← België

Arrest 130961 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 03/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.961 Rolnummer: Zaak: Arrest 130961 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 03/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-18 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 06:14 Fiche Arrest nr 130.961 van 3 mei 2004 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 130.961 van 3 mei 2004 in de zaken A. 82.504/IX-1647 83.900/IX-1820 83.906/IX-

  1. In zake : Peter HOOGSTEYNS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter HOOGSTEYNS op 15 februari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de minister van Landsverdediging, genomen op 2 december 1998, waarbij zijn aanvraag van 10 september 1998 om een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (afgekort : TALO-(T) te verkrijgen vanaf 1 januari 1999, geweigerd wordt (de zaak G/A. 82.504/IX-1647); Gezien het verzoekschrift dat Peter HOOGSTEYNS op 3 mei 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Landsverdediging, genomen op 23 januari 1999, waarbij zijn aanvraag van 21 oktober 1998 om een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (afgekort : TALO-(T)) te verkrijgen vanaf 1 februari 1999, geweigerd wordt (de zaak G/A 83.900/IX-1820); IX-1647-1/8 Gezien het verzoekschrift dat Peter HOOGSTEYNS op 3 mei 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de ministeriële beslissing van 23 januari 1999 en van het koninklijk besluit van 5 februari 1999 waarbij zijn ontslag wordt aanvaard (de zaak G/A 83.906/IX-1800); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 23 augustus 2002 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 23 augustus 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van luitenant-kolonel militair administra- teur R. GERITS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; IX-1647-2/8 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Op 7 september 1978 neemt Peter HOOGSTEYNS, geboren op 26 juli 1962, voor een onbepaalde duur dienst bij de Krijgsmacht als kandidaat- beroepsofficier, eerst bij de landmacht, vervolgens bij de luchtmacht. Op 28 juni 1984 wordt hij benoemd tot de graad van onder- luitenant vlieger en opgenomen in het kader der hulpofficieren bij de luchtmacht. Op 27 juni 1987 wordt bij benoemd tot de graad van luitenant vlieger, op 27 juni 1989 tot kapitein vlieger en op 26 juni 1994 tot kapitein-commandant. 1.
  4. Op 10 september 1998 vraagt verzoeker een tijdelijke ambtsont- heffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk regime) vanaf 1 januari
  5. Hij vraagt tevens de toelating om een beroepsactiviteit uit te oefenen als piloot in de burgerluchtvaart. De aanvraag krijgt ongunstige adviezen van de hiërarchische meerderen. 1.
  6. Op 21 oktober 1998 doet verzoeker een tweede aanvraag tot tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk regime), nu vanaf 1 februari
  7. Hij vraagt tevens de toelating om een beroepsactiviteit uit te oefenen als piloot in de burgerluchtvaart. Indien de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk regime) wordt geweigerd, vraagt hij in ondergeschik- te orde vrijwillig ontslag. 1.4.
  8. Op 13 november 1998 zendt de chef van de Generale Staf het dossier met betrekking tot de eerste aanvraag -van 10 september 1998- voor beslissing aan de minister van Landsverdediging. Hij adviseert "ongunstig gezien het tekort aan varend personeel". IX-1647-3/8 1.4.
  9. Op 2 december 1998 neemt de minister van Landsverdediging de volgende beslissing met betrekking tot de aanvraag van 10 september 1998 : "Aanvraag tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking - tijdelijke maatregel (TALO(T)) Betreft : Cdt VI BO P. HOOGSTEYNS - 0/30542 Beslissing : GEWEIGERD Motivering in rechte : Artikel 20 § 2 van het KB van 24 juli 1997 betreffende o.m. de loopbaanonderbreking. Artikel 15 bis § 1 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de officieren. Motivering in feite : Uit de samenlezing van de twee geciteerde artikelen volgt dat het bekomen van een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) geen absoluut recht is, maar onderworpen is aan een beoordeling van de minister, die het individueel belang moet afwegen tegenover het algemeen belang. Rekening houdend met de gekende afvloeiingen in 1998, die resulteren uit de afvloeiing van piloten die in chronologische orde reeds vroeger een aanvraag hadden ingediend, zullen op het einde van dat jaar minder piloten beschikbaar zijn dan voorzien in de nieuwe kaderwet. Hierbij dient ook te worden onder- streept dat de kaderbehoeften bepaald in deze nieuwe kaderwet

(424)drastisch minder zijn dan de 580 piloten die voorheen waren voorzien. De tendens daalt verder en kan wegens de opleidingsduur van de piloten niet op korte termijn omgebogen worden. De loopbaanonderbreking is ingevoerd om het personeelsovertal weg te werken en er blijkt in de categorie van het varend personeel van de luchtmacht geen overtal meer te bestaan. Uw vertrek of het vertrek van andere piloten zou bijgevolg de operationaliteit van de luchtmacht aantasten. Om die redenen kan ik, tot mijn spijt, geen gunstig gevolg geven aan uw aanvraag om een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) te bekomen." Dit is de bestreden handeling in de eerste zaak. 1.5.
