id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.058 Rolnummer: A. 108131/X-10480 Zaak: Arrest 131058 - - 05/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-18 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 06:17 Fiche Arrest nr 131.058 van 5 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.058 van 5 mei 2004 in de zaak A. 108.131/X-10.
- In zake : de n.v. ETN. Fr. COLRUYT, die woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 33 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ETN. Fr. COLRUYT op 27 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 mei 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld tegen het besluit van 6 april 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij haar de regularisatievergunning wordt verleend voor het aanpassen van een bestaande verharding voor parking gelegen te Deinze, Gampelaeredreef 1, op een perceel kadastraal bekend Sectie B + A, nrs. 433 d, 500 p2, t2, v2; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 31 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-10.480-1/6 Gelet op de beschikking van 17 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. SEBREGHTS die, loco Advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij op 13 september 1999 een regularisatieaanvraag indient voor het aanpassen van een bestaande verharding voor een parking; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze op 30 november 1999 deze aanvraag tot regularisatie weigert; dat de verzoekende partij op 18 januari 2000 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 6 april 2000 beslist het beroep in te willigen; dat de gemachtigde ambtenaar op 4 mei 2000 beroep instelt tegen deze inwilligingsbeslissing bij de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media; dat de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media op 9 mei 2001 beslist het beroep in te willigen; dat dit de thans bestreden beslissing is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord bij wege van exceptie aanvoert dat de vordering niet ontvankelijk is bij gebrek aan het vereiste belang, dat immers krachtens artikel 158 D.R.O. een regularisatievergunning slechts kan worden verleend na het toestaan van een vergelijk, dat in casu dit vergelijk niet voorligt en de bestendige deputatie derhalve onmogelijk een vergunning kon verlenen; X-10.480-2/6 Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord, replicerend op de opgeworpen exceptie, verwijst naar de discretionaire beslissingsbevoegdheid van de stedenbouwkundige inspecteur tegen wiens weigeringsbeslissing geen administratieve rechtsmiddelen openstaan, dat "dergelijke situatie (...) sedert de korte inwerkingtreding van deze regeling ex artikel 158, DORO al tot een aantal aberraties (hebben) geleid"; dat ze verder doet gelden wat volgt : "
- Het stedenbouwkundig vergelijk heeft aldus reeds heel wat stof doen opwaaien en zorgt thans voor een bemoeilijking van het stedenbouw-handhavingsrecht. Alleszins is het thans zeker dat beiden niet aan elkaar kunnen gekoppeld worden op het gebied van procedure. De regularisatieaanvraag dewelke krachtens voorheen geciteerde rechtspraak vooreerst door een politieke overheid als een normale vergunningsaanvraag moet worden behandeld is een louter administratieve handeling dewelke haar administratieve beroepsprocedure kent. Deze procedure eindigt in een laatste fase bij het hoogste administratieve hof van ons land, nl. de Afdeling Administratie van Uw Raad. Deze oordeelt over de wettelijkheid van het weigeringsbesluit. De discussie omtrent het vergelijk moet elders worden gevoerd. Verzoekster heeft aldus alle belang bij een vernietiging van het besluit. Dit geeft haar administratieve zekerheid dat de bevoegde politieke organen, dewelke in regel bevoegd zijn als vergunningverlenende overheid, een nieuwe opportuniteitsbeoordeling kunnen maken. Tussentijds kan voor de gewone rechter de weigering van het stedenbouwkundig vergelijk worden aangepakt. Bovendien is ondertussen ook duidelijk dat deze decretale kritieken die in voormelde nummers kort werden geschetst, hebben geleid tot een nieuwe aanpassing van het decreet op de ruimtelijke ordening. Deze wijziging zal zich kortelings realiseren en de afbakening die thans in de rechtspraak van Uw Raad wordt gemaakt, in decretale bepalingen omzetten. Dit decretaal ingrijpen maakt het verzoek tot vernietiging nog meer opportuun. Verzoekster heeft dan ook alle belang bij het aanvechten van deze administratieve weigeringsbeslissing. Eens deze weigeringsbeslissing definitief in kracht van gewijsde zou treden, kan men zich niet verder beroepen op het ingediende administratieve dossier en wordt een nieuwe aanvraag verplichtend. Deze nieuwe aanvraag zal zich vervolgens moeten steunen op een gewijzigde situatie om niet in de non bis in idem sfeer terecht te komen. Thans de vordering van verzoekster, dewelke in se vergunningsaanvrager is met evident belang, afwijzen bij wijze van de onontvankelijkheid der vordering zou dan ook afbreuk doen aan de maximaal uit te putten rechtsmiddelen dewelke de burger ter beschikking staan ter bestrijding van jegens hem negatieve, individueel, uitvoerbare administratieve beslissingen.
