← België

Arrest 130975 - - 04/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.975 Rolnummer: A. 147234/XII-4040 Zaak: Arrest 130975 - - 04/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-11 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:15 Fiche Arrest nr 130.975 van 4 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 130.975 van 4 mei 2004 in de zaak A. 147.234/XII-

  1. In zake : de VZW TECHNISCH INSTITUUT SINT-CAROLUS, die woonplaats kiest bij advocaat K. Peeters, kantoor houdende te Booischot, Lichtelei 12 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat V. Van Obberghen, kantoor houdende te Vilvoorde, Ridderstraat 2, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Technisch Instituut Sint-Carolus op 3 februari 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerleg- ging te vorderen van “de beslissing nr. 2003/43 van 9 december 2003 van de Commissie inzake Leerlingenrechten [...] waarbij de klacht inzake de weigering tot inschrijving van Pieter O[...] ontvankelijk en gegrond wordt verklaard”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van der Gucht; XII-4040-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Lahlali, die loco advocaat K. Peeters verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat O. Van Obberghen, die loco advocaat V. Van Obberghen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekende partij op 27 november 2003 weigert om Pieter O[...] op diens verzoek in te schrijven voor het schooljaar 2003-2004 in het derde jaar van de derde graad leefgroepenwerking TSO; dat Pieter O[...] tegen die weigeringsbeslissing bezwaar aantekent bij de commissie inzake leerlingenrechten; dat de commissie op 9 december 2003 de volgende uitspraak doet : “
  3. Over de gegrondheid van de klacht inzake weigering tot inschrijving 4.
  4. Overwegende dat van het beginsel in het gelijke onderwijskansendecreet dat een leerling in het leerplichtonderwijs het recht heeft ingeschreven te worden in de school van zijn keuze, enkel kan afgeweken worden door de in artikel III.2 en III.3 limitatief opgesomde redenen. Dat de verwerende partij uitdrukkelijk te kennen geeft zich niet op deze redenen te beroepen maar voor de weigering louter pedagogische, redenen inroept; 4.
  5. Overwegende dat een schoolbestuur - binnen de grenzen aangegeven door het decreet gelijke onderwijskansen - autonoom de modaliteiten van zijn inschrijvingsbeleid kan bepalen en dat uit het verweer niet blijkt dat de aanvraag tot inschrijving door [Pieter O.] hiermee in strijd zou zijn; 4.
  6. Overwegende dat, onverminderd het feit dat deze uitspraak van de commissie aan de verzoekende partij geen garanties biedt inzake regelmatigheid XII-4040-2/5 noch inzake studiebekrachtiging, de verzoekende partij het fundamenteel recht op inschrijving ingevolge het gelijke onderwijskansendecreet heeft. 4.
  7. Overwegende dat in de onderhavige zaak er zich geen feiten of handelingen hebben voorgedaan die de Commissie inzake Leerlingenrechten ertoe noopt aan de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming een terugvordering of inhouding van werkingstoelagen te adviseren. BESLISSING Gelet op het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen - 1, inzonderheid artikelen III.2 tot III.3 en V.3 tot V.5 Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 27 september 2002 betreffende de Commissie inzake Leerlingenrechten Gelet op het ministerieel besluit van 4 maart 2003 houdende de aanstelling van de voorzitter en de leden van de Commissie inzake Leerlingenrechten Gelet op het huishoudelijk reglement van de Commissie inzake Leerlingenrechten van 5 maart 2003 Na beraadslaging Met eenparigheid van stemmen, Artikel
  8. De klacht inzake weigering tot inschrijving van [Pieter O.] door het Technisch Instituut Sint-Carolus, Hospitaalstraat 2, 9100 Sint-Niklaas is ontvankelijk en gegrond. Artikel
  9. De Commissie adviseert de Vlaamse regering dat geen terugvordering of inhouding van de werkingsmiddelen moet plaatsvinden.”; Overwegende dat aan verzoekende partij met een brief van 19 november 2003 kennis wordt gegeven van “de beslissing van de Commissie inzake Leerlingenrechten d.d. 9 december 2003”, waarbij wordt gepreciseerd : “Tegen deze beslissing kan een beroep tot vernietiging ingediend worden bij de Raad van State binnen een termijn van 60 dagen”; Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de vordering van verzoeker geen voor de Raad van State voor vernietiging aanvechtbare rechtshan- deling als voorwerp heeft; dat zij toelicht dat de klachtprocedure voor de commissie inzake leerlingenrechten niet kan worden gezien als een beroepsprocedure sensu stricto, dat de beoordeling door de commissie niet bindend is voor de weigerende onderwijsinstelling, dat overigens ook een door diezelfde commissie gegeven advies aan de regering om in voorkomend geval de werkingsmiddelen van een onderwijsin- stelling in te houden of terug te vorderen niet bindend is voor de regering; dat de XII-4040-3/5 uitspraak van de commissie te zien is als “louter een vaststelling door de commissie inzake leerlingenrechten dat Verzoekende partij het Decreet heeft geschonden en/of een aanmaning door de commissie inzake leerlingenrechten ten aanzien van Verzoeken- de partij om zich te voegen naar de bepalingen van het Decreet”; Overwegende dat een annulatieberoep, en dienvolgens een vordering tot schorsing, om ontvankelijk te zijn, onder meer een uitvoerbare administratieve rechtshandeling tot voorwerp moet hebben, met andere woorden een handeling welke op zich beoogt rechtsgevolgen teweeg te brengen of te beletten dat deze tot stand komen; Overwegende dat het voorwerp van voorliggend beroep een uitspraak is van de commissie inzake leerlingenrechten; dat die commissie inzake leerlingenrechten is ingesteld bij artikel IV.7 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I (hierna : het decreet); dat, om de redenen die de Raad van State heeft uiteengezet in zijn arrest nr. 130.168, Lefebvre, van 6 april 2004 en die hij ook voor deze zaak bijtreedt, een uitspraak zoals de bestredene, waarbij de commissie inzake leerlingenrechten overeenkomstig artikel IV.9 van het decreet “oordeelt naar recht inzake het recht op inschrijving”, prima facie geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling is, nu het een niet bindende uitspraak of advies betreft die het schoolbestuur -wat de inschrijving betreft- en de Vlaamse regering -wat het terugvorderen of inhouden van een bedrag op de werkingsmiddelen betreft- tot niets dwingt of hun beoordelingsbevoegdheid niet beperkt; dat een annulatieberoep, gericht tegen een dergelijke handeling die de rechtsorde in het algemeen en de rechts- situatie van verzoekende partij in het bijzonder niet wijzigt, niet ontvankelijk ingesteld is; dat de vordering tot schorsing als accessorium van het annulatieberoep eveneens onontvankelijk is; dat hieraan geen afbreuk doet dat de commissie op de kennisgeving van de bestreden uitspraak ten onrechte heeft vermeld dat ertegen een beroep tot vernietiging bij de Raad van State kon worden ingesteld; dat deze vergissing evenwel verzoekende partij heeft misleid en uiteindelijk wel een weerslag kan hebben op de uitspraak nopens de kosten; dat de exceptie in de huidige stand van het geding wordt aangenomen, XII-4040-4/5 BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  11. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier mei 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4040-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.975 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.909 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.