id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.930 Rolnummer: A. 116622/XIV-8518 Zaak: Arrest 130930 - - 30/04/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-21 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:12 Fiche Arrest nr 130.930 van 30 april 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 130.930 van 30 april 2004 in de zaak A. 116.622/XIV-
- In zake : 1XXX, 2.XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat Ch. BODSON, kantoor houdende te 4000 LUIK, Rue Beeckman 45 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Russische nationaliteit, op 17 januari 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 december 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 19 december 2001; Gelet op de beschikking van 13 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2003 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 november 2003; XIV-8518-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN DE KEER, die loco advocaat Ch. BODSON verschijnt voor de verzoekende partijen, van adjunct-adviseur K. DEBERGH, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen, respectievelijk op 24 december 2000 en 7 maart 2001 en zich vluchteling verklaren, respectievelijk op 27 december 2000 en 7 maart 2001; dat op 13 maart 2001 de minister van Binnenlandse Zaken telkens beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 19 december 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn; - dat de bestreden beslissing betreffende de eerste verzoekende partij is gemotiveerd als volgt: “U, een Russisch staatsburger van Russische origine, verklaart in Rusland problemen te hebben gekend omwille van uw weigering van militaire dienstplicht te vervullen. U heeft op 20 december 2000 het land verlaten en bent op 24 december 2000 in België aangekomen, waar u op 27 december 2001 asiel heeft aangevraagd. U verklaart dat u in 1992 voor het eerst werd opgeroepen. U werd door de medische commissie geschikt verklaard voor militaire dienst, doch u wou uw dienst niet vervullen. U beriep zich op uw zieke moeder en gepensioneerde vader om uitstel te krijgen. U kwam overeen met de militaire commissaris dat u als een soort alternatieve dienst gedurende twee jaar zou werken als chauffeur in de garage van het militaire commissariaat. U moest echter tegen uw zin ook persoonlijke klusjes opknappen voor de commissaris. Toen u in februari 1993 weigerde nog langer onder deze voorwaarden te werken, sloeg de commissaris u en eiste hij dat u een vergoeding zou moeten betalen. U diende hiertegen klacht in bij het militair parket. Het militair parket raadde u aan uw werk voor de commissaris op te geven en uitstel van militaire dienst te bekomen door een medisch onderzoek. De medische commissie verklaarde u ‘beperkt geschikt’ omdat u last had van eczeem. Om de twee jaar werd u opnieuw onderzocht en werd uw uitstel verlengd. Rond 20 november 2000 werd u door twee politiemannen verzocht mee te gaan naar het politiekantoor, waar u te horen kreeg dat u geen gevolg gegeven had aan verscheidene convocaties van het militaire commissariaat voor medische controle. U heeft echter geen dergelijke convocaties ontvangen. De politie heeft u vergezeld naar de medische commissie, waar u deze keer medisch geschikt verklaard werd voor militaire dienst. Gezien u de leeftijd van 27 jaar bereikt had, werd u ingedeeld bij de reservisten. Enkele dagen later werd u opgeroepen om een driedaagse militaire oefening voor reservisten bij te wonen. Na de oefening werden alle reservisten voorgesteld een contract te ondertekenen om als vrijwilliger tegen betaling aan militaire acties deel te nemen. U weigerde en ging naar huis. Op 11 december 2000 werd u opnieuw opgepakt door de politie, die zei dat er opnieuw problemen waren met het militair commissariaat en dat ze de opdracht had u een nachtje in het politiebureau te laten doorbrengen. U bood weerstand hiertegen, waarop u enkele slagen kreeg. De volgende dag bracht de politie u eerst naar het ziekenhuis, waar een hersenschudding werd vastgesteld, en daarna naar het militair commissariaat, waar u een convocatie kreeg voor 13 december