  1. Op 11 januari 1999 zendt de chef van de Generale Staf het dossier met betrekking tot de tweede aanvraag -van 21 oktober 1998- voor beslissing aan de minister. Hij adviseert "Ongunstig voor TALO(T). Gunstig voor ontslag". Het Algemeen Technisch Secretariaat van de minister (SAT 2) verleent het volgende advies : IX-1647-4/8 "BETREFT : TALO(T) of ontslag voor een piloot Cdt Vlieger HOOGSTEYNS vraagt een TALO(T) vanaf 01 Feb 99 en in ondergeschikte orde ontslag op dezelfde datum. Hij voldoet aan de wettelijke voorschriften voor zowel TALO(T) als ontslag. VS geeft een ongunstig advies voor TALO(T), doch stemt in met het ontslag. Het advies van de LuM is gebaseerd op volgende motieven : . De TALO(T) is specifiek gecreëerd om de overtallen weg te werken. Aangezien er een tekort is aan piloten kan deze maatregel in geen geval worden toegestaan. Er is daarentegen geen rechtstreekse link tussen personeelssituatie en het eventueel bekomen van een ontslag. . Men wenst de betrokkene voor een duidelijke keuze te stellen : ofwel kiezen voor een loopbaan als militair piloot, ofwel opteren voor een burgerloopbaan zonder de mogelijkheid dat eventueel kan teruggekeerd worden naar het leger zoals bij een tijdelijke ambtsontheffing. In geval van heropname in de getalsterkte zou dit immers ten koste van de rekrutering van jonge piloten gaan. Advies SAT 2 : akkoord met VS . Ongunstig voor TALO(T) . Gunstig voor ontslag." 1.5.
  2. Op 23 januari 1999 weigert de minister van Landsverdediging de tweede aanvraag tot TALO-(T) van 21 oktober 1998, doch hij aanvaardt wel het ontslag van verzoeker vanaf 1 februari
  3. De weigering van de loopbaanonderbreking vormt de bestreden handeling in de tweede zaak. De aanvaarding van het ontslag vormt de eerste bestreden handeling in de derde zaak. 1.
  4. Bij koninklijk besluit nr. 2194 van 5 februari 1999 wordt het ontslag uit het ambt dat verzoeker bij het kader der beroepsofficieren van de luchtmacht bekleedt aangenomen op 1 februari
  5. Hij gaat op deze datum, met zijn graad en zijn anciënniteit over, naar het korps der reserveofficieren van de luchtmacht, korps van het varend personeel. In de aanhef van het koninklijk besluit wordt verwezen naar de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroeps- officieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, inzonderheid de artikelen 20, 21, 35 en 55, naar het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering der beroepsofficieren van de land-, de lucht en de IX-1647-5/8 zeemacht en van de medische dienst, inzonderheid artikel 20, naar het koninklijk besluit van 25 september 1959 betreffende het statuut der reserve-officieren, inzonderheid de artikelen 2 en
