id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 02 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260602.1 Rolnummer: O/25/00851 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-06-09 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-06-18 18:25 Fiche 1 De loutere vaststelling dat aan de voorwaarden van artikel XX.105, 6de lid WER is voldaan, volstaat om te besluiten dat de voorwaarden tot het vervroegen van de datum van staking van betaling zijn voldaan. Wanneer de voorwaarden gesteld in artikel XX.105, 6de lid WER zijn voldaan, wordt de datum vastgezet op de datum van de aanvang van de feitelijke vereffening, zonder dat daarvoor verder onderzoek nodig is. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: terugstelling datum staking van betaling bij feitelijke vereffening Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.105 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 'Staking van betaling' in hoofde van een ontbonden vennootschap staat vast wanneer de vereffening deficitair is. De aangevatte eindfase van de vennootschap zal sowieso eindigen met schulden die onbetaald blijven. Die staking van betaling is ook duurzaam aangezien er geen continuïteitsperspectief meer is gelet op de aangevatte vereffening die eindig is. Ook bij een feitelijke vereffening is dit het geval. Naar de buitenwereld toe lijkt er continuïteit, doch in realiteit wordt er wetens en willens gehandeld vanuit een discontinuïteitopzet. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Fiche 3 ‘Geschokt krediet' in hoofde van een ontbonden vennootschap staat vast wanneer de vennootschap met miskenning van de rechten van de schuldeisers of in hun nadeel ontbonden wordt, waardoor ze zich kan onttrekken aan de bijzondere verantwoordelijkheden eigen aan de staat van faillissement of aan het in vraag stellen van handelingen die in de verdachte periode zijn verricht, zelfs als de schuldeiser hun wantrouwen niet laten blijken. Bij een feitelijke vereffening worden schuldeisers misleid net om te vermijden dat zij hun vertrouwen zouden verliezen. In beginsel is het onverschillig te weten welke middelen de onderneming aanwendt om haar krediet te handhaven, echter die middelen mogen niet kunstmatig, ongeoorloofd of bedrieglijk zijn. Er kan geen rekening worden gehouden met krediet dat uitsluitend behouden wordt op basis van een schijnconstructie die steunt op een onregelmatigheid, met name een vereffening zonder formeel rechtsgeldig besluit, met rangdoorbrekende betalingen. Zodra de schuldenaar bewust vanuit een discontinuïteitsscenario handelt, moeten de faillissementsvoorwaarden eveneens vanuit die feitelijke – maar verhulde – discontinuïteit worden beoordeeld. De beoordeling moet gebeuren op basis van de werkelijke situatie, niet op basis van een door de schuldenaar kunstmatig gecreëerde toestand om redenen die hem eigen zijn. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, 2de kamer heeft vonnis verleend in de zaak van . Mr. [X] in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van NV [ABC] Hierna “de curator” tegen NV [ABC]., failliet verklaard, […] Hierna “de gefailleerde” En met tussenkomst van: De heer [Y] Vrijwillig tussenkomende partij Voor wie optreedt als raadsman […] Hierna “de bestuurder” .
- INFORMATIE OVER DE PROCEDURE Het geding werd ingeleid bij dagvaarding van 22 juli
- De bestuurder is tussengekomen middels een verzoekschrift van 4 september
- Er werden conclusietermijnen bepaald bij beschikking van 19 september 2025 in toepassing van artikel 747, §1 Ger.W. Mr. [G] stelt te verschijnen voor de NV [ABC]. in zijn hoedanigheid van voormalig vereffenaar van de NV [ABC]. en ondertekent in die hoedanigheid het verzoek tot het bepalen van een rechtsdag. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 17 maart 2026 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. .
- CONTEXT VAN HET GESCHIL EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN . 2.
- De NV [ABC]. was actief in de havens van Gent en Le Havre en ontplooide activiteiten inzake opslag en overslag van bulkgoederen. Zij behoort tot een groep van vennootschappen waartoe onder meer ook de vennootschappen [ABC International] en [GAD] behoren. Op de bijzondere algemene vergadering van 8 februari 2023 werd besloten tot de formele ontbinding en vereffening van de NV [ABC]., waarbij mr. [G] werd aangesteld als vereffenaar. Op 14 februari 2025 doet de vereffenaar van de NV [ABC] aangifte van staking van betaling. Hij stelt in een verslag voorafgaand aan de aangifte: “het betreft een deficitaire vereffening. De schuldeiser heeft aangegeven geen vertrouwen te hebben in de vereffening, zij het dat dit voorwaardelijk werd uitgedrukt. In elk geval is de vereffenaar van oordeel dat bepaalde transacties in 2021, nader omschreven in het schrijven van 14 februari 2025, verder moeten onderzocht worden, en dat dit, in het belang van de schuldeisers, het best kan gebeuren door een curator.” Bij vonnis van 14 februari 2025 wordt de NV [ABC] failliet verklaard en wordt mr. [X] aangesteld als curator. Er zijn slechts twee schuldeisers, enerzijds [CEMENT] die een aangifte van schuldvordering heeft ingediend van 14.357.623,90 euro en anderzijds [HAVEN], die een aangifte van schuldvordering heeft ingediend van 1.782.839,65 euro (zie stuk 8 curator). 2.