- Op 13 december 2000 werd u op het militair commissariaat zes uur lang onder XIV-8518-2/6 druk gezet om als vrijwilliger deel te nemen aan militaire acties. Men dreigde dat men u als dienstweigeraar gerechtelijk kon vervolgen omdat u zogezegd niet had gereageerd op convocaties voordat u als reservist werd ingedeeld. U was bang om strafrechtelijk vervolgd te worden als dienstweigeraar, dus tekende u het contract. Men zei u dat u na 20 december 2000 opnieuw zou opgeroepen worden. Op 20 december 2000 heeft u het land verlaten. Uit uw verklaringen blijkt dat uw asielaanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel omdat ze geen verband houden met de criteria bepaald bij artikel 1, A, 2) van de Conventie van Genève van 28 juli 1951, met name ras, nationaliteit, politieke of religieuze overtuiging of het behoren tot een sociale groep. Angst voor gerechtelijke vervolging als gevolg van de weigering de militaire dienstplicht te vervullen wordt op zich niet weerhouden als geldig vluchtmotief in de zin van de Conventie van Genève. Bovendien dient te worden vastgesteld dat ernstig getwijfeld kan worden aan de ernst van de gewetensbezwaren die u oppert. Uw gewetensbezwaren lijken u niet te beletten te werken in een fabriek die militaire voertuigen produceert en vrijwillig deel te nemen aan een driedaagse militaire training voor reservisten. Bovendien hebt u in al die jaren, van 1992 tot 2000, geen enkele poging ondernomen om een alternatieve dienst aan te vragen. In tegenstelling tot uw beweringen, blijkt uit de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt dat er wel degelijk alternatieve dienst kan afgedongen worden (bron: e-mail van Center for Civil Society International 24/04/2001). Toen u tenslotte in december 2000 de keuze kreeg tussen een mogelijk strafrechtelijk onderzoek tegen u omwille van dienstweigering en het ondertekenen van een contract om als vrijwilliger zes maanden deel te nemen aan militaire acties heeft u het contract ondertekend. Het is weinig aannemelijk dat u deze keuze zou maken indien uw gewetensbezwaren oprecht zouden zijn. Uit niets blijkt immers dat u effectief zou in beschuldiging gesteld worden of zou veroordeeld worden omwille van dienstweigering. Integendeel zelfs, uit de federale wet ‘over de militaire dienstplicht en de militaire dienst’ van 28 maart 1998 blijkt dat u onmogelijk vervolgd kan worden omwille van dienstweigering. Zo blijkt dat u enkel kan vervolgd worden indien u geen gevolg geeft aan convocaties die aan u persoonlijk werden overhandigd en die door u persoonlijk werden ondertekend (art. 31), wat in uw geval niet gebeurd is. Uit het feit dat u hiervan niet op de hoogte bent, kan afgeleid worden dat u zich nooit heeft laten informeren over de wettelijke bepalingen betreffende de dienstplicht, wat weinig aannemelijk is voor iemand die oprechte gewetensbezwaren zou hebben en acht jaar lang alles in dienst stelt om aan zijn verplichte legerdienst te ontkomen. Bovendien is het merkwaardig dat u op de dienst Vreemdelingenzaken zei dat u pas nadat u het contract getekend had erover begon na te denken dat u geen mensen wilde doden, terwijl u op het commissariaat-generaal verklaarde dat u reeds vanaf het begin er zo over dacht. Al deze elementen ondermijnen op fundamentele wijze de ernst van uw gewetensbezwaren. Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (paspoort, rijbewijs, kerkelijke huwelijksakte, uittreksel werkboekje, convocatie van het militair commissariaat, attest van de militaire kazerne, medisch attest) zijn niet van die aard dat ze hetgeen hiervoor werd uiteengezet kunnen wijzigen.”; - dat in de bestreden beslissing betreffende de tweede verzoekende partij wordt verwezen naar deze betreffende de eerste verzoekende partij; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren dat luidt als volgt: “L’Egalité interne L’article 1 de la loi du 29.07.1991 impose à l’Administration de motiver les actes juridiques unilatéraux à portée individuelle. Comme le rappelle D. Lagasse, motiver une décision c’est l’expliquer et exposer le raisonnement de droit et de faits, le syllogisme qui lui sert de fondement (voir Paul Lewalle, p. 117, Contentieux Administratif). L’article 3 de la loi du 29.07.1991 exige encore que l’Administration indique les circonstances de faits et de droit. Or la décision du CGRA retrace une chronologie inexacte des faits. Le CGRA semble confondre les dossiers puisqu’il soutient, le 19.12.2001, que Monsieur Starkov et son épouse, Madame Malkova, n’auraient introduit une demande d’asile que le 27.12.
- XIV-8518-3/6 Le raisonnement n’apparaît donc plus dans sa totalité puisque nous pouvons douter de la rigeur avec laquelle le dossier a été traité, ainsi que la nature des prémisses qui ont conduit à la prise de cette décision.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de toelichtende memorie verwijzen naar het verzoekschrift tot nietigverklaring; 2.1.
