id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.938 Rolnummer: A. 121397/XIV-10113 Zaak: Arrest 130938 - - 30/04/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-21 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:12 Fiche Arrest nr 130.938 van 30 april 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 130.938 van 30 april 2004 in de zaak A. 121.397/XIV-10.113 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41/8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 22 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 25 november 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 januari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-10.113-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DELGOUFFRE, die loco advocaat M. MANDELBLAT verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 8 april 2000 en zich op 10 april 2000 vluchteling verklaart; dat op 11 mei 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 22 april 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U beweert een etnische Albanees afkomstig uit Preshevë (Zuid-Servië) te zijn. U zou er passief lid zijn van de Partij van de Toekomst van R. H.. Eind oktober 1999 zou de Servische politie naar uw woning gekomen zijn. U zou toen afwezig geweest zijn. De politie zou uw broer meegedeeld hebben dat u zich op het politiekantoor diende te melden. Eind november 1999 zou u zich dan ook bij de politie aangemeld hebben. Er zou u meegedeeld zijn dat u zich in Nis diende te melden en de politie zou uw identiteitsdocumenten in beslag genomen hebben. Nadien zou uw neef u een convocatiebrief van de politie overhandigd hebben, waarin stond dat u zich in januari 2000 in Nis diende te melden. Een reden zou niet meegedeeld zijn. Daarom zou u besloten hebben Preshevë in maart 2000 te verlaten. Via Kosovo en Albanië, waar u enige tijd zou verbleven hebben, zou u naar België gevlucht zijn, waar u op 8 april 2000 aankwam. Op 10 april 2000 vroeg u hier asiel aan. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Er dient te worden opgemerkt dat u geenszins aannemelijk gemaakt heeft daadwerkelijk uit Preshevë afkomstig te zijn. Zo kon u zelf geen naburige dorpen van de stad met naam benoemen (verhoorverslag CGVS, p. 11). Het aangrenzende dorp Norçë (her)kende u zelfs niet. Het aanpalende dorp Ternavë situeerde u bovendien op 10 tot 15 km terwijl het dorp op nog geen 3 km van de stad verwijderd ligt (verhoorverslag CGVS, p. 12). Ook het naburige dorp Kurbalja en het dorp Dobrosin, waar zich het hoofdkwartier van het Albanese Bevrijdingsleger van Preshevë, Medvagë en Bujanovc (UCPMB) bevindt, kon u niet situeren, zelfs niet bij benadering (verhoorverslag CGVS, p. 12-13). Bovendien kon u geen dorpen opnoemen die zich tussen de steden Preshevë en Bujanovc bevinden (verhoorverslag CVVS, p. 12). Verder kende u slechts twee dorpen op de weg van Preshevë naar Gjilanë, met name Aligerce en Geraj, beide op ongeveer 3 km van Preshevë (verhoorverslag CGVS, p. 11). Uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt (allerlei staf- en landkaarten) blijkt echter dat deze dorpen zich niet in de regio van Preshevë bevinden. Nog beweerde u dat Gjilanë op ongeveer 40 à 50 km van Preshevë ligt, terwijl deze stad zich op nog geen 24 km van Preshevë bevindt (verhoorverslag CGVS, p. 11). De Macedonische stad Kumanovë situeerde u dan weer op ongeveer 80 km van Preshevë, terwijl deze stad op slechts 20 km ervan ligt (verhoorverslag CGVS, p. 11). De stad Medvegjë situeerde u ten slotte op 25 à 30 km van Preshevë, terwijl deze stad op ongeveer 60 km van Preshevë ligt (verhoorverslag CGVS, p. 11). Verder kende u geen fabrieken en rivieren in de stad bij naam en beweerde u dat er in Preshevë geen treinstation is. De wijk Tasjan, waar het treinstation zich echter bevindt, (her)kende u dan ook niet (verhoorverslag CGVS, p. 12-13). Evenmin kon u de correcte postcode en telefoonprefix van de stad weergeven (verhoorverslag CGVS, p. 11). Ten slotte beweerde u lid te zijn van de Partij van de Toekomst van Riza Halimi (verhoorverslag CGVS, p. 3), maar kende u de correcte benaming van deze partij niet. Immers, de partij die door Riza Halimi wordt geleid, draagt de naam ‘Partij voor Democratische Actie’. De courant gebruikte XIV-10.113-2/5 afkorting voor deze partij was u eveneens totaal onbekend (verhoorverslag CGVS, p. 5). Evenmin kende u andere politieke partijen in de regio bij naam (verhoorverslag CGVS, p. 3-5). Hier kan nog aan worden toegevoegd dat uw opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn, waardoor de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas bijkomend wordt ondermijnd. Zo beweerde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat u op 