- Op 22 juli 2025 gaat de curator over tot dagvaarding van de gefailleerde en vordert hij, op grond van artikel XX.105, 6de lid WER, dat de datum van staking van betaling wordt vervroegd tot 31 januari
- Er zou sprake zijn van een feitelijke vereffening die werd aangevat op 31 januari 2021 met de bedoeling de schuldeisers van gefailleerde te benadelen. De curator stelt dat op 1 februari 2021 het volledige handelsfonds van gefailleerde werd verkocht aan de zustervennootschap NV [ABC International] en diens dochtervennootschap. Tussen 30 april 2021 en 4 juni 2021 werd hiervoor door gefailleerde 1.529.863,00 euro ontvangen. Van deze koopsom werd op 8 juni 2021 een bedrag van 1.356.968,99 euro door gefailleerde aan een andere zustervennootschap, [GAD] betaald ter aanzuivering van een beweerde lening. Na de overdracht van het handelsfonds op 1 februari 2021 ontplooide gefailleerde geen enkele activiteit meer en werd zij slapend gehouden. Op 8 februari 2023 werd gefailleerde dan vrijwillig in vereffening gesteld. De vereffenaar zou mogelijk verdachte transacties vastgesteld hebben, waardoor hij heeft geopteerd voor een faillissement. Volgens de curator werd een sterfhuisconstructie opgezet nadat gefailleerde in 2019 werd geconfronteerd met enerzijds een omvangrijk geschil met [CEMENT] en anderzijds met de onmogelijkheid om de lopende havenrechten aan [HAVEN] te voldoen. In dat verband werd gefailleerde onder meer op 20 september 2019, 12 mei 2020 en 13 oktober 2020 door [CEMENT] gedagvaard. [CEMENT] stelde gefailleerde aansprakelijk voor de constructie van gebrekkige silo’s en vorderde een schadevergoeding ten belope van 12.225.730,00 euro. Dit bedrag steunde op de schadebegroting vervat in het eindverslag van een aangestelde gerechtsdeskundige. Hoewel in deze procedure nog geen definitieve uitspraak was gewezen, waren volgens de curator de procesrisico’s op 1 februari 2021 reeds voldoende duidelijk en voorzienbaar. Tegen die achtergrond zou door gefailleerde beslist zijn om alle handelsactiviteiten over te hevelen naar een zustervennootschap en de schulden ten aanzien van verbonden vennootschappen prioritair te voldoen, teneinde te vermijden dat nog enig verhaal mogelijk zou zijn zodra [CEMENT] een definitieve veroordelende titel zou verkrijgen. De activa werden op die manier veiliggesteld en de overige schuldeisers werden proactief achtergesteld. De curator stelt onder meer “Door de stopzetting van alle activiteiten, de overdracht van het integrale handelsfonds aan de verbonden vennootschap NV [ABC INTERNATIONAL] en de uitkering van het gros van de koopsom aan de verbonden vennootschap [GAD], bleef slechts een lege huls / sterfhuis achter die/dat op geen enkele wijze het maatschappelijk doel nog zou (kunnen) verwezenlijken. […] het is zonneklaar dat de enige ‘incentive’ voor het ontmantelen van de gefailleerde erin bestond dat men de spreekwoordelijke bui zag hangen en men de vlucht vooruit heeft genomen” 2.