- Overwegende dat in de bestreden beslissing betreffende de eerste verzoekende partij wordt vermeld dat de eerste verzoekende partij op 24 december 2000 in België is aangekomen waar zij “op 27 december 2001 (sic) asiel heeft aangevraagd”; dat de asielaanvraag onmogelijk op 27 december 2001 kan zijn ingediend vermits de bestreden beslissing zelf reeds van 19 december 2001 dateert; dat zowel uit de gegevens van het administratief dossier als uit lezing van de bestreden beslissing betreffende de tweede verzoekende partij blijkt de eerste verzoekende partij op 27 december 2000 asiel heeft aangevraagd; dat de vermelding van “27 december 2001" in de bestreden beslissing betreffende de eerste verzoekende partij manifest een materiële vergissing vormt, die van geen invloed is op de verdere inhoud van die beslissing; dat de verzoekende partijen derhalve geen belang bij het eerste middel kunnen doen gelden; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpen; dat zij aanvoeren dat de eerste verzoekende partij zich aan strafrechtelijke vervolging blootstelde door te weigeren onder de wapens te gaan en haar leven in gevaar bracht indien zij wel onder de wapens zou gaan, dat in Rusland geen werkelijk alternatief voor militaire dienst bestaat, dat de eerste verzoekende partij enkel onder dwang een verbintenis heeft ondertekend om deel te nemen aan gewapende acties, dat zij het land heeft verlaten toen zij haar militaire dienst effectief zou moeten vervullen en dat dit een coherente handelwijze is, dat de eerste verzoekende partij verwijst naar stukken waaruit mishandeling van dienstplichtigen en een gebrek aan burgerdienst in plaats van militaire dienst blijken en dat de beslissing van de commissaris- generaal derhalve op een onjuist motief is gesteund; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de toelichtende memorie verwijzen naar het verzoekschrift tot nietigverklaring; 2.2.
- Overwegende dat in de bestreden beslissing betreffende de eerste verzoekende partij met verwijzing naar een e-mail van het Center for Civil Society International te Washington van 24 april 2001 wordt overwogen dat in Rusland wel degelijk alternatieve dienst kan worden afgedwongen; dat uit die informatie onder meer blijkt dat er weliswaar geen uitgewerkte regeling voor alternatieve dienst bestaat, doch dat in afwachting daarvan eenieder het recht heeft helemaal geen dienst te vervullen wanneer hij bewijst dat legerdienst in strijd is met zijn overtuiging of godsdienst, dat in het ergste geval de oproeping verdaagd wordt totdat de wetgeving over alternatieve dienst zal zijn XIV-8518-4/6 uitgewerkt of dat de mogelijkheid van ongewapende dienst wordt voorgesteld en dat men zich ook tegen dit laatste kan verzetten middels een beroep op de burgerlijke rechtbanken; dat de verzoekende partijen zulks niet weerleggen met de verwijzing naar kwalijke praktijken met dienstplichtigen die in het leger zelf zouden plaatsvinden; dat zij met twee krantenartikels, waarin op het gebrek aan een uitgewerkte regeling van alternatieve dienst wordt gewezen, niet de onjuistheid van voormelde informatie aantonen; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het niet effectief kunnen worden verplicht tot het vervullen van militaire dienst een determinerend motief vormt in de zin dat het de bestreden beslissing betreffende de eerste verzoekende partij kan dragen; dat de kritiek tegen de andere motieven in die beslissing, in het bijzonder tegen de twijfel aan de gewetensbezwaren van de eerste verzoekende partij, derhalve is gericht tegen een overtollig motief, zodat de eventuele gegrondheid van die kritiek niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing betreffende de eerste verzoekende partij; dat het tweede middel in die mate niet ontvankelijk is; Overwegende dat in het tweede middel geen afzonderlijke kritiek tegen de bestreden beslissing betreffende de tweede verzoekende partij wordt gericht; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de toelichtende memorie met een derde en een vierde middel de schending opwerpen, respectievelijk van artikel 41, § 1 van de op 18 juli 1996 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en van de artikelen 6 en 13 van het E.V.R.M.; 2.3.
- Overwegende, daargelaten de vraag naar het toepassingsgebied van de in het derde en het vierde middel aangehaalde bepalingen, dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat zij deze middelen niet in het verzoekschrift tot nietigverklaring konden aanvoeren; dat het derde en het vierde middel niet ontvankelijk zijn;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. XIV-8518-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig april tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-8518-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.930 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.