← België

Arrest 130957 - - 03/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.957 Rolnummer: A. 136006/X-11393 Zaak: Arrest 130957 - - 03/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-12 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 06:14 Fiche Arrest nr 130.957 van 3 mei 2004 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 130.957 van 3 mei 2004 in de zaak A. 136.006/X-11.

  1. In zake :
  2. Jacques GHYSELINCK,
  3. Georgette MAES,
  4. de n.v. GHYSBEL, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen :
  5. de stad IEPER, die woonplaats kiest bij Advocaat H. CAMERLYNCK, kantoor houdende te 8900 IEPER, Cartonstraat 14,
  6. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  7. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jacques GHYSELINCK, Georgette MAES en de n.v. GHYSBEL op 3 juni 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 april 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper waarbij aan de n.v. DEBRA de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het "renoveren en omvormen tot vier appartementen (gewijzigd ontwerp)" van een pand gelegen te Ieper, Rijselsestraat 14, op een perceel kadastraal bekend Sectie I, nr. 0012A; Gelet op het arrest nr. 119.003 van 5 mei 2003 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de n.v. DEBRA in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, ingediend door Georgette MAES, bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen, de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ten laste van de verzoekende partij worden gelegd en de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid ten last van de tussenkomende partij worden gelegd; X-11.393-1/3 Gelet op het arrest nr. 127.189 van 19 januari 2004 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de n.v. DEBRA in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen, de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld en de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure ten laste van de tussenkomende partij worden gelegd; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partijen op 27 januari 2004; Gelet op de kennisgeving aan de verzoekende partijen, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan de verzoekende partijen melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partijen een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat de verzoekende partijen geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat op grond van voornoemd artikel 15ter, § 1, de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij zij binnen een termijn van vijftien dagen vragen om te worden gehoord; X-11.393-2/3 Overwegende dat de verzoekende partijen niet hebben gevraagd om te worden gehoord, BESLUIT: Artikel
  8. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  9. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie mei 2004, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. BOVIN. X-11.393-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.957 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.003 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.127.189 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.