- De bestuurder betwist dat een sterfhuisconstructie werd opgezet. In essentie stelt hij dat in 2021 nooit kon vermoed worden dat de hangende gerechtelijke procedures tegen [CEMENT] dergelijke wending zouden nemen. In voorverslagen had de gerechtsdeskundige de indruk gegeven te opteren voor een herstelling in natura, hetgeen een beperkte kostprijs zou impliceren. In het eindverslag van 30 november 2022 stelde de deskundige echter “heel laat en tegen alle verwachtingen in” dat alle gebouwde silo’s moeten worden afgebroken en integraal vervangen. Het is doordat de deskundige in 2022 “volkomen onverwacht in een eindverslag het geweer radicaal van schouder verandert” dat tot een begroting van de schade ten belope van meer dan 12 miljoen euro is gekomen. Dit had gefailleerde niet kunnen of moeten verwachten in
- Waar “voorheen wel [toekomstperspectief] was met ernstige hoop op beterschap en op een toekomst voor de vennootschap”, diende gefailleerde eind 2022 “ineens andere beslissingen te nemen in functie van die nieuwe en onverwachte wendingen in de situatie.”. Verder stelt de bestuurder van gefailleerde dat hij nooit het opzet heeft gehad om schuldeisers te benadelen. Op het ogenblik van de verkoop van het handelsfonds waren er geen liquiditeitsproblemen. Alle schulden zijn betaald met uitzondering van de vorderingen van [CEMENT] en [HAVEN], die niet vaststaand en opeisbaar waren op het ogenblik van de terugbetaling van de lening aan [GAD]. 2.
- Mr. [G] die verschijnt als voormalig vereffenaar van de gefailleerde verwijst naar zijn verslag en stelt zich te gedragen naar de wijsheid van de rechtbank wat betreft de vordering van de curator. .
- VORDERINGEN VAN PARTIJEN . 3.
- De curator vordert: “Te zeggen voor recht dat het tijdstip waarop de NV [ABC]. heeft opgehouden te betalen, vervroegd wordt en met name bepaald wordt op 31/01/21; De publicatie van Uw te vellen vonnis te bevelen bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad; Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding.” 3.
- De bestuurder vordert: “Aan de verzoeker akte wordt verleend van zijn vrijwillige tussenkomst in de zaak met rolnummer 0/2025/00851 Derhalve de vrijwillige tussenkomst ontvankelijk is en gegrond; De vordering van de curator tot vervroeging van de datum van staking van betaling wordt afgewezen. De in het faillissementsvonnis vastgestelde datum wordt gehandhaafd; De curator q.q. wordt verwezen in de kosten, aan de zijde van de concludent begroot op de wettelijke rechtsplegingsvergoeding.” 3.
- De gefailleerde heeft geen conclusie neergelegd .
- BEOORDELING . 4.
- Er worden geen middelen over de ontvankelijkheid van de vorderingen of de proceshoedanigheid van partijen opgeworpen. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen in dat verband. De rechtbank verduidelijkt dat mr. [G] geen procespartij is. Dat de dagvaarding aan hem werd “aangezegd” in zijn hoedanigheid van voormalige vereffenaar van gefailleerde, maakt hem niet tot partij. De vertegenwoordiging van partijen wordt door partijen niet in vraag gesteld, zodat de rechtbank hier niet verder op ingaat. . 4.
- Het theoretisch kader omtrent de ingeroepen rechtsgrond . 4.2.
- De curator vordert de datum van staking van betaling te vervroegen op grond van artikel XX.105, 6de lid WER. De gefailleerde wordt geacht op te houden te betalen vanaf het vonnis van faillietverklaring of vanaf de dag van zijn overlijden wanneer de faillietverklaring nadien is uitgesproken. Het tijdstip van staking van betaling kan vervroegd worden. De procedure tot vaststelling van de datum van staking van betaling, beoogt de gelijkheid onder de schuldeisers van de gefailleerde door bepaalde door de gefailleerde na die datum verrichte handelingen aan de massa niet-tegenstelbaar te maken of het mogelijk te maken ze aan de massa niet-tegenstelbaar te doen verklaren (Cass. 25 mei 1978, Arr.Cass. 1978, 1134). Krachtens artikel XX.105, 2de lid WER mag het tijdstip van staking van betaling door de rechtbank alleen worden vervroegd wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden; deze omstandigheden moeten in het vonnis worden vermeld. De datum kan in beginsel maximaal zes maanden vervroegd worden. Artikel XX.105, 6de lid WER voorziet een uitzondering wat betreft een ontbonden rechtspersoon: “Het vonnis mag het tijdstip van staking van betaling niet vaststellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring, tenzij dit vonnis het faillissement betreft van een meer dan zes maanden voor de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. In dat geval kan het tijdstip van de staking van betaling worden vastgesteld op de dag van het ontbindingsbesluit.” . 4.2.
