← België

Arrest 130935 - - 30/04/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.935 Rolnummer: A. 98622/XIV-1019 Zaak: Arrest 130935 - - 30/04/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-21 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:12 Fiche Arrest nr 130.935 van 30 april 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 130.935 van 30 april 2004 in de zaak A. 98.622/XIV-

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat Ch. DIERCKX, kantoor houdende te 4020 Luik, Quai du Condroz 11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazachse nationaliteit, op 21 december 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 november 2000 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 1 december 2000; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 februari 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 21 oktober 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2003; XIV-1019-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. BREPOELS, die loco advocaat Ch. DIERCKX verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur Ch. LECHAT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 25 mei 2000 en zich dezelfde dag vluchteling verklaart; dat op 25 juli 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 22 november 2000 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene, een Kazachs staatsburger van Russische afkomst, zou op 20 mei 2000 samen met haar minderjarig kind Kazachstan verlaten hebben richting België. Betrokkene zou op 25 mei 2000 in België aangekomen zijn, waar ze dezelfde dag het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is niet in het bezit van een geldig identiteitsdocument. Volgens betrokkenes verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken (dd. 7 juli 2000) zou ze Kazachstan verlaten hebben omdat ze er problemen had omwille van haar Russische origine. Op de dienst Vreemdelingenzaken stelde betrokkene in het algemeen dat vele Russen gediscrimineerd worden door Kazachen. De problemen zouden begonnen zijn op 26 april 1999 toen betrokkene aangevallen werd door twee Kazachen. Betrokkene zou naar de politie gegaan zijn waar haar klacht aanvankelijk aanvaard werd. In werkelijkheid zou de politie geweigerd hebben om een gerechtelijke zaak te openen. Betrokkene zou nog een telefoon gekregen hebben van haar aanvallers die vertelden dat ze nog met haar zouden afrekenen. Op 7 oktober 1999 zou betrokkenes winkel afgebrand zijn en de brandweerinspectie zou vastgesteld hebben dat het om brandstichting ging. Betrokkene zou opnieuw naar de politie gegaan zijn, maar ze zouden geen onderzoek geopend hebben omdat er geen getuigen waren. Op 11 oktober 1999 zou betrokkene klacht ingediend hebben bij Akimat (een soort van stadsraad) maar betrokkene zou er nooit meer iets van gehoord hebben. Op 1 mei 2000 zouden enkele Kazachen de ramen van betrokkenes appartement ingeslagen hebben. Daarna zou betrokkene beslist hebben om het land te verlaten. Er dient te worden opgemerkt dat de door betrokkene aangehaalde vervolging door de etnisch-Kazachse bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000 en Informatie Kazachstan Cedoca, november 2000; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de Russische bevolkingsgroep. Uit voormelde informatie blijkt dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning, waardoor het op dit niveau voor personen van Slavische afkomst mogelijk is bescherming te krijgen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat mogelijke slachtoffers van dergelijke vervolging niet op bescherming van de Kazachse overheid kunnen rekenen. XIV-1019-2/6 Gezien het bovenstaande kan er in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie worden vastgesteld. De door betrokkene neergelegde documenten (ROVD attest van weigering om een strafzaak te openen, medische expertise, besluit dat er geen strafzaak zal geopend worden in verband met de brand, attest van de brandweer, weigering om strafzaak te openen i.v.m. de gebeurtenis van 26 april 1999, rijbewijs, geboorteakte van betrokkene) wijzigt, gelet op de hiervoor vermelde informatie waar het commissariaat-generaal over beschikt, niets aan hetgeen hiervoor werd uiteengezet. Gezien uit de verklaringen van betrokkene voor de dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat haar asielmotieven strijdig zijn met de op het commissariaat-generaal beschikbare informatie, acht de commissaris-generaal het niet nodig om betrokkene op te roepen voor een interview in dringend beroep. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 25 juli
  5. De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.1.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 1, A) 2, van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat zij aanvoert dat de bestreden beslissing is gesteund op het Missierapport Kazachstan van de immigratieambtenaar van het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat de Kazachse autoriteiten volgens de commissaris-generaal gevoelig zouden zijn voor etnisch geweld waardoor personen van Slavische afkomst bescherming zouden kunnen krijgen, dat alle Kazachse asielaanvragers blijkbaar over dezelfde kam worden geschoren terwijl uit de gegevens en stukken van de verzoekende partij duidelijk blijkt dat zij geweld vanwege etnische Kazachen heeft ondergaan en dat de overheid haar aldaar geen bescherming heeft geboden, dat uit andere door de verzoekende partij geciteerde bronnen echter blijkt dat er wel degelijk een vervolging is van etnische minderheden, dat de hogere autoriteiten daar niets aan doen doch integendeel systematisch etnische Kazachen aanstellen in politie en magistratuur en dat de verzoekende partij derhalve valt onder het toepassingsgebied van artikel 1, A) van de Vluchtelingenconventie; 2.1.
