. In deze boedelkosten zit eveneens het ereloon als gerechtsmandataris ten belope van 4.979,88 euro excl. btw vervat, dat reeds werd betaald. Het ereloon voor de prestaties als curator begroot verzoekster op 5.403,78 euro conform het KB van 26 april
  16. Uit het gevoegde ontwerp van rangregeling blijkt dat er 1.204,74 euro kan uitgedeeld worden aan de schuldeisers. . 3.
  17. Samengevat stelt de rechtbank aldus vast dat 14.974,75 euro excl. btw actief werd gerealiseerd, waarvan 10.383,66 euro excl. btw zou worden besteed aan erelonen voor verzoekster en er finaal slechts 1.204,74 euro aan de schuldeisers kan uitgedeeld worden. Dit in een faillissement waar de schuldenaar zelf nagenoeg onmiddellijk het nutteloos karakter van de gerechtelijke reorganisatie heeft opgeworpen in haar verzoekschrift tot voortijdige beëindiging dat de gerechtsmandataris heeft betwist. Dit alles abstractie makend van het feit dat het passief is opgelopen tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie, volgens verklaring van de schuldenaar. Deze vaststellingen kunnen aanzetten tot reflectie. . 3.
  18. Verzoekster is verschenen in raadkamer na oproeping door de rechtbank in het kader van huidig verzoek tot begroting van het ereloon en kosten van de curator. Er werd onder meer op gewezen: - Dat de rechtbank het ereloon voor de gerechtsmandataris heeft begroot en goedgekeurd in een vonnis dat niet kan genegeerd worden. - Dat het ereloon van de curator in toepassing van het KB van 26 april 2018 wordt begroot op basis van het gerealiseerd actief dat in huidig faillissement ontegensprekelijk 18.012,61 euro bedraagt. - Dat artikel XX.94,2de lid WER niet kan toegepast worden daar het ereloon van de gerechtsmandataris enkel kan aangerekend worden op het deel van het ereloon van de curator dat betrekking heeft op de opbrengst van de overdracht bewerkstelligd door de gerechtsmandataris. In casu is er geen opbrengst gerealiseerd in de fase van gerechtelijke reorganisatie zodat er niet kan “aangerekend” worden. - Dat ondergeschikt het minimum ereloon conform artikel 6,§ 2 KB van 26 april 2018 kan worden toegekend. . 3.
  19. Over de vraag of verzoekster in hoedanigheid van curator op 17 november 2023 haar ereloon als gerechtsmandataris ten bedrage van 6.025,65 euro (5.403,78 euro excl. btw) kon uitbetalen vanuit de failliete boedel, waarvan zij curator was geworden, overweegt de rechtbank het volgende: . 3.13.
  20. Vooreerst is het onbetaald ereloon van een gerechtsmandataris (thans vereffeningsdeskundige) in het kader van een overdracht onder gerechtelijk gezag geen boedelkost in het navolgend faillissement (zie hierover uitgebreid Orb. Gent (afd. Gent) 14 april 2026, O/25/00400, Juportal ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260414.2). De gerechtsmandataris is schuldeiser in het faillissement. . 3.13.
  21. Als het geen boedelkost is, dan kan de betaling van 6.025,65 euro eventueel aanzien worden als een provisionele uitkering van dividend aan een schuldeiser. Om een provisioneel dividend te kunnen uitkeren moet de schuldeiser minstens opgenomen zijn in het passief ten belope van het bedrag dat hij zal ontvangen. Immers, overeenkomstig artikel XX.155,§1 WER zijn schuldeisers gehouden aangifte te doen van hun schuldvorderingen om in aanmerking te kunnen komen voor een uitdeling. . 3.13.
  22. Echter, op basis van de stukken kan de rechtbank niet vaststellen dat er een aangifte van schuldvordering door verzoekster werd ingediend voor het onbetaald ereloon van de gerechtsmandataris of dat op een andere wijze de schuldvordering van verzoekster tijdig zou zijn opgenomen in het passief. Verzoekster dient dit te verduidelijken. Als zou blijken dat de schuldvordering voor het ereloon als gerechtsmandataris is opgenomen in het passief, dan stelt zich het vraagstuk omtrent het bevoorrecht karakter en de plaats in de rangregeling. Meer bepaald stelt zich de vraag of de onbetaalde staat van ereloon en kosten van de gerechtsmandataris die geen overdracht kon bewerkstelligen wel geniet van een voorrecht. Verzoekster dient dit te verduidelijken. . 3.