15 maart 2000 een convocatiebrief zou ontvangen hebben van het Joegoslavische leger om zich op de basis in Nis aan te melden. Daarom zou u Preshevë verlaten hebben (verhoorverslag DVZ, vraag 42). Op het commissariaat-generaal verklaarde u aanvankelijk dat u in oktober 1999 een convocatiebrief voor Nis zou ontvangen hebben. U zou zich in januari 2000 moeten aanmelden hebben (verhoorverslag CGVS, p. 6). Vervolgens beweerde u niet meer te weten wanneer u de convocatiebrief zou ontvangen hebben (verhoorverslag CGVS, p. 6, 10, 16). Verder beweerde u in uw vragenlijst aan het commissariaat-generaal, dd. 28 juni 2000, dat uw identiteitsdocumenten door de politie van Nis in beslag zouden genomen zijn (vragenlijst CGVS, vraag 17). Op het commissariaat-generaal verklaarde u echter dat de politie van Preshevë uw documenten zou geconfisceerd hebben (verhoorverslag CGVS, p. 7). Gelet op het bovenstaande vaststellingen kan geen enkel geloof gehecht worden aan uw beweerde afkomst, noch aan uw vluchtrelaas.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”, van artikel 52, § 2, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1, A, 2) van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat de verzoekende partij beklemtoont dat zij wèl uit Preshevo afkomstig is, dat haar gebrek aan kennis van cultuur en aardrijkskundige namen daar geen afbreuk aan doet en dat zij gedurende het interview erg gestresseerd was, dat de theoretische benadering door de commissaris-generaal van de toestand in Preshevo niet overeenstemt met de werkelijkheid, dat de verzoekende partij daartoe vier krantenartikels citeert waaruit het tegenovergestelde blijkt, dat dergelijke feiten zich vaker hebben voorgedaan en door de verwerende partij gekend moesten zijn, dat de asielaanvraag daarom zeker niet onontvankelijk had mogen worden verklaard wegens een gebrek aan gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie en dat de verzoekende partij voldoende elementen heeft aangebracht voor het bestaan van dergelijke gegronde vrees; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet aangeeft welk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zij geschonden acht; dat zij de motieven van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht zodat zij de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij enkel naar stress en een gebrekkige geografische en culturele kennis verwijst doch daarmee niet aannemelijk maakt dat de vaststellingen van de commissaris-generaal, die betrekking hebben op diverse concrete elementen van algemene aard en uit het dagelijkse leven, feitelijk onjuist zijn of op kennelijk onredelijke XIV-10.113-3/5 wijze in de beoordeling zijn betrokken; dat de verzoekende partij volledig voorbijgaat aan de diverse concreet vermelde tegenstrijdigheden in haar verklaringen; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door de verwijzing naar bepaalde krantenartikels over de algemene toestand in Kosovo, die niet de minste betrekking hebben op voormelde weigeringsmotieven; dat de verzoekende partij met het voorgaande niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op basis van onjuiste feitelijke gegevens noch dat zij op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is toegekend, is genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met de toestand van de Albanese bevolking in Preshevo zoals beschreven in de door de verzoekende partij neergelegde krantenartikels en dat de motivering derhalve niet deugdelijk is; 2.2.
- Overwegende dat de door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat de door de verzoekende partij thans neergelegde krantenartikels niet op het commissariaat-generaal werden neergelegd zodat de commissaris-generaal er niet eens op kon antwoorden, daargelaten de vraag of een bestuur er in het kader van de formele motiveringsplicht toe is gehouden op ieder argument van de bestuurde te antwoorden; dat de commissaris-generaal er niet toe is gehouden zelf kennis te nemen van alle mogelijke buitenlandse kranten en van de daarin vertolkte standpunten; dat uit een eenvoudige lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij terdege kennis heeft kunnen nemen van de motieven waarop die beslissing is gesteund, zodat aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij op algemene wijze de inhoud van de motivering van de bestreden beslissing aanvecht, dat naar de bespreking van het eerste middel wordt verwezen;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-10.113-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig april tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-10.113-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.938 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div