id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.777 Rolnummer: A. 60695/XII-2434 Zaak: Arrest 130777 - - 29/04/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-10 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 06:11 Fiche Arrest nr 130.777 van 29 april 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 130.777 van 29 april 2004 in de zaak A. 60.695/XII-
- In zake : de NV RIVO, die woonplaats kiest bij advocaat F. Marck, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 136 tegen : de CV HUISVESTING ANTWERPEN, met zetel te Antwerpen, Italiëlei 17, bus
- tussenkomende partijen :
- de NV STRABAG,
- de NV PIT PROFESSIONELE INNOVATIE TECHNIEKEN,
- de TIJDELIJKE VERENIGING PIT II, die woonplaats kiezen bij advocaat K. Laureyssens, kantoor houdende te Antwerpen, Grote Steenweg 408/4E. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Rivo op 28 oktober 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van tegenpartij om : 'de werken, ingevolge openbare aanbesteding d.d. 9/5/94 behelsend de zware renovatiewerken van het complex E. SASSE, niet te gunnen aan verzoekster maar wel aan een andere bieder en daarbij verzoekster onregelmatig te hebben verklaard'”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 juni 1995; Gelet op de beschikking van 1 september 1995 die de tussenkomsten van de NV Strabag, de NV Pit Professionele Innovatie Technieken en de Tijdelijke Vereniging Pit II, toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; XII-2434-1/12 Gelet op de beschikking van 16 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 september 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 oktober 2003; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Marck, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat J. De Ridder, die loco advocaat J. Dyck verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. Geens, die loco advocaat K. Laureyssens verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de procedure. 1.
- Overwegende dat bij beschikking van 1 september 1995 ook de derde tussenkomende partij PIT II als dusdanig is toegestaan in de debatten tussen te komen; dat over de tussenkomst slechts definitief wordt beslist in het eindarrest; dat te dezen de derde tussenkomende partij als tijdelijke vereniging over geen rechtspersoonlijkheid beschikte en dienvolgens niet op ontvankelijke wijze voor de Raad van State in rechte mocht treden; dat die tussenkomst dienvolgens niet ontvankelijk is; 1.
- Overwegende dat de tweede “memorie van wederantwoord” van 14 maart 1996, ingediend door de verzoekende partij, in antwoord op de memorie in tussenkomst uit de debatten dient te worden geweerd; dat immers geen bepaling van de procedureregeling in een dergelijk stuk voorziet; XII-2434-2/12
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- De verwerende partij schrijft een openbare aanbesteding uit voor renovatiewerken aan het complex Eric Sasse, fase 1, renovatiewerken gevel & dak. De opening van de inschrijvingen vindt plaats op 9 mei
- 2.
- Er blijken drie inschrijvers een offerte te hebben ingediend : - de verzoekende partij met 96.580.390 frank - de tijdelijke vereniging PIT II met 99.339.391 frank - de VMG-De Cock met 99.500.000 frank Na nazicht, wijzigingen en in rekening brengen van leemten door de architect worden de inschrijvingsbedragen : - voor de verzoekende partij : 100.256.437 frank - voor de tijdelijke vereniging PIT II : 102.607.204 frank 2.
- De ontwerper hanteert een norm voor schijnbaar lage eenheids- prijzen en bij brieven van 23 mei 1994 deelt hij aan de drie inschrijvers mee dat in hun offerte abnormale prijzen zijn vastgesteld. Hij vraagt op grond van artikel 25 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, om binnen de twaalf kalenderdagen verantwoording te verstrekken. Voor PIT II gaat het om negen posten, voor VMG-De Cock om zeven posten en voor de verzoekende partij om achttien posten. Voor alle drie de inschrijvers is de bedoelde brief in identieke bewoordingen gesteld, behalve de bijlage die de posten betreft waarover een verantwoording wordt gevraagd. XII-2434-3/12 2.
- Op 24 mei 1994 machtigt de raad van bestuur van de verwerende partij het directiecomité om, onder voorbehoud van instemming door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (hierna : “VHM”), de werken toe te wijzen aan de laagste regelmatige bieder, steunende op het advies van de ontwerper, geformuleerd in het verslag van nazicht der biedingen. 2.