  23. Uit het voorgaande volgt dat, als zou blijken dat de schuldvordering niet is opgenomen in het passief, meteen vaststaat dat de betaling op 17 november 2023 aan verzoekster ten bedrage van 5.403,78 euro excl. btw onterecht en onverschuldigd was. Dat de rechter-commissaris de betaalstaat voor de deposito en consignatiekas voor deze betaling heeft getekend, doet niet af aan deze gevolgtrekking ten aanzien van de curator zelf. Als zou worden vastgesteld dat de betaling van 4.979,88 euro excl. btw onverschuldigd was, dan moet deze betaling worden beschouwd als een voorafname op het ereloon. Op basis van een gerealiseerd actief van 18.012,61 euro bedraagt het ereloon van de curator 5.403,78 euro excl. btw. De curator heeft in dat geval nog recht op een betaling van 423,90 euro. In dat geval moet de rechtbank niet in concreto nagaan in welke mate een “aanrekening van ereloon” zich opdringt, aangezien de rechtbank in casu dan heeft vastgesteld dat er slechts éénmaal 5.403,78 euro zal ten laste worden gelegd van de failliete boedel. . 3.
  24. In het geval dat zou blijken dat een onbetaalde gerechtsmandataris (thans vereffeningsdeskundige) wel in nuttige rang komt en wel uitdeling kan ontvangen uit de failliete boedel, dan stelt de rechtbank nog het volgende: . 3.15.
  25. Dat naar het oordeel van de rechtbank artikel XX.94, §2 WER en de “aanrekening van ereloon” naar analogie kan toegepast worden wanneer blijkt dat de vereffeningsdeskundige die geen overdracht kon bewerkstelligen maar wel alle nuttige voorbereidende werkzaamheden met het oog op een verkoop heeft verricht, wanneer uit de feiten blijkt dat deze voorbereiding een substantiële uitsparing van werk in de hoedanigheid van curator heeft teweeggebracht met betrekking tot hetzelfde te realiseren actief. Het forfaitair bepaald ereloon voor curatoren op basis van gerealiseerd actief dekt onder meer de prestaties noodzakelijk om tot verkoop te kunnen overgaan (inventarisatie, zoeken kopers, organisatie biedproces, waardering, boekhoudkundige analyse, in kaart brengen van contractanten enzovoort). Het is kennelijk onredelijk om in hoedanigheid van gerechtsmandataris elke geleverde prestatie inzake voorbereidende werkzaamheden te laten betalen per uur, om vervolgens de vruchten van deze voorbereidingen nogmaals, zij het onrechtstreeks, te laten honoreren in het navolgend faillissement. Het louter feit dat de verkoopovereenkomst wordt gesloten net vóór het einde van de gerechtelijke reorganisatie, dan wel dat de koop wordt uitgesteld en onmiddellijk na faillietverklaring wordt gesloten, maakt geen verschil wanneer alle voorbereidingen al getroffen zijn in welke functie dan ook. Het louter tijdstip van verkoop doet geen afbreuk aan de ratio legis van artikel XX.94, §2 WER, namelijk vermijden dat er tweemaal kosten en erelonen zouden worden aangerekend voor dezelfde prestaties over dezelfde boedel. . 3.15.
  26. Deze stelling impliceert evenwel niet dat alle prestaties van de gerechtsmandataris sowieso zouden moeten worden aangerekend op of gecompenseerd met het ereloon van de curator. De rechtbank weet dat dit onderscheiden functies zijn met een enigszins ander takenpakket en dat het welslagen van overdrachten zeker niet steeds te wijten is aan de gerechtsmandataris (thans de vereffeningsdeskundige). Wel zal de rechtbank steeds in concreto dienen na te gaan in welke mate er sprake is van dubbele aanrekening in de vorm van substantiële uitsparing van werk in geval er geen overdracht kon worden bewerkstelligd. De rechtbank kan hiermee rekening houden ofwel bij de begroting van het ereloon van de gerechtsmandataris (vereffeningsdeskundige) ofwel bij de begroting van het ereloon van de curator. . 3.15.
  27. Ter onderbouwing van de noodzaak van voormelde stellingen, kan in deze zaak verwezen worden naar het verzoekschrift “dadelijke verkoop” dat in casu werd neergelegd door de curator op dezelfde dag van faillietverklaring: . “aangezien verzoeker qq. voordien aangesteld was als gerechtsmandataris in het kader van een procedure gerechtelijke reorganisatie met overdracht onder gerechtelijk gezag mbt de gefailleerde. Aangezien verzoeker qq. in die hoedanigheid een bod ontving op onder andere de website/webshop en sociale media van de gefailleerde www.[...].com , en de daaraan gelinkte stock, klantenlijsten edm… Aangezien verzoeker qq. kort voor het vonnis faillissement ook benaderd werd door een partij die interesse toonde voor (een deel van) het handelsfonds.” . Eveneens kan verwezen worden naar de timesheet die gevoegd werd bij het verzoek tot begroting van het ereloon als gerechtsmandataris. Hierin worden door verzoekster in haar hoedanigheid van gerechtsmandataris, prestaties aangerekend voor de voorbereidingen van de vooropgestelde winkelverkoop die zij al heeft ingepland na de faillietverklaring: . “23 mei 2023 : Nabespreking met verzoekster en haar raadsman en RC + navolgende telefonische onderhouden ivm organisatie uitverkoop op 23 juni 23 na vonnis faillissement aangekondigd op 30/05/23: 1u ” . 3.15.
