← België

Arrest 130936 - - 30/04/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.936 Rolnummer: A. 99901/XIV-1556 Zaak: Arrest 130936 - - 30/04/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-21 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 06:12 Fiche Arrest nr 130.936 van 30 april 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 130.936 van 30 april 2004 in de zaak A. 99.901/XIV-

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat C. SLABBAERT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Stockmansstraat 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 29 januari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 30 december 2000; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2003; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-1556-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die loco advocaat C. SLABBAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 30 december 2000 in België werd aangetroffen bij het plegen van een winkeldiefstal; dat haar op dezelfde dag een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend met de volgende motivering: “- artikel 7, eerste lid, 1/: verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: niet in het bezit van een geldig paspoort, noch visum. - artikel , eerste lid, 3/: wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken of door Van Den Berghe Guido, Adjunct-adviseur, geacht de openbare orde van het land te kunnen schaden: op heterdaad betrapt op winkeldiefstal, pv. Nr. An. 12.23.078564/2000.gf.” 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en dit toelicht als volgt: “Dat conform art. 62 van de vreemdelingenwet de administratieve beslissingen met redenen omkleed dienen te worden. Dat uit de rechtspraak van de Raad van State volgt dat het de wil van wetgever geweest is te eisen dat een individuele bestuurshandeling duidelijk, nauwkeurig en rechtsgeldig zou worden gemotiveerd. Dat de beslissing op onvoldoende wijze gemotiveerd is. Dat de Minister zich enkel beperkt heeft tot een stijlclausule zonder rekening te houden met de situatie waarin verzoeker verkeert.”; 2.1.
  4. Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de verzoekende partij in het Rijk verblijft zonder de vereiste documenten, te weten een geldig paspoort en visum, en dat zij geacht wordt de openbare orde van het land te kunnen schaden vermits zij op heterdaad werd betrapt bij een diefstal; dat met betrekking tot dit laatste feit het P.V.-nummer wordt geciteerd; dat deze motivering niet als een “stijlclausule” kan worden beschouwd; dat de verzoekende partij de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund op eenvoudige wijze in die beslissing kan lezen en ze desgewenst kan aanvechten; dat daarmee aan de vereisten van de in artikel 62 van de Vreemdelingenwet vastgelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht is voldaan; XIV-1556-2/5 2.2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel machtsafwending en de schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur opwerpt en dit toelicht als volgt: “Dat de rechtsleer van oordeel is dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen dat de Minister bij het uitoefenen van enige weigeringsbevoegdheid, zorgvuldig en redelijk te werk moet gaan. Deze zorgvuldigheidsplicht houdt in dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen. Dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.”; 2.2.
  6. Overwegende dat een middel slechts op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd wanneer niet alleen de geschonden geachte bepaling of beginsel wordt aangeduid maar ook wordt uiteengezet op welke wijze die bepaling of dat beginsel met de bestreden beslissing zou zijn geschonden; dat de verzoekende partij in het kort de betekenis vermeldt van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel zonder zulks op de bestreden beslissing te betrekken en dat zij helemaal niets vermeldt over machtsafwending; dat het tweede middel om die reden niet ontvankelijk is; 2.3.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending opwerpt van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) en dit toelicht als volgt: “Het komt verzoeker voor dat zowel op grond van de omstandigheden die verzoeker thans laat gelden, tot de kennelijke onredelijkheid minstens onwettigheid van de weigeringsbeslissing dient te worden besloten en dit wegens schending van de ingeroepen wetsartikelen en algemene rechtsbeginselen. Dat alle toepassingsvoorwaarden van art. 1 van het Verdrag van Genève vervuld zijn. Dat er een subjectieve vrees in hoofde van verzoeker aanwezig is voor zijn leven en zijn fysieke integriteit in het land van herkomst. Dat indien het bevel om België te verlaten uitgevoerd zou worden zulks een moeilijk te herstellen nadeel zou teweegbrengen. Dat verzoeker zijn asielaanvraag baseert op deze van zijn echtgenote, dewelke reeds ontvankelijk verklaard werd door het CGVS.”; 2.3.
  8. Overwegende dat dient te worden herhaald dat de Vluchtelingenconventie op zichzelf niet volstaat om toepasbaar te zijn zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is; dat dit verdrag geen duidelijke en juridisch volledige tekst is die de verdragspartijen of een onthoudingsplicht of een plicht om op een welbepaalde wijze te handelen, oplegt; dat aan dit verdrag derhalve een directe werking moet worden ontzegd zodat de verzoekende partij de rechtstreekse schending ervan niet dienstig kan inroepen; dat het derde middel niet ontvankelijk is; 2.4.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending opwerpt van artikel 8 van het E.V.R.M. en dit toelicht als volgt: XIV-1556-3/5 “Dat beiden gehuwd zijn en art. 8 van het EVRM niet mag miskend worden. Dat het gezin dient herenigd te blijven.”; 2.4.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij gehuwd is met de persoon die zij blijkens het administratief dossier als haar echtgenote opgeeft; dat uit de bespreking van de vorige middelen niet blijkt dat de bestreden beslissing met schending van de Vreemdelingenwet is genomen; dat een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet geen schending van het privé-leven kan inhouden en bijgevolg evenmin van artikel 8 van het E.V.R.M.; dat het middel ongegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig april tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-1556-4/5 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-1556-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.936 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.