id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.962 Rolnummer: A. 87520/IX-2060 Zaak: Arrest 130962 - - 03/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-14 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:14 Fiche Arrest nr 130.962 van 3 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 130.962 van 3 mei 2004 in de zaak A. 87.520/IX-
- In zake : Mark MESSELIS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc MESSELIS op 27 oktober 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de ministeriële beslissing van 1 oktober 1999 waarbij zijn aanvraag tot het verkrijgen van een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking-tijdelijk regime, in ondergeschikte orde het vrijwillig ontslag en nog meer ondergeschikt een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden met ingang van 1 september 1999, wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 86.473 van 3 april 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 30 mei 2000 door verzoeker; IX-2060-1/8 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 25 november 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van luitenant-kolonel militair administra- teur R. GERITS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker, geboren op 27 juni 1969, neemt op 17 augustus 1987 dienst bij de Krijgsmacht. Hij volgt de opleiding in de Koninklijke Militaire School -Polytechnische afdeling en wordt op 25 december 1992 opgenomen in het IX-2060-2/8 officierenkorps van de Genie. Hij wordt op 26 september 1998 benoemd tot de graad van kapitein. Hij bekleedt de functie van repetitor bij de leerstoel theoretische wiskunde van de Koninklijke Militaire School. 1.
- Op 17 maart 1998 vraagt verzoeker een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden (afgekort: TAPA) voor de duur van twaalf maanden vanaf 1 september 1998 om reden: “werkaanbieding in de privé-sector”. Op 21 juli 1998 weigert de minister van Landsverdediging de aanvraag op grond van het volgende motief: “Voldoet NIET aan de vereiste rendementsvoorwaarden en gezien de encadreringsbehoeften”. 1.3.
- Op 4 februari 1999 vraagt verzoeker een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden voor een duur van zes maanden met ingang van 1 september 1999 "met de bedoeling na deze periode mijn ontslag aan te vragen". Als motief vermeldt hij: "Ik wens mij verkiesbaar te stellen voor de gemeenteraads- verkiezingen van het jaar 2000". 1.3.
- Op 27 april 1999 dient verzoeker de volgende aanvraag in : "Ik ondergetekende vraag mijn ontslag en in ondergeschikte orde, tijdelijke ambtsontheffing voor een duur van 1 jaar op datum van 01/09/99, in overeen- stemming met de voorschriften van Reg A12/
- Deze aanvraag vormt een ingebrekestelling. Motieven: ik wens mij verkiesbaar te stellen voor de gemeenteraads- verkiezingen van het jaar 2000." 1.3.
- Afgaande op de ongunstige adviezen die zijn aanvraag bekomt, wijzigt verzoeker op 4 augustus 1999 zijn aanvraag als volgt : "Gelet op het arrest van 26 Mei 1999 blijkt dat ik reeds een TALO-T had kunnen aanvragen: de anciënniteitsvereiste is immers vernietigd. Vandaar dat ik mijn aanvraag in die mate verander dat ik in eerste orde TALO-T vraag en in tweede orde mijn ontslag gevolgd in laatste instantie door een aanvraag TAPA. IX-2060-3/8 Ik zou u toch nog met dit verweerschrift willen vragen de sociale en psychologische impact van deze beslissing in overweging te willen nemen. Zeker omdat ik vanuit een sterk idealisme gekozen heb om een politieke carrière uit te bouwen. Aangezien de gemeenteraadsverkiezingen zullen doorgaan in oktober volgend jaar, en een politiek mandaat onverenigbaar is met een militair statuut, zie ik geen andere mogelijkheid dan het leger te verlaten. Ik heb nu momenteel 7 jaar dienst na mijn studies in de militaire school en ik heb gedurende deze jaren, zoals u op mijn beoordelingsnota kan zien, met zeer veel overtuiging en toewijding mijn taak uitgevoerd. Ik hoop dat ook dit aspect mee zal spelen in de uiteindelijke beslissing in verband met de rendementsvoor- waarden." 1.
- Met een nota van 20 augustus 1999 zendt de chef van de Generale Staf, het dossier met betrekking tot de sub 1.3.