- De verzoekende partij geeft haar verantwoording met een brief van 31 mei
- De ontwerper onderzoekt de verantwoording van de verzoekende partij in zijn verslag (deel 2 - analyse verantwoording lage eenheidsprijzen). Hij aanvaardt de verantwoording voor vijftien posten maar niet voor drie andere posten, Bij post 24.81 -“metselwerk schouwen”-, wordt de volgende commentaar gegeven : “De berekeningswijze van de aannemer vertoont volgende fouten in de berekening * de hoeveelheid steen per m² is verkeerd * de buitenbepleistering en de afwerking is niet mee in de eenheidsprijs vervat * het transport van man en materiaal naar het dak dient mee gerekend te worden * het bouwen van één schouw kost minstens één man/dag. De verantwoordingsnota wordt niet aanvaard daar de inschrijver twee bewerkingen niet rekent bij de nota, nl. het bepleisteren en afwerken van de schouwlichamen. Voor deze werken verwijst de inschrijver naar andere artikels. De meetstaat [van de architect] van deze artikels [bevat] de afwerking van de schouwen niet, de inschrijver heeft bij zijn inschrijving geen wijziging van hoeveelheid in meer gevoegd. Het verschil met de inschrijver en het gemiddelde van de twee andere inschrijvers is zeer groot”; De eenheidsprijs van verzoekster is 10.275 frank tegen 23.500 frank voor PIT, 21.500 frank voor VMG en 17.000 frank voor de raming. Bij post 26.107 “coating” wordt vastgesteld : “De verantwoording is een offerte van een onderaannemer gedateerd 3.5.
- De verantwoording is dezelfde als deze van artikel 25.
- Dat is niet aanvaardbaar gezien het een totaal ander produkt betreft”; De eenheidsprijs van de verzoekende partij beloopt 300 frank tegen 454 frank voor PIT, 825 frank voor VMG en 750 frank voor de raming. XII-2434-4/12 Bij post 33.217 “waterafvoer terrassen” stelt de ontwerper : “De aannemer heeft de offerte van de onderaannemer totaal niet begrepen. Totaal- en eenheidsprijzen worden gemengd gebruikt. ... De eenheidsprijs is abnormaal, niemand boort 208 gaten in beton voor 7.400 fr. en plaatst 1872 tegels voor 3.800 fr. De verantwoording wordt niet aanvaard, enerzijds gezien het gebrek aan inzicht bij de inschrijver van de uit te voeren werken, en anderzijds gezien het grote kostprijsverschil met de andere inschrijvers”. De eenheidsprijs voor verzoekster is 920 frank tegen 8.063 frank voor PIT, 5.250 frank voor VMG en 2.500 frank voor de raming. De ontwerper stelt in zijn verslag van 13 juni 1994 voor, eensdeels, de inschrijving van de verzoekende partij als onregelmatig te beschouwen gezien de vaststelling van abnormale lage eenheidsprijzen die niet afdoende konden worden verantwoord en, anderdeels, de werken toe te wijzen aan de tussenkomende partij, de tijdelijke vereniging PIT II, voor een bedrag van 102.607.204 frank. 2.
- Met een brief van 14 juni 1994 deelt de directeur van de verwerende partij aan de VHM mede dat het directiecomité beslist heeft de aanneming, onder voorbehoud van instemming door de VHM, toe te wijzen aan de tussenkomende partij voor het voormelde bedrag van 102.071.323 frank. 2.