- Deze rechtbank interpreteert artikel XX.105, 6de lid WER als volgt: - De loutere vaststelling dat aan de voorwaarden van artikel XX.105, 6de lid WER is voldaan, volstaat om te besluiten dat de voorwaarden tot het vervroegen van de datum van staking van betaling zijn voldaan. - Wanneer de voorwaarden gesteld in artikel XX.105, 6de lid WER zijn voldaan, wordt de datum vastgezet op de datum van de aanvang van de feitelijke vereffening, zonder dat daarvoor verder onderzoek nodig is. - De in het 6de lid omschreven toestand is in essentie een beschrijving van een faillissementstoestand zoals bedoeld in artikel XX.99 WER (zie hierover uitgebreid Orb. Gent, afdeling Gent 13 januari 2026, juportal, ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260113.1). - ‘Staking van betaling’ in hoofde van een ontbonden vennootschap staat vast wanneer de vereffening deficitair is (vgl. HvB Gent 26 april 2004, TBH 2005, 276, overweging 2.1.2). De aangevatte eindfase van de vennootschap zal sowieso eindigen met schulden die onbetaald blijven. Die staking van betaling is ook duurzaam aangezien er geen continuïteitsperspectief meer is gelet op de aangevatte vereffening die eindig is. Ook bij een feitelijke vereffening is dit het geval. Naar de buitenwereld toe lijkt er continuïteit, doch in realiteit wordt er wetens en willens gehandeld vanuit een discontinuïteitopzet. - ‘Geschokt krediet’ in hoofde van een ontbonden vennootschap staat vast wanneer de vennootschap met miskenning van de rechten van de schuldeisers of in hun nadeel ontbonden wordt, waardoor ze zich kan onttrekken aan de bijzondere verantwoordelijkheden eigen aan de staat van faillissement of aan het in vraag stellen van handelingen die in de verdachte periode zijn verricht, zelfs als de schuldeiser hun wantrouwen niet laten blijken (Cass. 5 juni 2020, C.19.0550.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3). Bij een feitelijke vereffening worden schuldeisers misleid net om te vermijden dat zij hun vertrouwen zouden verliezen. In beginsel is het onverschillig te weten welke middelen de onderneming aanwendt om haar krediet te handhaven, echter die middelen mogen niet kunstmatig, ongeoorloofd of bedrieglijk zijn (Cass. 17 september 1996, Arr.Cass.1996, 763). Er kan geen rekening worden gehouden met krediet dat uitsluitend behouden wordt op basis van een schijnconstructie die steunt op een onregelmatigheid, met name een vereffening zonder formeel rechtsgeldig besluit, met rangdoorbrekende betalingen. Zodra de schuldenaar bewust vanuit een discontinuïteitsscenario handelt, moeten de faillissementsvoorwaarden eveneens vanuit die feitelijke – maar verhulde – discontinuïteit worden beoordeeld. De beoordeling moet gebeuren op basis van de werkelijke situatie, niet op basis van een door de schuldenaar kunstmatig gecreëerde toestand om redenen die hem eigen zijn. . 4.2.
- Uit het bovenstaande volgt dat wanneer de rechtbank in het kader van artikel XX.105, 6de lid WER vaststelt dat door de feitelijke vereffening nadeel wordt berokkend “aan de schuldeisers”, zij meteen ook vaststelt dat de vereffening deficitair is en bijgevolg staking van betaling. Immers, als de vereffening niet deficitair is en alles kan betaald worden, met inbegrip van intrest en schadevergoedingen, kan er ook geen nadeel voor schuldeisers bestaan. En wanneer de rechtbank in het kader van artikel XX.105, lid 6 WER vaststelt dat de vereffening wordt ”bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers”, dan stelt zij meteen ook vast dat er geen rechtmatig gewekt vertrouwen is en bijgevolg dat het krediet geschokt is. Met andere woorden, de in artikel XX.105, 6de lid WER omschreven toestand is een beschrijving van een faillissementstoestand zoals omschreven in artikel XX.99 WER. . 4.2.
