← België

Arrest 130966 - - 03/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.966 Rolnummer: A. 64545/IX-1208 Zaak: Arrest 130966 - - 03/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-17 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-04 07:21 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 130.966 van 3 mei 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 130.966 van 3 mei 2004 in de zaak A. 64.545/IX-

  1. In zake : Robrecht ZEGELS, wonende te NEERPELT, De Bemmert 35 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robrecht ZEGELS op 17 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 juni 1995 van de directeur-generaal van de administratie van de BTW, waarbij hij met ingang van 19 juni 1995 wordt overgeplaatst naar de diensten van de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 23 juni 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker, die tevens het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bevat, en de laatste memorie van de verwerende partij; IX-1208-1/7 Gelet op de beschikking van 16 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU, die verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker was sinds 1 juli 1978 hoofdcontroleur van de BTW te Neerpelt. 1.
  4. Op 20 april 1995 vraagt de directeur-generaal van de BTW aan de procureur des Konings te Hasselt, die een opsporingsonderzoek zou hebben ingesteld lastens verzoeker, om een beknopt verslag te mogen ontvangen met de voornaamste gegevens van dat onderzoek teneinde met kennis van zaken te kunnen oordelen of het nodig is administratieve maatregelen te treffen ter vrijwaring van de belangen van de administratie of van het publiek. Hij vermeldt verder dat indien de procureur des Konings van oordeel mocht zijn dat de aanwezigheid van verzoeker op het controlekantoor van de BTW te Neerpelt niet verenigbaar is met de eisen van het lopend onderzoek, hij bereid is dit aspect te onderzoeken. IX-1208-2/7 1.
  5. Op 18 mei 1995 bevestigt de procureur des Konings dat er inderdaad een opsporingsonderzoek loopt tegen verzoeker in verband met mogelijke corruptie en medewerking aan vervalste BTW-aangifte door twee firma’s. 1.
  6. Op 16 juni 1995 plaatst de directeur-generaal van de administratie van de BTW verzoeker in het belang van de dienst over naar de directie van de BTW te Antwerpen. Dit is de thans bestreden beslissing. 1.
  7. Bij vonnis van 21 januari 1998 van de correctionele rechtbank van Hasselt wordt verzoeker vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. 1.
  8. Op 26 maart 1998 wordt hem om uitleg gevraagd over de feitelijke omstandigheden van het ten onrechte verlenen van een vergunning tot het verkrijgen van maandelijkse teruggave van de BTW aan de firma NV Antwerpse Verzinkerij en het niet uitvoeren van controles op de boekhouding van de firma NV Galva Oost, wanneer deze in de loop van 1993 enkele malen zeer grote bedragen aan terug te betalen BTW aangeeft. 1.
  9. Verzoeker ontvangt deze vraag op 30 maart 1998 en antwoordt op 6 april
  10. In dat antwoord gaat hij in op de verschillende vragen die hem werden gesteld en legt hij telkens uit welke elementen zijn gedrag, dat hij hoogstens een materiële vergissing vindt maar geen beroepsfout, verklaren. 1.
  11. Intussen heeft verzoeker bij brief van 21 februari 1998, herinnerd door zijn raadsman op 19 juni 1998, gevraagd om zijn overplaatsing in het belang van de dienst ongedaan te maken. Hij krijgt hierop evenwel geen reactie. 1.
  12. Met een brief van 9 juli 1998 laat de centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen in reactie op de antwoorden van verzoeker aan de gewestelijk directeur te Antwerpen weten dat indien hij oordeelt dat de feiten die het IX-1208-3/7 voorwerp uitmaakten van de vraag om uitleg van 26 maart 1998 aanleiding geven tot het instellen van een tuchtprocedure tegen verzoeker, hij hem moet oproepen om te worden gehoord over de feiten die hem ten laste worden gelegd. 1.
  13. Met een brief van 10 juli 1998 wordt verzoeker door de gewestelijk directeur te Antwerpen opgeroepen om op 27 juli 1998 in het kader van een tuchtprocedure te worden gehoord over de feiten waarover hem reeds op 26 maart 1998 uitleg was gevraagd. Deze worden in identieke bewoordingen vermeld als in de vraag om uitleg van 26 maart
  14. 1.
  15. Verzoeker wordt effectief op 2 oktober 1998 door de gewestelijk directeur gehoord. Tevens worden op vraag van verzoeker drie opgeroepen getuigen gehoord. Verzoeker maakt bezwaar tegen de gevolgde procedure en betoogt onder meer dat de feiten verjaard zijn. Dit verhoor wordt voortgezet op 15 oktober
  16. Op die zitting worden ook, zoals door verzoeker gevraagd, drie “neutrale” hoofdcontroleurs gehoord met de bedoeling uitleg te geven over de dagelijkse werking van een BTW- kantoor. 1.