  28. Voor geen enkele insolventiefunctionaris in welk remuneratiesysteem dan ook, heeft de wetgever ooit gewild dat prestaties dubbel ten laste kunnen worden gelegd van de schuldeisers. Ook niet door het combineren van verschillende remuneratiesystemen, elke met hun eigen berekeningsbasis. . Er kan geen misbruik van recht worden gemaakt. Ook niet van het recht op vergoeding. Overeenkomstig artikel 446ter Ger.W. - dat van openbare orde is - begroten advocaten hun ereloon “met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht.” Dit betekent geenszins dat het ereloon naar omvang “bescheiden” moet zijn. Wel mag van een advocaat worden verwacht dat hij oordeelkundig kan inschatten wanneer het kennelijk onredelijk wordt om - door cumulatief gebruik van verschillende remuneratiesystemen - dezelfde prestaties dubbel te laten vergoeden ten laste van de schuldeisers. Artikel 446ter Ger.W. strekt ertoe het vertrouwen van de rechtszoekenden in justitie in het algemeen te versterken (Cass. 9 september 2022, C.21.0346.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220909.1N.3). Dit geldt evenzeer voor het vertrouwen van de schuldeisers in de insolventiefunctionaris. . Er is evident geen enkel beletsel tegen correcte vergoedingen voor prestaties van insolventiefunctionarissen, maar ook dat recht wordt begrensd door de kennelijke onredelijkheid. . 3.15.
  29. Bovenstaande interpretaties dringen zich op, onder meer om te vermijden dat een toestand wordt gecreëerd waarin een gerechtsmandataris die er niet in slaagt een overdracht te realiseren, zich op het vlak van het ereloon in een veel gunstigere positie bevindt dan een gerechtsmandataris die wél een overdracht tot stand heeft kunnen brengen. Zulke situatie aanvaarden, zou kunnen leiden tot ongewenste neveneffecten die de doelmatigheid van insolventieprocedures ondergraven. . De vereffeningsdeskundige mag geen persoonlijk belang hebben bij het onnodig verlengen van gerechtelijke reorganisatieprocedures. Onder meer om die reden wordt van een vereffeningsdeskundige verwacht dat hij zelf de voortijdige beëindiging van de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag vraagt wanneer de schuldenaar kennelijk zelf niet meer in staat is de continuïteit van het geheel of een gedeelte van zijn activa of van zijn activiteiten te verzekeren overeenkomstig het doel van de procedure of wanneer de schorsing niet langer de onderhandelingen over het reorganisatieplan ondersteunt. Die beslissing dient door de vereffeningsdeskundige te worden genomen onafhankelijk van enige overweging met betrekking tot het eigen ereloon. Van een vereffeningsdeskundige mag worden verwacht dat hij op elk ogenblik beoordeelt of de door hem verrichte handelingen daadwerkelijk nuttig zijn in het belang van de schuldeisers, of de daarmee gepaard gaande kosten in redelijke verhouding staan tot de potentiële baten. . 3.
  30. Enkel in het geval dat zou blijken dat verzoekster voor haar ereloon als gerechtsmandataris in nuttige rang komt en wel uitdeling kan ontvangen uit de failliete boedel, wordt gevraagd aan verzoekster om standpunt in te nemen omtrent de mate waarin er aanrekening van het ereloon als gerechtsmandataris zou moeten gebeuren op het ereloon als curator, rekening houdende met de uiteengezette principes onder randnummer 3.15.1 tot en met 3.15.
  31. .
  32. DE BESLISSING Op die gronden, de tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent, rechtdoende op verzoekschrift : Alvorens recht te doen wordt aan verzoekster gevraagd standpunt in te nemen omtrent de door de rechtbank opgeworpen vragen in randnummer 3.13.3 en 3.
  33. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer, samengesteld uit rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken Guy Lucq en Toon Sorgeloos en is op de buitengewone openbare zitting van 13 mei 2026 uitgesproken door rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van griffier Ann Vriendt. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220909.1N.3 ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260414.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.