- vermelde aanvraag van verzoeker voor beslissing aan de minister van Landsverdediging. Hij wijst erop dat verzoeker pas op 1 juli 2000 aan de vereiste rendementsvoorwaarden voldoet volgens de rendementsberekening voorgesteld aan de minister van Landsverdediging. Hij verleent een ongunstig advies met betrekking tot de aanvraag tot tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden en tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) "op basis van de deficitaire situatie lagere officieren Ir van de Landmacht". Hij verleent eveneens een ongunstig advies met betrekking tot de ontslagaanvraag met de motivering "voldoet daarenboven niet aan de rendementsvoorwaarde". 1.
- Op 1 oktober 1999 neemt de minister van Landsverdediging het volgende besluit, dat het voorwerp vormt van het onderhavige beroep : "Aanvraag ONTSLAG Aanvraag voor het bekomen van een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking - tijdelijk stelsel (TALO-T) en een tijdelijke ambts- ontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden (TAPA) Betreft: Kapt Ir BO MESSELIS Mark (...) BESLISSING: GEWEIGERD Motivering in rechte: Artikel 20 § 2 van het KB van 24 juli 1997 betref- fende o.m. de loopbaanonderbreking. Artikel 15 bis § 1 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de officieren. Artikel 15 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de officieren. IX-2060-4/8 Artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren. Motivering in feite: Uit de lezing van de twee eerst geciteerde artikelen volgt dat het bekomen van een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) geen absoluut recht is, maar onderworpen is aan een beoordeling van de minister, die het individueel belang moet afwegen tegenover het algemeen belang. Een zelfde beoordeling ten opzicht van het dienstbelang dient de Minister te maken bij de aanvragen voor een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden en aanvraag tot ontslag en dit op basis van het derde en respectievelijk laatste vermelde artikel. Tengevolge van enerzijds de in het verleden toegestane vertrekken en anderzijds de beperkingen op de rekruteringen sinds 1993, zijn er op dit ogenblik minder ingenieurs beschikbaar dan voorzien op de organisatietabellen. Rekening houden met een permanente onbeschikbaarheid van een groot aantal ingenieurs ten gevolge van deelname aan cursussen, in plaatsstellingen in commandofuncties, buitenlandse opdrachten en tijdelijke ambtsontheffingen wegens gezinsredenen (TAGR), bedraagt het globaal tekort meer dan 15 %. Het percentage van beschikbare lagere officieren ingenieur om technische functies uit te oefenen bedraagt zelfs 65 %. Gezien de rekruteringsbeperkingen is er op korte termijn geen oplossing mogelijk voor dit deficit. Werving op diploma helpt actueel evenmin gezien het tekort aan ingenieurs op de arbeidsmarkt. Zelfs indien er jonge officieren ingenieurs kunnen gerekruteerd worden, moet men rekening houden met de duur van de vereiste vorming in de desbetreffende specialiteit en dienen zij voldoende ervaring te vergaren om uw vertrek op een degelijke wijze te compenseren. Ondanks de schikkingen die de krijgsmacht genomen heeft om het globaal overtal aan personeel weg te werken is er een aanzienlijk tekort in uw categorie, met name ingenieurs, en kan uw vertrek of dat van andere ingenieurs de werking van de krijgsmacht in het gedrang brengen. Ik stel verder vast dat u pas aan de rendementsvoorwaarden voldoet op 1 juli
- Om deze redenen kan ik, tot mijn spijt, geen gunstig gevolg geven aan uw aanvraag". Op 15 oktober 1999 ondertekent verzoeker de weigerings- beslissing van 1 oktober 1999 voor kennisneming. 1.6.
- Bij arrest van het Militair Gerechtshof te Brussel van 21 december 2000 wordt verzoeker veroordeeld tot de militaire straf van de afzetting. Hij wordt schuldig verklaard aan de volgende feiten : IX-2060-5/8 "Als officier, te Bornem, op 26 april 2000, er zich met opzet van onthouden te hebben de bevelen uit te voeren van zijn meerdere, Majoor DE LEENEER Isabelle, deel uitmakend van de Koninklijke Militaire School te Brussel, die, met hem op te leggen onmiddellijk naar zijn eenheid terug te keren en zich bij de kapitein met dagdienst aan te melden teneinde zijn richtlijnen te volgen, hem met een dienst belastte; (art. 28 1ste Lid Mil. Sw.)." Bij brief van 3 mei 2002 zendt de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof een afschrift van dit arrest naar de chef van de Generale Staf, Algemene Directie Human Resources, Divisie Personeel, met de melding dat deze beslissing op 16 april 2002 in kracht van gewijsde is getreden. Verzoeker wordt ten gevolge van deze afzetting teruggeplaatst soldaat. 1.6.