  17. Op 23 oktober 1998 stelt de gewestelijk directeur voorlopig voor verzoeker te straffen met de overplaatsing bij tuchtmaatregel naar de diensten van de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen. 1.
  18. Op 24 november 1998 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord door het college van dienstchefs van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, dat belast is met het uitbrengen van het definitief tuchtvoorstel. 1.
  19. Op 19 januari 1999 stelt het college van dienstchefs unaniem definitief voor om verzoeker bij wege van tuchtmaatregel over te plaatsen naar de diensten van de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen. IX-1208-4/7 1.
  20. Op 25 januari 1999 tekent verzoeker hiertegen beroep aan bij de interdepartementale raad van beroep. 1.
  21. De interdepartementale raad van beroep behandelt dit beroep een eerste maal op 11 september
  22. Omdat het dossier niet voldoende klaarheid biedt over de vraag of de tuchtvordering al dan niet was verjaard, beslist de raad daarover bijkomende informatie in te winnen bij de minister van Financiën en wordt de zaak verdaagd naar 19 oktober
  23. 1.
  24. Op 19 oktober 2001 behandelt deze raad van beroep dan verzoekers zaak ten gronde. Hij adviseert op 30 oktober 2001 dat het beroep ontvankelijk is maar niet gegrond. 1.
  25. Op 28 maart 2002 wordt verzoeker bij ministerieel besluit bij wege van tuchtmaatregel overgeplaatst naar de diensten van de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen met ingang van de datum van het besluit. Dit besluit wordt bij ‘s Raads arrest nr. 112.551 van 14 november 2002 vernietigd wegens een kennelijk gegrond bevonden middel.
  26. Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat ter zitting van 1 maart 2004 is gebleken dat de op 16 juni 1995 door de directeur-generaal van de administratie van de BTW in het belang van de dienst besliste overplaatsing van verzoeker naar de directie van de BTW te Antwerpen, thans nog steeds is gehandhaafd; dat, zoals blijkt uit de motieven van die overplaatsing, die beslissing is ingegeven door de omstandigheid van een lopend strafonderzoek wegens corruptie dat gevoerd werd tegen verzoeker, waardoor verzoeker niet meer beschikte over het vereiste prestige en met de bedoeling de geloofwaardigheid en de integriteit van de administratie van Financiën te vrijwaren; dat inmiddels verzoeker op 21 januari 1998 door de correctionele rechtbank van Hasselt vrijgesproken werd van de betichting van corruptie en dat de IX-1208-5/7 bij tuchtmaatregel van 28 maart 2002 bevolen overplaatsing van verzoeker vernietigd werd bij ‘s Raads arrest nr. 112.551 van 14 november 2002; dat uit het gezag van gewijsde van zowel het vrijsprekend vonnis van de correctionele rechtbank van 21 januari 1998 als van het voornoemde arrest van 14 november 2002 moet worden besloten dat aan verzoeker noch een strafrechtelijk noch een tuchtrechtelijk falen wordt verweten en dat dergelijk falen in het verleden zich ook juridisch niet heeft voorgedaan; dat derhalve de overplaatsing van verzoeker in het belang van de dienst zijn grondslag niet meer heeft in een vermeend verlies van het vereiste prestige van verzoeker en een te vrezen verlies aan geloofwaardigheid en aan integriteit van de administratie van Financiën; dat het verder aanhouden van de beslissing tot overplaatsing in het belang van de dienst derhalve niet op die gronden berust, zodat er een zeer ernstig vermoeden ontstaat dat zulks evenmin het geval was op het ogenblik van de beslissing tot overplaatsing; dat die vaststelling van een gegeven dat zich voordoet na de bestreden beslissing derhalve een declaratief feit is; dat verzoeker in zijn vierde middel de motieven van die beslissing heeft aangevochten door er onder meer op te wijzen dat met de bestreden beslissing het in feite de bedoeling was hem buitenspel te zetten; dat het voornoemde declaratieve feit van aard is om de ware aard van de beslissing te kennen en derhalve de onrechtmatigheid van de bestreden beslissing thans aan het licht te doen komen; dat verzoeker immers thans gelijk krijgt wanneer hij in zijn vierde middel aanvoert dat de echte motieven niet in de bestreden beslissing terug te vinden zijn en het veeleer de bedoeling is geweest om zonder de uitslag van het strafonderzoek en het tuchtrechtelijk onderzoek af te wachten, verzoeker reeds een maatregel van tuchtrechtelijke aard op te leggen; dat het vierde middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  27. Vernietigd wordt het besluit van 16 juni 1995 van de directeur- generaal van de administratie van de BTW, waarbij Robrecht ZEGELS met ingang IX-1208-6/7 van 19 juni 1995 wordt overgeplaatst naar de diensten van de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen. Artikel
  28. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie mei 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1208-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.966 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.