- Dat er betalingen worden uitgevoerd tijdens “een feitelijke vereffening die is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers”, is niet relevant. Dit om reden dat de middelen die gebruikt worden om te (kunnen) betalen op een foutieve wijze zijn gegenereerd en dit met de bedoeling schuldeisers te benadelen. De betalingen vormen net de ‘benadeling’. Een ontbinding zonder beslissing van de algemene vergadering, evenals een vereffening met uitkeringen in strijd met de wettelijke regels, vormen een fout. Zonder deze opzettelijke fout zouden die betalingen niet mogelijk zijn geweest. Een schuldenaar die enkel kan betalen dankzij eigen foutief handelen en gebruikmakend van een fictief krediet, bevindt zich evenzeer in een toestand van faillissement. Anders oordelen zou impliceren dat een insolvente schuldenaar zich door doelbewuste kunstgrepen kan onttrekken aan de gevolgen van de verdachte periode, hetgeen net in strijd is met het principe fraus omnia corrumpit, dat dient om rangdoorbreking en onrechtmatig handelen te ondervangen. De wetgever heeft dit begrepen en heeft om die uitdrukkelijke reden, het zesde lid toegevoegd aan artikel XX.105 WER. De uitzondering voor de vennootschappen in vereffening werd in de parlementaire voorbereiding gemotiveerd als volgt: “Dit amendement breidt de verdachte periode, ingeval het een faillissement betreft van een vennootschap in vereffening, uit. Twijfelachtige vereffeningen zijn vaak het voorgeborchte van een uiteindelijke faillissementsprocedure. Het spreekt voor zich dat in deze gevallen de voorgaande vereffeningsactiviteiten veelal leidden tot vervreemdingen ten koste van de schuldeisers en van de latere faillissementsboedel. Om de recuperatie van dergelijke nadelige vervreemdingen te vergemakkelijken kan de verdachte periode worden uitgebreid tot voorbij het bepaalde maximum van zes maanden. Derwijze zouden de in de wet bepaalde niet-tegenwerpbaarheden kunnen worden ingeroepen zelfs indien de datum van de staking van betaling zich verder uitstrekt dan de voorgeschreven tijdlimiet, zonder dat (overeenkomstig artikel 18) noodzakelijk een bedrieglijk inzicht of derde-medeplichtigheid dient te worden aangetoond.” (Parl.St. Kamer nr. 330/7, 6-7). En: “Dit amendement beperkt de uitbreiding van de verdachte periode tot enkel die gevallen waar een frauduleuze vereffening het faillissement is voorafgegaan. Indien inderdaad het tijdstip van de staking van betaling kan worden vastgesteld op meer dan zes maanden voor elke vereffening, zal in de toekomst boven alle vereffeningen de dreiging hangen dat bepaalde handelingen niet-tegenwerpbaar worden verklaard. Minnelijke vereffeningen zullen derwijze aanzienlijk moeilijker verlopen, terwijl de ratio legis van het ingediende amendement 40 nu net beperkt was tot de bestrijding van frauduleuze vereffeningen. Dit amendement vereist bijgevolg uitdrukkelijk dat deze bedoeling om de schuldeisers te benadelen moet vaststaan” (Parl.St. Kamer 1995-96, nr. 330/13, 1-2) In het verslag Vandeurzen werd hierover gesteld: “Twijfelachtige vereffeningen zijn vaak het voorgeborchte van een uiteindelijke faillissementsprocedure. Het spreekt voor zich dat in deze gevallen de voorgaande vereffeningsactiviteiten veelal leiden tot vervreemdingen ten koste van de schuldeisers en van de latere faillissementsboedel. Om de recuperatie van dergelijke nadelige vervreemdingen te vergemakkelijken kan de verdachte periode worden uitgebreid tot voorbij het bepaalde maximum van zes maanden. Zo zouden de in de wet bepaalde niet-tegenwerpbaarheden kunnen worden ingeroepen zelfs indien de datum van de staking van betaling zich verder uitstrekt dan de voorgeschreven tijdslimiet, zonder dat noodzakelijk een bedrieglijk opzet of derde-medeplichtigheid dient te worden aangetoond. Deze uitbreiding lijkt trouwens aan te sluiten bij de evolutie in de rechtspraak waarbij de in artikel 442 van de faillissementswet bepaalde termijn niet wordt toegepast op de ontbonden vennootschap waarvan de vereffening nog niet werd afgesloten” (Parl.St. Kamer 1995-96, nr. 329/17, 35) . 4.
- Toegepast op de feiten Op basis van de stukken van het dossier, acht de rechtbank het bewezen dat er een feitelijke vereffening van de NV [ABC]. is aangevat op 1 februari 2021 en dat er aanwijzingen bestaan dat deze werd bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. De toepassingsvoorwaarden gesteld in artikel XX.105, 6de lid WER zijn voldaan, zodat de datum van staking van betaling wordt gesteld op 1 februari
- De vordering van de curator is gegrond. De rechtbank komt op basis van de volgende motieven tot dit oordeel: . 4.3.