- Op 2 juli 2002 stelt de korpscommandant van verzoeker voor hem te laten verschijnen voor een onderzoeksraad met het oog op het ontslag van ambtswege, wegens een "ernstig feit, onverenigbaar met de staat van militair" omdat verzoeker onwettig afwezig is sinds 21 maart 2000 en op 21 december 2000 werd veroordeeld. Op 31 juli 2002 beslist de minister van Landsverdediging verzoeker te laten verschijnen voor een onderzoeksraad. Dat gebeurt op 8 januari
- De onderzoeksraad adviseert dat de insubordinatie van verzoeker "te rekenen (is) bij de zwaarste misdrijven die een officier kan plegen" en dat het "ontslag uit Defensie aangewezen is". 1.6.
- Bij koninklijk besluit van 11 maart 2003 wordt verzoeker van ambtswege ontslagen uit de Krijgsmacht wegens insubordinatie en desertie. 2.
- Overwegende dat verzoeker in de loop van het onderhavige geding, nadat hij door het Militair Gerechtshof teruggezet was in de graad van soldaat wegens de weigering om een dienstbevel van zijn meerdere uit te voeren en zich bij zijn eenheid te voegen, op 8 januari 2003 voor een onderzoeksraad verschenen is met het oog op het opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege; dat verzoeker aan de onderzoeksraad verklaard heeft : IX-2060-6/8 “Ik wens geen contact meer met het Leger te hebben en zal principieel niet ingaan op uw bevel (om zijn administratieve toestand te regulariseren). Ik ben bereid alle gevolgen voor deze daad te dragen” en verder : “Sommige van mijn collega’s kregen wel hun ontslag vóór het bereiken van de rendementsperiode. Bijgevolg vond ik mij onrecht aangedaan. Van dan af heb ik mij principieel opgesteld en de beslissing genomen om het Leger kost wat kost te verlaten. In het begin heb ik aanvaard mij, om medische redenen, te laten vrijstellen. Gezien deze vrijstelling in feite geen oplossing was, heb ik na 6 maand besloten de procedure van onwettige afwezigheid, desertie, .... op te starten”; Overwegende dat uit de verklaringen van verzoeker voor de onderzoeksraad duidelijk blijkt dat hij kost wat kost het leger wenste te verlaten en dat hij bereid was daarvoor inbreuken op de militaire straf- en tuchtregeling te begaan; dat hij uiteindelijk -met het koninklijk besluit van 11 maart 2003, dat hij niet bestreden heeft- die verwijdering uit de Krijgsmacht gekregen heeft; dat, aangezien in de geschetste omstandigheden de veroordeling en het tuchtrechtelijk optreden van de verwerende partij geen reden kan zijn om verzoeker nog belang toe te kennen bij de vernietiging van de bestreden weigering tot ontslag, thans vastgesteld moet worden dat verzoeker niet meer tot de Krijgsmacht behoort en dat zijn opzet bereikt is zodat hij geen actueel belang heeft bij de vernietiging van de weigering van zijn aangevraagd ontslag; 2.
- Overwegende, voor het overige, dat verzoeker op geen enkele wijze gereageerd heeft op het auditoraatsverslag waarin nochtans vier van de vijf middelen ongegrond waren bevonden en waarin met betrekking tot het vierde middel een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof was voorgesteld; dat, afgaande op het standpunt dat verzoeker voor de onderzoeksraad heeft ingenomen -overigens in de periode waarin hij een laatste memorie kon indienen- , die inertie het vermoeden wettigde dat hij geen interesse meer had voor de verdere normale afhandeling van het geding; dat verzoeker vervolgens ook niet ter terechtzitting verschenen is om zijn volgehouden belangstelling en zijn actueel belang bij het beroep te bevestigen en IX-2060-7/8 nader te verantwoorden; dat dergelijke blijk van volgehouden interesse nochtans aangewezen was, inzonderheid nu er een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof was voorgesteld en het niet opgaat dat Hof te belasten met onderzoeken en de procedure nog verder te rekken wanneer de betrokkene niet langer geïnteresseerd blijkt te zijn in de procedure die hij heeft opgestart; dat er reden is om het beroep wegens bewezen gebrek aan belangstelling en derhalve bij gebrek aan belang onontvankelijk te verklaren, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie mei 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2060-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.962 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.86.473 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.