- Bij brief van 27 juli 1994 deelt de VHM aan de verwerende partij mede : “Gelieve de firma nv Rivo aangetekend de beslissing te betekenen met de motivatie van afwijzing alvorens de werken toe te wijzen aan tv PIT II. Hierbij kan u opmerken dat de offerte van de nv Rivo niet in de rangschikking werd opgenomen aangezien de offerte van deze inschrijver klaarblijkelijk lage eenheidsprijzen bevat (art. 25, § 2, van het k.b. van 22.04.1977). De rechtvaardiging van 3 van de 18 door de aannemer te verantwoorden eenheidsprijzen werd niet aanvaard. Art. 25 handelt dus niet enkel over de 15% afwijking, zoals nv Rivo het voorstelt”; Op 6 september 1994 stelt de ontwerper een addendum op aan zijn aanbestedingsverslag van 13 juni 1994, dit na controle van de VHM waarbij vastgesteld is dat het door hem voorgestelde toewijzingsbedrag van 102.607.204 frank dient te worden gewijzigd in 102.620.362 frank. XII-2434-5/12 2.
- Op 9 september 1994 beslist het directiecomité : “- de bieding van de nv Rivo [...] als onregelmatig en derhalve als niet bestaande te beschouwen overeenkomstig het k.b. van 22.04.1977 - de opdracht [...] toe te wijzen aan de tv P.I.T. II, [...] laagste regelmatige bieder, voor een bedrag van 102.620.362 fr., BTW niet inbegrepen”; 2.
- Met een ter post aangetekende brief van 9 september 1994 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij het volgende mede : “Overeenkomstig art. 25 § 3 van het KB van 22/4/1977 laten wij u hierbij weten dat uw offerte onregelmatig werd bevonden daar na grondig onderzoek van de door u gegeven verantwoording de prijzen van de artikelen 24.81 (metselwerk schouwen), artikel 33.217 (waterafvoer terrassen) en artikel 26.107 (coating) abnormaal zijn. In bijlage vindt u een copie van de gemotiveerde beslissing van ons directiecomité van heden waarbij uw offerte als onregelmatig en niet-bestaande werd beschouwd en waarbij de opdracht gegund werd aan de laagst regelmatige inschrijver”; 2.
- De bestreden beslissing van 9 september 1994 luidt onder meer als volgt : “[...] Aangezien volgens het verslag van architect Vanhecke gebleken is dat in de biedingen van de drie inschrijvers meerdere abnormaal lage eenheidsprijzen voorkwamen. Dat aan de inschrijvers gevraagd werd een verantwoording te geven. Dat de verantwoording door de N.V. RIVO werd onderzocht. Drie verantwoordingen kunnen niet worden aanvaard als verduidelijking en/of verklaring. Het betreft volgende artikels : * artikel 24.
- Metselwerk schouwen De verantwoording van de aannemer toont aan dat het bepleisteren en afwerken van het schouwmetselwerk niet voorzien is in de prijs, hoewel uitdrukkelijk gevraagd in het bijzonder bestek. Het ontbreken van deze werken omvat een waarde van 1.442.012 BEF volgens eenheidsprijzen N.V. RIVO. De totale kostprijs van RIVO voor dit artikel in vergelijking met het gemiddelde van de tweede en derde laagste offerte omvat een verschil van 2.616.272 BEF. Indien de wetgeving op de overheidsopdrachten dit zou toelaten, wat niet het geval is, dan zou na verbetering van de foutieve zienswijze van de inschrijver, zijn bedrag verhogen met 1.442.012 BEF. * artikel 33.
- Waterafvoer terrassen. De verantwoording van de aannemer is gebaseerd op een offerte van een onderaannemer. De inschrijver verwerkt de gegevens van de onderaannemer op een abnormale wijze, totaalprijzen, eenheidsprijzen en buisdiameters worden onderling opgeteld en gedeeld door het aantal stuks. De totale kostprijs van N.V. RIVO voor dit artikel in vergelijking met het gemiddelde van de tweede en derde laagste offerte omvat een verschil van 1.193.192 BEF. XII-2434-6/12 Indien de wetgeving op de overheidsopdrachten dit zou toelaten, wat niet het geval is, dan zou na verbetering van de foutieve zienswijze van de inschrijver zijn bedrag verhogen met 3.504.592 BEF. * artikel 26.
