← België

Arrest 131026 - - 05/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.026 Rolnummer: A. 120557/VII-26516 Zaak: Arrest 131026 - - 05/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-03 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:16 Fiche Arrest nr 131.026 van 5 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 131.026 van 5 mei 2004 in de zaak A. 120.557/VII-26.516 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 2 mei 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2002 houdende de weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gezien het beroep tot nietigverklaring; Gelet op de beschikking van 7 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op het administratief dossier en gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 7, §2 van het hoger genoemde koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit voorlopig advies aan de partijen; VII-26.516-1/3 Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat F. LANDUYT, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij diende op 27 maart 2002 een derde asielaanvraag in 1.
  3. Op 9 april 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering tot in overwegingname. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: "Overwegende dat betrokkene een eerste asielaanvraag indiende op 10/05/2001 en er haar een beslissing tot weigering van verblijf werd betekend vanwege de Dienst Vreemdelingenzaken die op 31/07/2001 bevestigd werd door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Overwegende dat betrokkene op 04/10/2001 een tweede asielaanvraag indiende en door de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing van weigering van verblijf werd betekend, die op 22/11/2001 werd bevestigd door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. overwegende dat betrokkene op 27/03/2002 een derde asielaanvraag indiende waarbij zij verklaart niet te zijn teruggekeerd naar haar land van herkomst. Betrokkene zou na haar tweede asielaanvraag van plan geweest zijn naar Polen te reizen, maar zou aan de Nederlands-Duitse grens zijn opgepakt door de Duitse autoriteiten, waarna zij opnieuw naar België zou zijn overgebracht. Overwegende dat betrokkene bovendien geen enkel nieuw element aanbrengt met betrekking tot feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielprocedure waarin hij ze had kunnen aanbrengen. Gezien bovenstaande vaststellingen, wordt de bovenvermelde verklaring niet in overweging genomen. In uitvoering van artikel 71/5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 19 mei 1993 en 11 december 1996 wordt genoemde het bevel gegeven het grondgebied te verlaten binnen 5 (vijf) dagen.". Dit is de bestreden beslissing. VII-26.516-2/3 Overwegende dat op grond van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een beslissing om een nieuwe vluchtelingenverklaring niet in aanmerking te nemen in beginsel niet vatbaar is voor een vordering tot schorsing bij de Raad van State; dat de verzoekende partij niet aantoont dat er te dezen wel elementen zijn die tot gevolg hebben dat een dergelijk verzoek, in het licht van het arrest nr. 61/94 van 14 juli 1994, ontvankelijk zou zijn; BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf mei tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.516-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.