id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.967 Rolnummer: A. 147596/IX-4063 Zaak: Arrest 130967 - - 03/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-17 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 06:14 Fiche Arrest nr 130.967 van 3 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 130.967 van 3 mei 2004 in de zaak A. 147.596/IX-
- In zake : Guy POPELIER, wonende te WOMMELGEM, Autolei 351 tegen : de Stafhouder van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Guy POPELIER op 14 februari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "de beslissing van zijn stafhouder zich te onthouden van de behartiging van alle geschillen tussen zijn cliënte mevr. Antoinette Booten en haar ex-echtgenoot dhr Guy Dotreppe, aan de verzoeker verstuurd op 16 december 2004"; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; IX-4063-1/4 Gelet op de beschikkingen van 30 maart 2004, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 april 2004; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat M. REYNAERT, die loco advocaat A. VERDOODT eveneens verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. VAN ALSENOY, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de Raad van State kennelijk niet bevoegd is om van de vorderingen tot nietigverklaring en tot schorsing kennis te nemen; Overwegende dat de ten aanzien van verzoeker genomen beslissing voorkomt als een maatregel bedoeld in artikel 464 van het Gerechtelijk Wetboek, dat als volgt luidt : “Wanneer het wegens de aan een advocaat ten laste gelegde feiten te vrezen is dat zijn latere beroepswerkzaamheid nadeel kan toebrengen aan derden of de eer van de Orde kan schaden, kan de stafhouder de bewarende maatregelen nemen die de voorzichtigheid eist en zelfs aan de advocaat verbieden het gerechtsgebouw te betreden gedurende ten hoogste drie maanden. Deze termijn kan worden verlengd bij een met redenen omklede beslissing van de raad van de Orde. Deze is bij voorraad uitvoerbaar, niettegenstaande het hoger beroep waarvoor zij vatbaar is.”; Overwegende dat inzonderheid de vraag rijst of de genomen maatregel gekenmerkt kan worden als een akte van een administratieve overheid als bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; IX-4063-2/4 Overwegende dat weliswaar tegen verzoeker geen tuchtvervolging blijkt te zijn ingesteld en dat de bestreden beslissing dan ook meer dan een louter bewarend karakter heeft, aangezien zij hem zonder tijdsbeperking verbiedt de belangen van één bepaalde cliënt te behartigen en wat deze betreft zijn beroep van advocaat uit te oefenen; dat zulks echter niet wegneemt dat het gaat om een maatregel die behoort tot de in artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek vermelde aangelegenheden van beroepstucht, die ertoe strekt de eer van de Orde van advocaten op te houden alsmede de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan hun beroep ten grondslag liggen, te handhaven; Overwegende dat de Raad van State reeds herhaaldelijk heeft vastgesteld, welke vaststelling bij deze opnieuw wordt gedaan, dat blijkens de parlementaire voorbereiding van het Gerechtelijk Wetboek, de wetgever kennelijk de bedoeling heeft gehad de Nationale Orde en de Orden van advocaten, en dus ook hun gezagsorganen, gelet op hun verbondenheid met de rechterlijke orde en op het streven naar vrijwaring van de onafhankelijkheid der advocaten, niet te beschouwen als administratieve overheden en derhalve hun handelingen te onttrekken aan de annulatiebevoegdheid van de Raad van State; Overwegende dat verzoeker weliswaar daartegen inbrengt dat, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, terzake niet is voorzien in een specifieke beroepsprocedure en dat, als de Raad van State zich onbevoegd verklaart, artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geschonden wordt; dat de omstandigheid dat tegen een akte van een overheid die geen administratieve overheid is geen hoger beroep of cassatieberoep openstaat, niet volstaat om daaruit af te leiden dat de betrokken overheid wel een administratieve overheid is en dat de Raad van State bevoegd is; dat voor zoveel als nodig daarbij nog moet worden opgemerkt dat de bestreden handeling ook niet kan worden beschouwd als een administratieve handeling van een orgaan van de rechterlijke macht tegenover een lid van zijn personeel, als bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, aangezien advocaten uiteraard geen personeelsleden zijn van de Orde van advocaten; Overwegende dat de Raad van State kennelijk onbevoegd is om van het beroep tot nietigverklaring kennis te nemen; IX-4063-3/4 Overwegende dat de verwerping van het beroep tot nietigverklaring tot gevolg heeft dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft, BESLUIT: Artikel
- De vorderingen tot nietigverklaring en tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie mei 2000 en vier, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-4063-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.967 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.