← België

Arrest 131126 - - 06/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.126 Rolnummer: A. 74902/XII-859 Zaak: Arrest 131126 - - 06/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-03 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:19 Fiche Arrest nr 131.126 van 6 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.126 van 6 mei 2004 in de zaak A. 74.902/XII-

  1. In zake : de NV VANHAERENTS, die woonplaats kiest bij advocaten L. Delacourt en L. Desticker, kantoor houdende te Brugge, Gistelsesteenweg 340 tegen : de STICHTING ROGER RAVEEL, met zetel te Machelen-Zulte, Hoevestraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Vanhaerents op 7 juli 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit dd. 06.05.1997 van de stichting Roger Raveel, met zetel te 9870 Machelen-Zulte, Hoevestraat 14, waarbij de inschrijving van verzoekster dd. 16.09.1996 op de beperkte aanbesteding van het museum Roger Raveel (bijzonder bestek 966RR) als onregelmatig en niet-bestaande wordt gehouden”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 12 februari 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 17 september 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 oktober 2003; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-859-1\5 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Rotsaert, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M.-A. Devenyn, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij een “beperkte aanbesteding” uitschrijft voor de bouw van een museum; dat zij in het toepasselijke bestek, op die opdracht de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing verklaart; dat de verwerende partij met een brief van 6 mei 1997 de verzoekende partij meedeelt dat haar offerte van 16 september 1996 als onregelmatig wordt aangemerkt en dienvolgens voor niet-bestaande wordt gehouden; Overwegende dat de verwerende partij in een exceptie opwerpt dat de bestreden beslissing niet geldig voor de Raad van State kan worden aangevochten omdat zij geen administratieve overheid is in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad de State; dat zij daartoe onder meer betoogt dat zij niet door de overheid is opgericht, dat zij, al dient zij ook het algemeen belang, uit een particulier initiatief voorkomt, dat zij te dezen bij het toewijzen van een opdracht “niet toegerust is met openbaar gezag” en dat de toepassing van de wetgeving op de overheidsopdrachten niet automatisch impliceert dat een annulatieberoep voor de Raad van State ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat de verwerende partij “minstens met goedkeuring door de overheid” werd opgericht, vermits dat een essentiële voorwaarde is bij een instelling van openbaar nut, dat op haar controle uitgeoefend wordt door de overheid, dat zij zichzelf minstens gedeeltelijk onder controle van de overheid stelt, vermits “minstens beslissingen inzake restauratie zelfs afhankelijk [blijken] van de goedkeuring van de overheid”, dat zij voorts beoogt een “openbare dienst te verlenen, met name het houden van een museum en het promoten van het werk van één bepaalde kunstenaar” en “toebedeeld [is] met enig openbaar gezag, vermits zij werken kan gunnen, hetgeen voor de XII-859-2\5 begunstigde van de gunning en voor de overige niet gekozen inschrijvers wel degelijk rechtsgevolgen met zich brengt”; Overwegende dat overeenkomstig artikel 14, §1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, deze enkel kennis mag nemen van beroepen tot nietigverklaring ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de administratieve handelingen van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel; Overwegende dat instellingen die zijn opgericht door privé-personen, maar erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, als administratieve overheden kunnen optreden in de zin van dit artikel 14, mits hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden; dat handelingen door deze instellingen gesteld het voorwerp kunnen zijn van een nietigverklaring wanneer die instellingen daarbij een deel van het openbaar gezag uitoefenen; Overwegende dat de verwerende partij als instelling van openbaar nut is opgericht overeenkomstig titel II van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend; dat uit artikel 4 van haar statuten, zoals bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 13 maart 1997, blijkt dat zij is gesticht door “Roger Raveel, kunstschilder, en zijn echtgenote mevrouw Zulma De Nijs, huisvrouw”; dat het hier dienvolgens een instelling betreft die louter door privé-personen is opgericht; dat evenmin blijkt dat de in het voormelde artikel 4 aangestelde en aanvaarde bestuurders op een andere wijze dan als privé-persoon bij de instelling zijn betrokken; Overwegende dat overeenkomstig artikel 27 van de voormelde wet van 27 juni 1921 een instelling van openbaar nut slechts met goedkeuring van de regering mag worden opgericht; dat artikel 30 van die wet bepaalt dat die instelling slechts rechtspersoonlijkheid geniet wanneer haar statuten door de regering zijn goedgekeurd; dat titel II van die wet nog in een aantal andere controlevormen op een XII-859-3\5 dergelijke instelling voorziet; dat die controle ertoe strekt te verhinderen dat een instelling van openbaar nut misbruik zou maken van de rechtspersoonlijkheid; dat dienvolgens uit de bepalingen die dergelijke controle regelen niet mag worden afgeleid dat die instelling door de overheid met een opdracht van algemeen belang zou zijn belast en zij daardoor bij het nemen van de bestreden beslissing zou zijn opgetreden als administratieve overheid in de zin van het voormelde artikel 14; Overwegende dat de verwerende partij overeenkomstig artikel 6, vierde lid, van haar statuten “toestaat” dat een ambtenaar aangewezen door de Vlaamse regering bepaalde van haar vergaderingen bijwoont, namelijk wanneer over het monument dat haar toebehoort of over daaraan uit te voeren werken wordt beslist; dat zulks niet inhoudt, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij stelt, dat zij de betrokken beslissingen afhankelijk maakt van de goedkeuring van de overheid; dat voorts artikel 6, vijfde lid, van de statuten bepaalt dat “de tenuitvoerlegging van de beslissing van de algemene vergadering of van het bevoegde orgaan omtrent het behoud of de restauratie van het monument, waarbij de aanwending van een restauratiepremie is betrokken, aan het akkoord van de Vlaamse regering [dient] te worden voorgelegd”; dat een dergelijke vrijwillige onderwerping aan het akkoord van een overheid met de manifeste bedoeling geen restauratieprojecten zonder restauratiepremie aan te vatten, er evenmin toe leidt dat de verwerende partij daardoor in de hoedanigheid van administratieve overheid zou zijn opgetreden; Overwegende voorts, dat de omstandigheid dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing bepalingen van de voormelde wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten of haar uitvoeringsbesluiten heeft toegepast, niet van aard is om daaruit af te leiden dat zij daarbij als administratieve overheid is opgetreden; dat immers die regelingen ook van toepassing kunnen zijn op privé-personen en hun toepassingsgebied eveneens -zoals te dezen- kan worden uitgebreid door vrije keuze van de betrokkenen; dat ook niet kan worden aanvaard dat, door de offerte van de verzoekende partij te weren, de verwerende partij een beslissing nam die derden bindt, nu een dergelijke beslissing geen verplichtingen ten aanzien van derden doet ontstaan; XII-859-4\5 Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat de exceptie gegrond is; dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing niet heeft gehandeld als administratieve overheid zoals bedoeld in artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het aldus de Raad van State niet toekomt van het beroep tot nietigverklaring kennis te nemen, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes mei 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-859-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.