- Coating. De verantwoording van de aannemer omvat een dokument van een onderaannemer over een totaal ander produkt en werk, nl. het impregneren van verweerde steen. De totale kostprijs van N.V. RIVO voor dit artikel in vergelijking met het gemiddelde van de tweede en derde laagste offerte omvat een verschil van 207.836 BEF. De verantwoording van de T.V. P.I.T. II op de 9 vastgestelde abnormale lage eenheidsprijzen werd onderzocht en na onderzoek van de verstrekte verantwoording wordt de offerte aanvaard. De verantwoording van VMG-DE COCK op de 7 vastgestelde abnormale lage eenheidsprijzen werd onderzocht en na onderzoek van de verstrekte verantwoordingen wordt de offerte aanvaard. Aangezien uit de verantwoording van de N.V. RIVO blijkt dat 3 van de 18 door architect Vanhecke aangeduide abnormale prijzen, effectief abnormaal zijn. Overwegende dat de vermelde abnormale prijzen met het gemiddelde van de tweede en derde laagste inschrijver een verschil omvatten van 4.017.300 BEF. Overwegende dat indien de wetgeving op de overheidsopdrachten het zou toelaten, wat niet het geval is, dan zou na verbetering van de foutieve zienswijze van de inschrijver, zijn bedrag verhogen met 4.946.604 BEF tot een totaal bedrag van 106.281.529 BEF. Overwegende dat de verstrekte verklaringen de indruk geven van een gebrek aan inzicht van de uit te voeren werken en een gebrek aan ernst die kan verwacht worden van een aannemer die een werk van 100 miljoen wenst uit te voeren in een gebouw waar 194 gezinnen blijven wonen tijdens de werken. Overwegende dat de verstrekte verantwoordingen voor de artikelen 24.81, 33.217 en 26.107 aantonen dat de N.V. RIVO een gebrek aan inzicht heeft over vermelde uit te voeren werken en blijk geven van een gebrek aan ernst voor de uitvoering van een werk van 100 miljoen in een gebouw waar 194 gezinnen blijven wonen tijdens de werken. Aangezien dat de inschrijving van de N.V. Rivo onregelmatig is op grond van de artikelen 20 en 25 van het KB van 22 april 1997 betreffende de overheidsopdrachten voor aannemingen van werken, leveringen en diensten (zoals gewijzigd bij KB van 19 april 1985); Aangezien de rangschikking van de regelmatige inschrijvers zich als volgt voordoet :
- T.V. P.I.T. II 103.571.256 F
- N.V. VMG-DE COCK 104.242.388 F Dat de laagste regelmatige inschrijver de T.V. P.I.T. II is; dat na nazicht wijzigingen en leemten het toewijzingsbedrag voor de T.V. P.I.T. II 102.620.362 F. bedraagt. Ingevolge machtiging van de Raad van Bestuur van 24 mei 1994 beslist het Directiecomité : - de bieding van de N.V. RIVO, Blancefloerlaan 50 te 2050 Antwerpen als onregelmatig en derhalve als niet bestaande te beschouwen overeenkomstig het K.B. van 22/4/1977 - de opdracht tot renovatie van gevel en dak van 194 woongelegenheden in het Complex E. Sasse toe te wijzen aan de T.V. P.I.T. II, Kerkstraat 115 te 2940 Hoevenen, laagst regelmatige bieder, voor een bedrag van 102.620.362 F, B.T.W. niet inbegrepen”; XII-2434-7/12
- Excepties. 3.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat, zo het beroep strekt tot erkenning van een burgerlijk recht of mogelijke gevolgen heeft op een burgerlijk recht de Raad van State niet “bevoegd” is; dat, in zoverre deze opmerking als een exceptie moet worden aangemerkt, zij niet kan worden aangenomen; dat de vordering immers niet kan worden herleid tot een vordering die strekt tot erkenning van een subjectief recht; dat de verzoekende partij voor de Raad van State immers geen schadevergoeding vordert en geen nietigverklaring van een overeenkomst, maar enkel de nietigverklaring van individuele bestuurshandelingen waardoor de verzoekende partij meent te zijn voorbijgegaan, en waaraan zij een gekwalificeerd moreel belang ontleent dat gediend wordt door de gevraagde nietigverklaring; dat de mogelijke gevolgen van een dergelijke nietigverklaring op burgerlijke rechten aan die conclusie geen afbreuk doen; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij voorts opwerpt dat de inschrijving van de verzoekende partij onregelmatig werd verklaard zodat zij geen belang heeft bij haar beroep; dat het antwoord op die exceptie veronderstelt dat hoe dan ook over de middelen wordt beslist; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partijen ten slotte opwerpen dat zij niet kunnen uitmaken welke middelen ingeroepen worden en aldus een exceptie obscuri libelli aanvoeren; 3.3.