- Bovendien heeft verzoekster belang bij een eventuele vernietiging van het thans aangevochten besluit, daar het DORO een reeks van uitzonderings- en afwijkingsregels bevat dewelke eveneens een gescheiden aanpak van de procedures vergen. Indien nu wordt gesteld dat er in hoofde van verzoekster onvoldoende belang zou zijn, daar een vernietiging haar geen reëel voordeel zou opleveren, vraagt deze zich af in hoeverre men dit standpunt kan bijtreden in het kader van het DORO. Daarin wordt thans o.a. voorzien in het artikel 195quinquies, dat een algemene clementieregeling invoert voor stedenbouwmisdrijven uitgevoerd aan geheel of gedeeltelijk vergunde gebouwen en dit voor de periode van 1 jaar. Als men de stelling van verwerende partij bijtreedt heeft deze clementieregeling tot op heden geen enkele X-10.480-3/6 uitwerkingsmogelijkheid daar elk oordeel binnen het vergunningsverlenende kader nooit aan enige objectieve wettigheidstoetsing zou kunnen worden voorgelegd, daar Uw Raad steeds tot de onontvankelijkheid zou moeten besluiten. Dit terwijl het decreet uitdrukkelijk een regularisatieperiode voorziet van 1 jaar na inwerkingtreding van het decreet van 13 juli
- Aldus loopt de termijn thans tot 13 augustus
- Doch als het standpunt van verwerende partij wordt bijgetreden, beschikt men niet over een volledige administratieve procedure, kan men de wettigheid nooit laten toetsen en beschikt men allerminst over de periode van 1 jaar na inwerkingtreding van het decreet. Aldus zou het standpunt van verweerster zelf de onwettigheid van het DORO opwerpen, daar het ene voorschrift het andere verhindert. Dergelijke situatie werkt onduidelijk, en in het nadeel van de particuliere rechtsonderhorige, terwijl deze bij wetsconflicten steeds in de situatie dient geplaatst te worden dat de wet jegens hem in de meest gunstige situatie speelt. Het is dan ook in deze optiek dat minstens Uw Raad zal moeten vaststellen dat verzoekster wel degelijk een afdoende belang heeft bij de vernietiging van het thans bestreden besluit"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie o.m. aan het voorgaande toevoegt dat het onbillijk zou zijn het verzoekschrift onontvankelijk te verklaren aangezien "op het moment dat verzoekende partij op 13 september 1999 bij het gemeentebestuur van Deinze haar regularisatieaanvraag indiende, (...) de artikelen 158 en 159 DORO nog niet in werking (waren) getreden, (dat) deze artikelen (...) maar in werking (traden) op 1 mei 2000, (dat) op het moment van het indienen van het verzoekschrift dd. 27 juli 2001 (...) door de inwerkingtreding van voornoemde artikelen een vergelijk wel nodig (was), doch bij decreet van 8 maart 2002 (...) al weer van elkaar (werden) losgekoppeld"; dat de verzoekende partij hieraan toevoegt dat "het belang van het aanvechten van de administratieve beslissing er net in gelegen is door Uw Raad te horen zeggen dat de door haar aangevoerde middelen gegrond zijn, waardoor de overheid een nieuwe en dan wél wettige beslissing zal moeten nemen; zodat zij niet opnieuw dezelfde onwettige beslissing zal kunnen nemen"; dat zij tenslotte stellen dat "Uw Raad (...) met betrekking tot de ontvankelijkheid van een vordering (zich) niet mag laten leiden door een ongrondwettelijke decreetsbepaling, (dat) de schending van het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door (het oud) artikel 158 DORO evident (is)"; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets wezenlijks aan het voorgaande toevoegt; Overwegende dat de bestreden beslissing de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen X-10.480-4/6 van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de bevoegde vergunningverlenende overheid dan ook de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat de verzoekende partij derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van de bestreden beslissing; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat op het ogenblik van regularisatieaanvraag de toen geldende regelgeving het voorhanden zijn van een certificaat niet vereiste voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet inhoudt dat de verzoekende partij op het ogenblik van het indienen van de vordering een belang heeft bij de vordering; dat evenmin de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de kritiek van de verzoekende partij op de bepalingen van het decreet ruimtelijke ordening, los van het feit of de Raad van State zich hierover mag uitspreken, hieraan geen afbreuk doet; dat verder het belang dat volgens de verzoekende partij blijkt uit het feit dat wanneer de door haar aangevoerde middelen gegrond worden verklaard de overheid "een nieuwe en dan wel wettige beslissing zal moeten nemen", betrekking heeft op de gevolgen eigen aan elk vernietigingsarrest en niet inhoudt dat de verzoekende partij door het betrachten van dit gevolg, een belang heeft bij het beroep; dat hetzelfde geldt wat haar argumenten betreft inzake het zich niet verder meer kunnen beroepen op het ingediende administratieve dossier indien het voorliggend beroep wordt afgewezen; dat de exceptie van de verwerende partij wordt aangenomen; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-10.480-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.480-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.058 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.