  6. Dit koninklijk besluit is de tweede bestreden handeling in de derde zaak. 2.
  7. Overwegende, wat de ontvankelijkheid betreft, dat verzoeker erop wijst dat een TALO-(T)-statuut voor hem interessanter is dan een vrijwillig ontslag; dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag ambtshalve uiteenzet dat de verwerping van het beroep tegen de beslissing waarbij het ontslag van verzoeker vanaf 1 februari 1999 wordt aanvaard -het derde beroep-, op het vlak van zijn statutaire toestand tot de conclusie moet leiden dat hij de Krijgsmacht definitief verlaten heeft en dat, aangezien de vernietiging van dat ontslag verzoeker geen recht verleent op een TALO-(T)-regime, hij derhalve geen TALO-(T)-regeling meer kan verkrijgen, zodat hij geen belang meer heeft bij het eerste en het tweede beroep; dat hij, wat betreft het beroep tegen het ontslag van verzoeker, concludeert dat verzoeker in de weigering van toekenning van TALO-(T) niet het vereiste belang kan vinden om zijn ontslag te bestrijden en dat verzoeker met het koninklijk besluit van 5 februari 1999 verkregen heeft wat hij zelf heeft aangevraagd, zodat hij op dat vlak het vereiste persoonlijk belang ontbeert; 2.
  8. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie beklemtoont dat hij slechts “in ondergeschikte orde” om zijn ontslag had gevraagd, aangezien een TALO-(T)-regeling hem “zijn statutaire rechten en behoud van pensioen” garandeer- de; dat hij daaraan toevoegt dat, vanuit de beoordeling van het dienstbelang, er geen verschil bestaat tussen een beslissing aangaande ontslag en een beslissing aangaande het verlenen van een TALO-(T) zodat, door het aanvaarden van zijn ontslag, de verwerende partij het bewijs levert dat het belang van de dienst zich niet verzette tegen het toekennen van een TALO-(T)-regeling en dat het rechtsherstel dat de verwerende partij hem na een vernietiging van zijn TALO-(T)-weigering zal moeten geven, veronderstelt dat hij in actieve dienst is; dat naar zijn oordeel daarmee aangetoond is dat hij nog belang heeft bij de vernietiging van de inwilliging van zijn IX-1647-6/8 aangeboden ontslag en dat, minstens, het onderzoek van de exceptie samenhangt met de grond van de zaak; 2.
  9. Overwegende dat, zo de inwilliging van het aangeboden ontslag van verzoeker inderdaad tot gevolg heeft dat hij vanaf 1 februari 1999 definitief uit het actief kader van de Krijgsmacht verdwijnt, daarmee nog niet vastgesteld is dat verzoeker geen belang zou hebben bij de vernietiging van de aanvaarding van dat ontslag; dat immers dit ontslag slechts in ondergeschikte orde was aangeboden, met name voor het geval het tegelijkertijd maar in hoofdorde aangevraagde TALO-(T)- regime zou geweigerd worden; dat de verwerende partij dan ook de aanvraag van verzoeker in die volgorde had moeten onderzoeken -wat zij in feite ook gedaan heeft- en dat de TALO-(T) en het ontslag in die zin met elkaar verbonden zijn; dat daaruit volgt dat, wanneer de weigering van de tweede TALO-(T)-aanvraag - voorwerp van het tweede beroep-, onwettig wordt bevonden, daarmee vast komt te staan dat de verwerende partij op 23 januari 1999 niet had mogen vaststellen dat de voorwaarden voor het aanvaarden van het ontslag vervuld waren en dat de Koning op 5 februari 1999 dat ontslag niet had mogen inwilligen omdat dit besluit dan zijn oorzaak vindt in het onwettig TALO-(T)-besluit van 23 januari 1999; dat in die zin -los van de vraag of de minister na een vernietigingsarrest de rechtsplicht zal hebben aan verzoeker een TALO-(T)-regeling toe te kennen- verzoeker wel degelijk nog belang heeft bij de vernietiging van de uitspraak over zijn subsidiaire ontslagaanvraag en dat het ontslagbesluit hem niet het vereiste belang ontneemt bij het bestrijden van de TALO-(T)-weigeringen;
  10. Overwegende dat het auditoraatsverslag beperkt is tot het onderzoek van de hiervoor behandelde ontvankelijkheidsvraag; dat verder onderzoek noodzakelijk is, IX-1647-7/8 BESLUIT: Artikel
  11. De debatten worden heropend. Artikel
  12. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het Auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie mei 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1647-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.961 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.