- Overwegende dat de uiteenzetting van de middelen in het inleidend verzoekschrift eenentwintig bladzijden beslaat en inderdaad weinig duidelijk is wat de uiteenzetting van rechtsmiddelen betreft; dat de verwerende partij in het verzoekschrift desalniettemin drie middelen heeft onderkend; dat de exceptie als dusdanig niet wordt aangenomen; dat de Raad van State zich wel beperkt tot de bespreking van de voormelde drie middelen;
- Over de gegrondheid van het beroep. 4.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending inroept van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat geen “precieze juridische aanduiding van de grondslag van onregelmatigverklaring” is gegeven in de bestreden beslissing; XII-2434-8/12 4.1.
- Overwegende dat in de aangehaalde bestreden beslissing van 9 september 1994 is aangegeven dat in de offertes van de inschrijvers abnormaal lage eenheidsprijzen voorkwamen, dat verantwoording daarvan is gevraagd en die verantwoording is onderzocht; dat wat de verantwoording van de verzoekende partij betreft, bij drie posten die verantwoording wordt besproken en, met opgave van redenen, de betrokken prijzen als “effectief abnormaal” worden aangemerkt; dat wordt vastgesteld dat haar inschrijving onregelmatig is “op grond van de artikelen 20 en 25 van het KB van 22 april 1997 betreffende de overheidsopdrachten voor aannemingen van werken, leveringen en diensten”; dat de verwijzing naar een besluit van “1997” vanzelfsprekend, in een beslissing van 1994, een verschrijving is; dat bezwaarlijk kan worden betwijfeld dat het toepasselijke koninklijk besluit van 22 april 1977 wordt bedoeld; dat het voornoemde artikel 25 onder meer de regeling van abnormaal lage prijzen bevat die te dezen onbetwistbaar is toegepast; dat aldus op afdoende wijze in de bestreden beslissing de juridische en feitelijke overwegingen zijn vermeld die eraan ten grondslag liggen en de wet van 29 juli 1991 niet geschonden is; dat de verzoekende partij eveneens ter adstructie van haar middel op een verwijzing naar een verkeerd artikel wijst die voorkomt in de brief die de bestreden beslissing begeleidde; dat echter fouten in de kennisgeving geen redenen zijn die tot de onrechtmatigheid van de betrokken beslissing zelf kunnen leiden; dat het middel niet gegrond is; 4.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 25, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 22 april 1977; dat zij vooreerst nader betoogt dat de bestreden beslissing niet zou zijn tot stand gekomen met correcte toepassing van de daarin voorgeschreven handelwijze; Overwegende dat het middel in zoverre niet kan worden aanvaard bij gebrek aan feitelijke grondslag; dat immers artikel 25, § 2, onder meer bepaalt dat, vooraleer het bestuur een inschrijving afwijst wegens haar blijkbaar abnormaal lage eenheidsprijzen, het de betrokken inschrijver per aangetekende brief verzoekt hierover, binnen een termijn van 12 kalenderdagen de noodzakelijke verantwoordingen te verstrekken, waarbij na onderzoek van de gegeven uitleg het bestuur de betrokken inschrijver laat weten welke prijzen nog als abnormaal worden beschouwd; dat te dezen die procedure is gevolgd; dat bij monde van de ontwerper de inschrijvers om verantwoording is verzocht voor hun door de ontwerper als abnormaal bevonden eenheidsprijzen, binnen de twaalf kalenderdagen en zulks onder verwijzing naar het meergemelde artikel 25; dat de gegeven verantwoording is XII-2434-9/12 onderzocht door de ontwerper; dat de verwerende partij ten slotte bij brief van 9 september 1994 aan de verzoekende partij heeft laten weten dat haar offerte onregelmatig is bevonden omdat na onderzoek van de door haar gegeven verantwoording de prijzen van drie posten, die worden vermeld, abnormaal zijn; 4.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij, zij het ondergeschikt, de drie betrokken posten in een bespreking betrekt en kritiek uitoefent op het feit dat de daarin opgegeven eenheidsprijzen abnormaal zouden zijn; Overwegende dat de verzoekende partij vooreerst betoogt dat vergelijkingen met de andere twee inschrijvingen “geen aanvaardbaar motief” uitmaken; dat de verzoekende partij in die stelling niet kan worden bijgetreden; dat overigens het onderzoek van de prijzen niet beperkt is tot die vergelijkingen; dat, wat post 24.
