← België

Arrest 131056 - - 05/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.056 Rolnummer: A. 106882/X-10415 Zaak: Arrest 131056 - - 05/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-18 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 06:17 Fiche Arrest nr 131.056 van 5 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.056 van 5 mei 2004 in de zaak A. 106.882/X-10.

  1. In zake :
  2. Mathieu WILLEMS,
  3. Monique DITTRICH, die woonplaats kiezen bij Advocaat M.-J. DEUSS, kantoor houdende te 3740 BILZEN, Rode Kruislaan 142 A tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Mathieu WILLEMS en Monique DITTRICH op 4 juli 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 mei 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende verwerping van hun beroep ingesteld tegen de beslissing van 28 januari 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij hun de regularisatievergunning wordt geweigerd voor een koeienstal met woning en twee voedersilo's en de aanleg van een waterpoel gelegen te Bilzen, Wanhofstraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nrs. 154 a en 155 a; Gelet op het arrest nr. 104.795 van 18 maart 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen, en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 9 april 2002 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-10.415-1/5 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 31 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 15 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M.-J. DEUSS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat K. VANDRIESSCHE die, loco Advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen op 6 maart 1998 de regularisatievergunning aanvragen voor een koeienstal met woning en twee voedersilo's en de aanleg van een waterpoel; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bilzen op 24 augustus 1998 de regularisatieaanvraag weigert; dat de verzoekende partijen op 25 september 1998 beroep instellen tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg op 28 januari 1999 beslist het beroep niet in te willigen; dat de verzoekende partijen op 19 februari 1999 beroep instellen tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media; dat de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media op 30 mei 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit de thans bestreden beslissing is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; X-10.415-2/5 Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord artikel 159 D.R.O. aanhaalt en stelt dat "rekening houdende met de beslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur van 31 oktober 2000 houdende de weigering van vergelijk, (...) er geen certificaat (kan) worden opgesteld", dat derhalve niet is voldaan aan de verplichte voorafgaandelijk te vervullen voorwaarde en er geen wettelijke mogelijkheid meer is om de gevraagde vergunning te verlenen; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord stellen wat volgt : "Verzoekers stellen vast dat verwerende partij in de memorie van antwoord (verwijst) naar het verslag van de auditeur in het kader van de schorsingsprocedure alwaar deze zich ambtshalve de vraag stelt in hoeverre het beroep ontvankelijk is in de mate de weigering van vergelijk niet het voorwerp lijkt uit te maken van een administratief beroep; En verder in de mate deze weigeringsbeslissing definitief zou zijn, dient vastgesteld te worden dat zelfs mocht de raad het voorliggend ministerieel besluit vernietigen, de minister in principe geen positieve beslissing voor verzoekers kan nemen gelet op de afwezigheid van een vergelijk; In de nota met opmerkingen, neergelegd in de schorsingsprocedure, heeft verwerende partij geen opmerking geformuleerd en is enkel geantwoord op de middelen ten gronde en op het ernstig geleden nadeel; Lezing van het schorsingsarrest geeft aan dat de Raad geen rekening heeft gehouden met de ambtshalve gestelde vraag. Verzoekers zijn van oordeel dat de Raad alvorens over het middel van het moeilijk te herstellen nadeel uitspraak te doen de ontvankelijkheidvereiste had kunnen onderzoeken, vermits de vordering tot schorsing een accessorium van het beroep tot nietigverklaring is; Vermits dit niet gebeurd is, zijn verzoekers van oordeel dat de vordering als ontvankelijk dient aanzien te worden; Daarnaast stellen verzoekers zich de vraag of artikel 158 en volgende van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening in casu wel toegepast dient te worden. De regularisatieprocedure werd immers opgestart volgens de bepalingen van de voorgaande wetgeving waarin de procedure van weigering van vergelijk niet voorzien was; Na de inwerkingtreding van het Decreet van 18 mei 1999 werd louter op basis van een overeengekomen beleidsvisie beslist de procedure van het vergelijk een tijdlang toe te passen op de lopende dossiers, doch later werd hiervan afgezien en werd bepaald dat de dossiers aanhangig gemaakt voor het Decreet van 18 mei 1999 volgens de bepalingen van de oude wetgeving zouden afgehandeld worden en de latere dossiers volgens de bepalingen van het Decreet van 18 mei 1999; Verzoekers zijn van oordeel dat de Vlaamse Regering door het nemen van een beleidsbeslissing de wet overtreedt en dat zulk een toestand neigt naar willekeur; De vraag die hierbij onderzocht moet worden is of verzoekers hierdoor enig nadeel geleden hebben; zulks is hier het geval vermits volgens de bepalingen van de voorgaande wetsregels geen vergelijk getroffen diende te worden en verzoekers geen garantie hebben gehad van een onbezoedelde en zorgvuldige belangenafweging; Dit te meer dat de Vlaamse Regering uiteindelijk haar beleidsvisie gewijzigd heeft"; X-10.415-3/5 Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie niets wezenlijks toevoegen aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet; Overwegende dat de bestreden beslissing de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat, aangezien een verzoeker moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat op het ogenblik van de regularisatieaanvraag de toen geldende regelgeving het voor handen zijn van een certificaat niet vereiste voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet inhoudt dat de verzoekende partijen op het ogenblik van het indienen van de vordering een belang hebben bij de vordering; dat te dezen op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep, de eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing aan de verzoekende partijen geen voordeel kon verschaffen vermits op dat ogenblik de vergunningverlenende overheid verplicht was, bij gebreke aan certificaat, opnieuw de aanvraag te weigeren; dat de verzoekende partijen derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang hadden bij de vernietiging van de bestreden beslissing; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partijen hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerven; dat tot slot de argumentatie van de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord afgeleid uit het gezag van het in de schorsingsprocedure gewezen tussenarrest, faalt in rechte; dat een in de kortgedingprocedure gewezen uitspraak de rechter ten gronde niet bindt; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat de verzoekende partijen niet het vereiste belang bij het beroep hebben; dat het beroep niet ontvankelijk is, X-10.415-4/5 BESLUIT: Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 697,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.415-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.056 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.104.795 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.