id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.053 Rolnummer: A. 117952/X-10866 Zaak: Arrest 131053 - - 05/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-19 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 06:16 Fiche Arrest nr 131.053 van 5 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.053 van 5 mei 2004 in de zaak A. 117.952/X-10.
- In zake : de n.v. SMC INTERNATIONAL, die woonplaats kiest Advocaten J. BOUCKAERT en E. VAN DE WALLE, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SMC INTERNATIONAL op 11 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 januari 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van haar beroep ingesteld tegen de beslissing van 14 december 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij haar de regularisatievergunning wordt geweigerd voor "enkele technische aspecten van een polyvalent complex" gelegen te Antwerpen, Jan Van Gentstraat 4, op een perceel kadastraal bekend Sectie L, nr. 3732v en, bij samenhang, het besluit van 11 december 2001 van de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur, waarbij haar een voorstel tot vergelijk wordt geweigerd overeenkomstig artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening voor enkele technische aanpassingen aan een polyvalent complex gelegen op het hiervoor vermelde perceel; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 17 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.866-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 november 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 januari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. BOUCKAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij op 30 november 1998 de regularisatievergunning aanvraagt voor "enkele technische aspecten van een polyvalent complex" te Antwerpen, Jan Van Gentstraat 4, op een perceel kadastraal bekend Sectie L, nr. 3732v; dat de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur op 11 december 2001 aan de verzoekende partij het vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) heeft geweigerd en derhalve het in artikel 158, § 2, tweede lid, D.R.O. bedoelde certificaat niet werd opgesteld; dat dit de tweede bestreden beslissing is; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening op 7 januari 2002 het beroep verwerpt van de verzoekende partij tegen de beslissing van 14 december 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, waarbij de regularisatievergunning wordt geweigerd voor "enkele technische aspecten van een polyvalent complex" gelegen op het hiervoor vermelde perceel; dat dit de eerste bestreden beslissing is; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie met betrekking tot haar belang en de bevoegdheid van de Raad van State stelt dat de artikelen 158 en 159 D.R.O. een koppeling introduceren tussen het vergelijk enerzijds en de regularisatievergunning anderzijds, dat deze koppeling strijdig is met het gelijkheidsbeginsel aangezien een onderscheid wordt gemaakt tussen de aanvragers X-10.866-2/6 van een gewone stedenbouwkundige vergunning en de aanvragers van een regulariserende stedenbouwkundige vergunning en daarvoor geen redelijke verantwoording bestaat, dat immers "de aanvrager van het vergelijk (...) slechts een subjectief recht (zal) kunnen doen gelden in het kader van de strafrechtelijke procedure of de procedure aangaande het herstel van het stedenbouwmisdrijf (,dat) de aanvrager (...) echter over geen enkel rechtsmiddel meer (beschikt) om de wettigheid van de weigering van het vergelijk aan te vechten en de vernietiging ervan ex tunc en erga omnes te vorderen", dat verder "de koppeling van de regularisatievergunning aan het vergelijk enerzijds en de onbevoegdheid van uw Raad om kennis te nemen van geschillen m.b.t. het vergelijk anderzijds ertoe leiden dat de aanvrager van de regularisatievergunning, in tegenstelling tot de aanvrager van een gewone stedenbouwkundige vergunning, geen rechtstoegang meer heeft tot de Raad van State om de nietigverklaring van die weigeringsbeslissing te bekomen", dat ondertussen bij decreet van 8 maart 2002 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de koppeling tussen de vergelijkprocedure en de regularisatievergunningsprocedure ongedaan is gemaakt; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van de verzoekende partij in haar laatste memorie, niets afdoet aan de vaststelling dat de verzoekende partij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat de bevoegde vergunningverlenende overheid dan ook de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat de verzoekende partij derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van de eerste bestreden beslissing; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor X-10.866-3/6 het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de ambtshalve opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond is; dat het beroep tegen de eerste bestreden beslissing niet ontvankelijk is; Overwegende wat de tweede bestreden beslissing betreft, dat uit artikel 158, § 1, laatste lid, D.R.O. (thans : artikel 158, laatste lid, D.R.O. ) volgt dat, bij gebreke aan definitief geworden vergelijk - thans transactie geheten -, de overtreder in beginsel blootgesteld blijft aan strafrechtelijke vervolging voor de wederrechtelijk uitgevoerde werken of verrichte of voortgezette handelingen of wijzigingen en de overheid bevoegd blijft hieromtrent één van de in artikel 149, § 1, D.R.O. bepaalde herstelmaatregelen te vorderen voor de bevoegde rechter van de rechterlijke orde; dat hieruit volgt dat de weigering tot het verlenen van "het vergelijk", op welk tijdstip dit ook plaatsvindt, hoe dan ook betrekking heeft op de uitoefening van de publieke vordering en op de vervolging van het herstel van het bouwmisdrijf en dus behoort tot de gerechtelijke procedure, zodat alleen de rechter van de rechterlijke orde bevoegd is om kennis te nemen van betwistingen daaromtrent; dat de rechtsmacht van deze rechter die van de Raad van State uitsluit; dat de omstandigheid dat op het ogenblik van de thans bestreden beslissing, de beslissing inzake het vergelijk een noodzakelijke - doch niet voldoende - voorwaarde was in een administratiefrechtelijke procedure tot het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet volstaat om de Raad van State bevoegd te maken kennis te nemen van betwistingen omtrent deze weigering van vergelijk; dat ook de omstandigheid dat deze weigering van vergelijk een eenzijdige administratieve rechtshandeling zou zijn, uitgaande van een administratieve overheid, op zich niet volstaat om tot de rechtsmacht van de Raad van State te kunnen besluiten; dat de vaststelling dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om zich over het voorliggend geschil uit te spreken, niet inhoudt dat dit geschil niet kan worden voorgelegd aan een rechter die wel over de vereiste rechtsmacht beschikt om het geschil te beoordelen; dat verzoekster niet verduidelijkt waarom door deze uitsluiting van rechtsmacht tegen een regularisatievergunning of de weigering ervan geen succesvol beroep mogelijk zou zijn, terwijl dat wel het geval zou zijn tegen een andere stedenbouwkundige vergunning, noch waarom dit een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt; dat het de Raad van State niet toekomt van de vordering tot nietigverklaring van de weigering van vergelijk kennis te nemen; dat de ambtshalve opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond is; dat het beroep tegen de eerste bestreden beslissing niet ontvankelijk is; X-10.866-4/6 Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie vraagt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof : "Schenden de artikelen 158 en 159 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (B.S., 8 juni 1999), zoals zij van toepassing waren vóór de wijziging door de artikelen 3, 4 en 5 van het decreet houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (B.S. 23 maart 2002), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in combinatie met artikel 6 E.V.R.M., in de mate dat de erin vervatte koppeling van het vergelijk en de regularisatievergunning de mogelijkheid inhoudt dat de aanvrager van een regularisatievergunning, in tegenstelling tot de aanvrager van een 'gewone' stedenbouwkundige vergunning, de rechtstoegang wordt ontzegd tot het objectief contentieux voor de afdeling administratie van de Raad van State?"; Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een decreet van de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten" van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken op deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe echter niet is gehouden wanneer de zaak niet door de Raad kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat te dezen de reden van niet-ontvankelijkheid van de vordering niet is ontleend aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het instellen van voornoemde vraag; dat deze uitzondering te dezen van toepassing is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.866-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.866-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.053 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.