- - “Metselwerk Schouwen” - betreft, uit de beschrijving van deze post in het bestek blijkt dat de buitenbepleistering en de afwerking van de buitenbepleistering in die post begrepen zijn; dat de verzoekende partij die twee bewerkingen niet in haar eenheidsprijs heeft opgenomen; dat dergelijk vereiste, in tegenstelling tot wat zij beweert, niet “dubbelzinnig” is; dat de verzoekende partij voorts stelt dat de verwerende partij artikel 31 en 32 van het voormelde koninklijk besluit van 22 april 1977 had dienen toe te passen; dat zulks niet het geval is; dat artikel 31 immers handelt over verbetering door het bestuur van rekenfouten en kennelijk materiële fouten; dat te dezen geen rekenfout of een kennelijk materiële fout in het geding is; dat anderzijds het artikel 32 de situatie betreft van verbetering door de inschrijver van de hoeveelheid van een post; dat te dezen de verzoekende partij in haar inschrijving de hoeveelheid niet heeft verbeterd; dat ten slotte in deel 2 van het aanbestedingsverslag, -“analyse verantwoording lage eenheidsprijzen - RIVO - 7 en 8”, de ontwerper twee bladzijden heeft besteed aan het onderzoek van de eenheidsprijzen en van de verantwoording ervan; dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord niet ingaat op die analyse en nergens het resultaat van dat onderzoek tegenspreekt; dat de verzoekende partij nergens weerlegt dat zij een verantwoording gegeven heeft voor een ander product, namelijk voor het impregneren van verweerde steen; dat, wat post 33.217 -“waterafvoer terrassen”- betreft, de verzoekende partij evenmin de gegeven beoordeling van de daarin vervatte prijzen weerlegt; dat aldus niet is aangetoond dat de beoordeling van de eenheidsprijzen als abnormaal, op onrechtmatige wijze is gebeurd; dat aldus de aangevoerde schending van artikel 25, § 2, niet wordt aanvaard en het middel wordt verworpen; XII-2434-10/12 4.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending inroept van artikel 1, § 1, en 12, § 1, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheids- opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, doordat de opdracht niet aan de laagste regelmatige inschrijver, te dezen de verzoekende partij, is toegewezen; Overwegende dat de verzoekende partij niet concreet aangeeft op welke wijze het voornoemde artikel 1, § 1, is geschonden; dat het middel dienvolgens in dit onderdeel niet als een rechtsmiddel mag worden beschouwd zodat het in zoverre niet ontvankelijk is; Overwegende voorts dat, gelet op hetgeen voorafgaat, niet is aangetoond dat de verzoekende partij ten onrechte als een onregelmatige inschrijver is aangemerkt; dat dienvolgens niet is gebleken dat niet aan de laagste “regelmatige” inschrijver zou zijn gegund; dat het middel op dat punt niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat geen van de middelen gegrond is; dat het beroep dienvolgens moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de tijdelijke vereniging PIT II wordt verworpen. Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 223,11 euro, komen ten laste van de NV Strabag, de NV Pit Professionele Innovatie Technieken en de tijdelijke vereniging PIT II. XII-2434-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2434-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.777 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.