id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.113 Rolnummer: A. 120178/VII-26445 Zaak: Arrest 131113 - - 06/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-25 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:18 Fiche Arrest nr 131.113 van 6 mei 2004 - Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.113 van 6 mei 2004 in de zaak A. 120.178/VII-26.
- In zake : Johan VANDERFAEILLIE, die woonplaats kiest bij Advocaat K. BOUVE, kantoor houdende te DE HAAN, Mezenlaan 9 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Johan VANDERFAEILLIE op 24 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 25 februari 2002 waarbij de vraag tot herziening van de beslissing van de Mestbank van 13 november 2000 tot vaststelling van de nutriëntenhalte voor het Mestbanknummer 32014004682 op de inrichting nr. 101504840, Noordhoek 17 te Lo-reninge, ongegrond wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 126.940 van 8 januari 2004 waarbij de afstand van de vordering tot schorsing wordt vastgesteld; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan verzoeker op 23 januari 2004; Gelet op de kennisgeving aan verzoeker, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; VII-26.445-1/3 Overwegende dat verzoeker niet heeft gevraagd om te worden gehoord; Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoeker een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer hij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; dat deze bepaling ook toepassing vindt ingeval verzoeker afstand heeft gedaan van zijn vordering tot schorsing; Overwegende dat het arrest nr. 126.940 van 8 januari 2004 de afstand van de vordering tot schorsing heeft vastgesteld; Overwegende dat verzoeker geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat te zijnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; Overwegende dat, gelet op de omstandigheden van de zaak, de kosten ten laste worden gelegd van het Vlaamse Gewest, BESLUIT: Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-26.445-2/3 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes mei tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-26.445-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.113 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.126.940 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.