  7. Overwegende dat dient te worden herhaald dat artikel 1, A) van de Vluchtelingenconventie op zichzelf niet volstaat om toepasbaar te zijn zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is; dat die bepaling geen duidelijke en juridisch volledige tekst is die de verdragspartijen of een onthoudingsplicht of een plicht om op een welbepaalde wijze te handelen, oplegt en dat er derhalve een directe werking aan moet worden ontzegd zodat de verzoekende partij de rechtstreekse schending ervan niet dienstig kan inroepen; dat het middel om die reden niet ontvankelijk is; XIV-1019-3/6 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van het redelijkheidsbeginsel en dit toelicht als volgt: “Dat de beslissing dd 22.11.2000 op een al te gemakkelijke manier door verwerende partijen genomen werd zonder nadere ondervraging van verzoekster en verder onderzoek, en dat verwerende partij niet op een redelijke wijze gekomen is tot deze beslissing. Dat, in toepassing van het redelijkheidsbeginsel, wanneer een administratieve beslissing wordt genomen, in casu een bevel om het grondgebied te verlaten, terwijl er een groot gevaar bestaat voor vervolging in de zin van art. 1, A van de Conventie van Genève, gelet op de feitelijke omstandigheden, de etnische afkomst van verzoekster en de huidige situatie in Kazachstan, het aangewezen is dat hiervoor toch een andere ondervraging en verder onderzoek wordt gelast. Dat uit de actualiteit en nieuwsmagazines zoals in het eerste middel vermeld, wordt vernomen welke onredelijke situaties zich voordoen in het vaderland van verzoekster. Dat de Conventie van Genève, in art. 1, A bovenvermelde toestanden beschermt, doch dat de dienst Vreemdelingenzaken en de commissaris-generaal hun beslissing hebben genomen zonder voldoende te staven dat er in het geval van verzoekster geen gevaar zou zijn voor haar in geval van terugkeer naar haar vaderland. Er werd geen nader onderzoek ingelast, noch een nadere ondervraging. Dat verwerende partijen niet voldoende redenen heeft aangehaald om de bescherming van art. 1, A van de Conventie van Genève af te wijzen.”; 2.2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij haar asielrelaas heeft kunnen uiteenzetten bij de dienst Vreemdelingenzaken en in het verzoekschrift tot dringend beroep; dat het asielrelaas van de verzoekende partij in de bestreden beslissing wordt weergegeven en dat de verzoekende partij geen opmerkingen maakt over die weergave; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat het kennelijk onredelijk was haar niet opnieuw te horen op het commissariaat-generaal; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij met verwijzing naar “de actualiteit en nieuwsmagazines zoals in het eerste middel vermeld” stelt dat de bestreden beslissing onvoldoende redenen bevat om de bescherming van artikel 1, A) van de Vluchtelingenconventie af te wijzen; dat in de bestreden beslissing eerst het asielrelaas van de verzoekende partij wordt weergegeven met nadien de beoordeling ervan op grond van de informatie uit het Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar van het ministerie van Binnenlandse Zaken; dat dit rapport blijkt te zijn gesteund op verklaringen van vertegenwoordigers van diverse mensenrechtenorganisaties en dat er naar een reeks van andere verslagen van diverse afkomst wordt verwezen; dat uit die verslagen en verklaringen blijkt dat er geen vervolging als dusdanig van de Slavische bevolking voorkomt in Kazachstan; dat de verzoekende partij met de verwijzing naar een aantal publicaties, waarin dienaangaande een ander standpunt wordt ingenomen, niet aannemelijk maakt dat in de bestreden beslissing op kennelijk onredelijke wijze is beslist tot de afwijzing van de asielaanvraag; dat het middel ook in die mate ongegrond is; 2.3.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending opwerpt van het gelijkheidsbeginsel en dit toelicht als volgt: “Dat door verwerende partij slechts een klein aantal vluchtelingen die asiel aanvragen, machtigt om in het land te blijven. XIV-1019-4/6 Dat het gelijkheidsbeginsel nochtans inhoudt dat allen die in dezelfde omstandigheden verkeren op dezelfde wijze moeten worden behandeld, doch dat in dit geval een onderscheid wordt gemaakt tussen verzoekster en ander gelijkaardige zaken, zonder daarvoor objectieve, redelijke en pertinente gronden kunnen worden verantwoord en in verband kan gebracht worden met het door de regeling nagestreefde doel. Zonder dat het nodige onderzoek of de nodige ondervragingen werden gedaan, wordt besloten dat verzoekster niet onder art. 1, A van de Conventie van Genève valt, terwijl voor anderen een bijkomend onderzoek wordt ingesteld. De personen die asiel aanvragen worden aldus niet op gelijke wijze behandeld, ofschoon er geen objectieve, redelijke of pertinente reden kan worden aangehaald voor het verschil in behandeling. De bestreden beslissing van verwerende partijen werd genomen met miskenning van voornoemd algemeen rechtsbeginsel, hetgeen bijgevolg tot haar nietigverklaring dient te leiden.”; 2.3.
  11. Overwegende dat de schending van het gelijkheidsbeginsel volgens de verzoekende partij hierin zou liggen dat “voor anderen een bijkomend onderzoek wordt ingesteld” doch niet voor haarzelf; dat de verzoekende partij niet aanduidt voor welke vluchtelingen, wier situatie met die van de verzoekende partij kan worden gelijkgesteld, de commissaris-generaal wel een bijkomend onderzoek zou hebben ingesteld; dat uit de bespreking van het eerste middel reeds blijkt dat er geen noodzaak was om de verzoekende partij ook op het commissariaat-generaal te horen; dat het derde middel ongegrond is;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-1019-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig april tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-1019-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.935 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.