id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.054 Rolnummer: A. 106567/X-10409 Zaak: Arrest 131054 - - 05/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-18 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 06:16 Fiche Arrest nr 131.054 van 5 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.054 van 5 mei 2004 in de zaak A. 106.567/X-10.
- In zake : Arthur VANDESANDE, die woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Bevrijdingslaan 4B1 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Arthur VANDESANDE op 29 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 april 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende verwerping van zijn beroep ingesteld tegen de beslissing van 18 januari 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Blankenberge waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor een veranda gelegen te Blankenberge, Koning Albertlaan 4, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 831n3; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 15 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 maart 2004; X-10.409-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. DE CLERCQ die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor verzoeker, en van Adjunct-adviseur P. DE WULF, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 16 januari 2001 de regularisatievergunning aanvraagt voor het bouwen van een veranda; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Blankenberge op 18 januari 2001 de regularisatieaanvraag weigert; dat verzoeker op 20 februari 2001 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen op 26 april 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit de thans bestreden beslissing is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord bij wege van exceptie aanvoert dat de vordering niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, dat artikel 159 D.R.O. duidelijk vermeldt dat een regularisatievergunning slechts kan worden verleend na de opstelling van het bewuste certificaat, dat verzoeker echter niet in het bezit is van het certificaat op het ogenblik van de indiening van het beroep tot nietigverklaring, dat derhalve uit het voorgaande volgt dat verzoeker geen belang heeft bij de vordering, aangezien een eventuele vernietiging hem geen enkel voordeel kan opleveren; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat deze exceptie bijzonder unfair is, dat immers het ontbreken van het vergelijk niet werd opgeworpen tijdens de administratieve procedure, dat de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen evenmin haar "praktijk" heeft gevolgd om hangende het administratief beroep het dossier te verwijzen naar de X-10.409-2/5 stedenbouwkundige inspecteur met het oog op het onderzoeken van de mogelijkheid tot het sluiten van een transactie; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie toevoegt wat volgt : "Desgevallend had het de Bestendige Deputatie dan ook toegekomen om hangende de procedure in graad van administratief beroep, voor het eerst verwijzende naar art. 158, te wijzen op de noodzaak van een vergelijk. Dit ware de enige correcte werkwijze - zoals uiteindelijk overigens door de verwerende partij zelf gehanteerd. Art. 158 par. 1 lid 2 schrijft immers voor dat de regularisatievraag moest worden aangevraagd binnen een termijn van zes maanden na het voorstel van vergelijk. Door deze regel ambtshalve in te roepen in graad van administratief beroep, of wat nog erger is in casu voor de eerste maal voor de Raad van State, zou anders de fout worden begaan om een vergunning af te wijzen krachtens een grond die precies door het Bestuur zelf niet was ingeroepen. Dit impliceert dat verzoeker wel degelijk belang had bij het inleiden van de vordering. Bij annulatie door Uw Raad, ware het aan de Bestendige Deputatie toegekomen om een nieuw besluit te treffen. In het kader van dit nieuwe te treffen besluit, kon de Bestendige Deputatie uiteraard perfect, overeenkomstig de toen geldende praktijk, aan verzoeker hebben opgelegd om hangende het beroep een vergelijk te treffen. De stelling dat elk belang afwezig zou zijn, zou enkel en alleen opgaan, had het College van de Stad Blankenberge zelf de regularisatieaanvraag verworpen krachtens art. 158 par. 1, 2e lid en had de Bestendige Deputatie deze verwerping krachtens art. 158 par. 1, 2e lid bevestigd. Nu van beide voorwaarden geen sprake is, diende een adequaat rechtsherstel erin te bestaan dat de Bestendige Deputatie de zaak hernam eventueel met doorzending voor het treffen van een vergelijk. Het belang bestond bij de inleiding dus wel degelijk."; dat verzoeker verder opwerpt dat "de stelling dat het niet voldoende zou zijn dat er een belang bestaat op het ogenblik van uitspraak en dat een belang per definitie zou moeten bestaan op het ogenblik van inleiding, al te absoluut (is) om correct te zijn"; dat verzoeker ter zake de vergelijking maakt met het principe van de retroactiviteit van de mildere strafwet en stelt dat de voornoemde stelling gedoemd is om in strijd te komen met het in artikel 2, tweede lid, van het strafwetboek vervatte wettelijke gebod van de retroactiviteit van de mildere strafwet; Overwegende dat de bestreden beslissing de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde X-10.409-3/5 voorwaarde was voldaan; dat de bevoegde vergunningverlenende overheid dan ook de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat de argumentatie van verzoeker dat "het ontbreken van het vergelijk niet werd opgeworpen tijdens de administratieve procedure", hieraan geen afbreuk doet; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van de bestreden beslissing; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat verzoeker hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat voorts de potentialiteit dat door de nietigverklaring van de bestreden beslissing een situatie ontstaat die voor verzoeker kan leiden tot een beter resultaat, betrekking heeft op de gevolgen eigen aan elk vernietigingsarrest, maar niet inhoudt dat verzoeker door het betrachten van dat gevolg, een belang heeft of verwerft bij het beroep; dat het artikel 158 D.R.O. niet inhoudt dat de bestendige deputatie de procedure tot vergelijk moet doorlopen, noch verzoeker moet wijzen op de noodzaak van een vergelijk, alvorens in beroep te beslissen een aanvraag tot regularisatievergunning niet in te willigen; dat tot slot de in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vervatte vereiste van een belang, geen uitstaan heeft met het in artikel 2, tweede lid van het strafwetboek vervatte principe van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet; dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.409-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.409-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.