- Gefailleerde ontplooide activiteiten in twee vestigingen. Het staat vast dat gefailleerde op 1 februari 2021 het integrale handelsfonds van haar vestiging in de haven van Gent heeft verkocht aan de zustervennootschap [ABC International]. De omschrijving op de verschillende verkoopfacturen laten geen ruimte voor interpretatie: (vrij vertaald) “de overdrachtswaarde van het handelsfonds en het klantenbestand, het geheel van exploitatiematerieel, het geheel van kantoormaterieel, het kantoormeubilair en verbruiksgoederen, de voorraad van klein materieel en gereedschap, diverse onderdelen.”. Tevens staat vast dat gefailleerde op 1 juni 2021 het integrale handelsfonds van haar vestiging in de haven van Le Havre heeft verkocht aan een dochteronderneming van [ABC International]. De factuur vermeldt (vrij vertaald): “Verkoop van een geheel van exploitatie- en kantoormaterieel alsmede diverse goederen overeenkomstig de inventarislijst". Voor deze verkopen heeft gefailleerde samen 1.529.863,00 euro ontvangen. Na deze voormelde overdrachten heeft de gefailleerde geen enkele bedrijfsactiviteit meer uitgeoefend en geen enkele omzet gerealiseerd. Gefailleerde beschikte na deze overdrachten niet langer over activa waarmee nog enige economische activiteit kon worden ontplooid. In die omstandigheden kan de overdracht van het volledige handelsfonds – tot het laatste bureaumaterieel toe – niet anders worden gekwalificeerd dan als een feitelijke vereffening van de vennootschap. Dat er nog enkele klantvorderingen waren die niet werden overgedragen en die door gefailleerde zelf nog moesten worden geïnd, doet geen afbreuk aan het feit dat de feitelijke vereffening reeds was aangevangen en dat de gefailleerde het verwezenlijken van haar maatschappelijk voorwerp had opgegeven. Het is niet vereist dat de feitelijke vereffening reeds volledig of grotendeels is voltrokken. De wet hecht uitsluitend belang aan het tijdstip van ontbinding en het aanvangspunt van de vereffening, niet aan het eindpunt of een tussentijdse stand van zaken van de vereffening. In het bijzonder verslag van 27 januari 2023 met voorstel tot formele ontbinding stelde de bestuurder “De uitoefening van de activiteiten van de vennootschap wordt reeds lange jaren gehinderd door aanslepende geschillen en om die reden werden zij eerder al gestopt”. Er is geen reden om de datum van staking van betaling te plaatsen op 31 januari
- De aanvang van de feitelijke vereffening werd vastgesteld op 1 februari
- Handelingen gesteld op 1 februari 2021 worden gevat door de uitgebreide verdachte periode. Tussenbesluit: De feitelijke vereffening wordt bewezen. Dat deze vereffening een aanvang heeft genomen op 1 februari 2021 wordt eveneens bewezen. . 4.3.
- Er zijn minstens aanwijzingen dat de vastgestelde feitelijke vereffening begin 2021 werd bewerkstelligd met het uitsluitende doel de schulden aan de verbonden vennootschap bij voorrang te voldoen en gefailleerde te ontdoen van haar beslagbare activa met het oog op mogelijk uitvoeringen door schuldeisers [CEMENT] en [HAVEN], zijnde de enige twee schuldeisers die aangiftes hebben ingediend voor respectievelijk 14.357.623,90 euro en 1.782.839,65 euro. Gefailleerde werd gedagvaard door [CEMENT] op 20 september 2019, op 12 mei 2020 en op 13 oktober
- Begin 2021 stelde de bestuurder zelf vast dat de havenvergoeding aan de [HAVEN] niet meer betaald kon worden. Gefailleerde wist welke onvermijdelijke problemen op komst waren en heeft hierop geanticipeerd begin 2021, weliswaar op een foutieve wijze en met een onrechtmatig opzet. Er is geen andere reden denkbaar waarom gefailleerde begin 2021 alle activiteiten overdraagt aan haar zustervennootschap die vervolgens op exact dezelfde locatie, met exact hetzelfde personeel en uitrusting dezelfde activiteiten voortzet. De feitelijke vereffening is een noodzakelijke tussenstap geweest om de voorgenomen benadeling te kunnen voltrekken, namelijk alle verworven liquiditeiten aanwenden om de schulden aan een verbonden vennootschap bij voorrang te betalen. Samen met de curator stelt de rechtbank vast dat de bestuurder in zijn conclusie van 40 pagina’s niet éénmaal ingaat op de vraag waarom gefailleerde in 2021 zo nodig haar volledige handelsfonds moest verkopen aan een zustervennootschap om dezelfde activiteiten op dezelfde wijze verder te zetten. Het antwoord op die vraag is nochtans de essentie van deze zaak. De bestuurder focust in conclusie enkel op de reden waarom zij op 8 februari 2023 heeft beslist tot het formeel in vereffening stellen van de vennootschap. Dit is echter niet relevant. De realiteit is dat gefailleerde in de periode 2020-2021 werd geconfronteerd met een bijzonder complexe problematiek, waarvan de risico’s dermate aanzienlijk waren dat een verdere voortzetting van de activiteiten binnen de bestaande rechtspersoon onverantwoord werd geacht. Het loutere feit dat een vennootschap haar activiteiten niet verderzet wanneer zij geconfronteerd wordt met een onoverkomelijk probleem, kan op zich niet als foutief worden beschouwd. Het stelsel van beperkte aansprakelijkheid en vermogensafscheiding strekt er immers precies toe de risico’s, inherent aan het handelsverkeer, op te vangen. Van bestuurders of aandeelhouders kan redelijkerwijze niet worden verwacht dat zij blijvend inspanningen leveren ten voordele van een vennootschap waarvan vaststaat dat het risico op een slechte afloop op termijn reëel is. Foutief wordt het evenwel om in dergelijke omstandigheden de gevolgen van het nakende onheil uitsluitend af te wentelen op bepaalde schuldeisers en daarnaast de bevriende partijen niet te laten delen in dit verlies. Indien een vennootschap wordt geconfronteerd met een risico dat zij dermate ernstig acht dat een verdere voortzetting van de activiteiten niet langer verantwoord is en zij om die reden haar activiteiten staakt, dient de op dat ogenblik beschikbare nettowaarde te worden voorbehouden aan alle schuldeisers. Tussenbesluit: De gefailleerde heeft met een opzet de feitelijke vereffening georganiseerd. . 4.3.
- Na de ontvangst van de koopsommen werd het overgrote deel doorgestort naar [GAD], een zustervennootschap van gefailleerde. Op 8 juni 2021 werd 1.356.968,99 euro betaald aan [GAD] uit hoofde van een terugbetaling van een lening. De voorafgaande verkopen van het handelsfonds waren noodzakelijk om over deze liquiditeiten te kunnen beschikken. Bovendien blijkt dat gefailleerde zich bewust was dat deze onmiddellijke terugbetaling van de lening mogelijk geviseerd zou kunnen worden. Op 1 juni 2021, één week voor de terugbetaling, werd door gefailleerde en [GAD] een nieuwe leningovereenkomst aangegaan waarin onder meer wordt opgenomen dat deze overeenkomst een eerdere leningovereenkomst van 15 november 2019 vervangt. Het openstaande saldo wordt in deze vervangende leningovereenkomst vastgesteld op 1.356.968,99 euro. Onder artikel 4 van de vervangende leningovereenkomst wordt opgenomen (vrij vertaald) “De leningnemer zal het saldo van deze lening terugbetalen op 30/06/2021 ”. Terwijl op basis van de initiële leningovereenkomst van 15 november 2019 kon worden gesteld dat het een lening van onbepaalde duur was geworden. Hieruit volgt aldus dat gefailleerde, één week voor de terugbetaling, een bestaande lening van onbepaalde duur heeft omgezet in een lening die binnen de maand opeisbaar werd en dat de lening dan nog vóór de nieuwe vervaldag werd betaald. De betaling van 1.356.968,99 euro gebeurde op 8 juni 2021 terwijl de lening volgens de nieuwe leningovereenkomst opeisbaar was op 30 juni
- Als gefailleerde wel op geldige wijze in vereffening was gesteld op 1 februari 2021, zodat er wel samenloop werd gecreëerd, dan zou [GAD] nooit 1.356.968,99 euro uit de rangregeling hebben kunnen ontvangen. Door [GAD] bij voorrang alle liquiditeiten toe te kennen, zijn de overige schuldeisers mogelijk benadeeld. Tussenbesluit: Er bestaan (minstens) aanwijzingen dat werd gehandeld met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. . 4.
- Het overige verweer overtuigt de rechtbank niet. 4.4.
- In conclusie tracht de bestuurder een tijdslijn te construeren waaruit zou moeten blijken dat er “gedurende lange tijd een gerechtvaardigd vertrouwen vanwege [ABC] en haar bestuur [was] dat het op termijn goed zou komen”. Verder dat de bestuurder van gefailleerde in het licht van de voorverslagen van de gerechtsdeskundige in 2021 “redelijkerwijze [mocht] uitgaan van een continuïteitsscenario, waarbij enerzijds de problemen zouden worden aangepakt en schulden afgebouwd en de schuldvorderingen geïnd terwijl men de lopende betwistingen […] met vertrouwen aan het afhandelen was”. De rechtbank kan dit niet volgen. Uit de feiten blijkt net dat het bestuur niet is uitgegaan van een “continuïteitsscenario”. Zij heeft in 2021 de activiteiten gestaakt en het volledige handelsfonds verkocht. Diegene die zeker geen vertrouwen had in een goede afloop, was gefailleerde zelf. Gelet op de gekende risico’s kan de stopzetting een verdedigbare beslissing zijn geweest, maar feitelijk vereffenen waarbij de totale verkoopsom wordt uitgedeeld aan een verbonden vennootschap, is dat niet. 4.4.
- Wat de uiteindelijke uitkomst en afrekening zal zijn van de procedures tussen gefailleerde en [CEMENT] is niet relevant voor deze procedure. Enkel de inschatting van de risico’s op het ogenblik van de verkoop en acties die hieraan werden gekoppeld, zijn relevant. Voor de rechtbank bestaat geen twijfel dat de verkopen én de vervroegde terugbetaling van de lening enkel een gevolg zijn van de inschatting van de risico’s. Als later zou blijken dat de huidige vordering van [CEMENT] ten belope van 14 miljoen euro geheel ongegrond is, dan kan dat een invloed hebben in procedures waar de curator vorderingen tot betaling stelt. Echter, voor de huidige procedure volstaat enkel vast te stellen dat er aanwijzingen zijn dat werd gehandeld met het opzet te benadelen. Of er dan daadwerkelijk sprake is van benadeling en hoe groot die benadeling is, behoort tot een ander debat. Of de schulden ten aanzien van [CEMENT] nu vaststaand en opeisbaar waren of niet op het ogenblik van de betaling aan [GAD] is niet ter zake aangezien op het ogenblik van de betaling de feitelijke vereffening was aangevat en de gelijkheid van schuldeisers had moeten worden in acht genomen. Of de resterende klantvordering op[FM] nu wel of niet kan worden ingevorderd, is om dezelfde reden niet relevant. 4.4.
- De bestuurder legt in conclusie vaak de nadruk op de vordering van [CEMENT] doch gaat eraan voorbij dat ook [HAVEN] een vordering heeft van 1.782.839,65 euro. Hiervan was op 31 maart 2021 reeds 494.166,54 euro vervallen en toch werd op 8 juni 2021 enkel betaald aan zustervennootschap [GAD]. Dat gefailleerde wist dat ook de bestaande schuld aan [HAVEN] een probleem was, werd door gefailleerde erkend nog vóór de aanvang van de feitelijke vereffening. In het jaarverslag van 4 december 2020 voor de algemene vergadering met betrekking tot het boekjaar afgesloten op 30 juni 2020 wordt gesteld: (vrij vertaald) “De activiteit van de vennootschap wordt gehinderd door talrijke geschillen die zowel in Gent (erfenisgeschil) als in Le Havre […] opnieuw de kop opsteken. Door deze geschillen kan de vennootschap de vergoedingen voor het bezette vastgoed niet betalen. In afwachting van opheldering over de beslechting van de geschillen, geeft de vennootschap er de voorkeur aan haar activiteiten te beperken”. 4.4.
- Het argument dat gefailleerde een “voorziening” van 700.000,00 euro zou hebben aangelegd in haar boekhouding, is naast de kwestie. Dit is een boekhoudkundige beslissing waartegenover geen activa staan. Schuldeisers worden niet betaald met “voorzieningen” als alle activa reeds uitgedeeld zijn. Dat gefailleerde nog openstaande facturatie heeft tegenover [CEMENT] is niet doorslaggevend. Dit behoort tot de afrekening en de beoordeling van de hoegrootheid van de benadeling. Bovendien heeft dat gegeven geen relevantie ten aanzien van de andere schuldeiser, [HAVEN], die vorderingen heeft waarvan gefailleerde in 2021 reeds wist dat zij deze niet kon betalen. 4.
- De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger.W.). De gefailleerde is de in het ongelijk gestelde partij. Waar artikel 279
(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. .
- BESLISSING De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van mr.[X] in zijn hoedanigheid van curator van de NV [ABC]. ontvankelijk en gegrond als volgt: - Zegt voor recht dat in het faillissement van de NV [ABC] de datum van staking van betaling bepaald wordt op 1 februari
- - Beveelt de publicatie van dit vonnis door de curator bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad overeenkomstig XX.107, §1 WER. - De rechtbank legt de gerechtskosten, zijnde 124,17 EUR kosten van dagvaarding, ten laste van de failliete boedel. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van Laere en J. De Vlieger, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 2 juni 2026 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3 ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260113.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div