id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.137 Rolnummer: A. 147417/XII-4047 Zaak: Arrest 131137 - - 06/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-11 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 06:19 Fiche Arrest nr 131.137 van 6 mei 2004 - Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.137 van 6 mei 2004 in de zaak A. 147.417/XII-4047. In zake : 1. de NV ALGEMENE ONDERNEMINGEN E.G. VERSTRAETE & VAN HECKE, 2. de NV BUILDING, 3. de NV WILLEMEN GENERAL CONTRACTOR, samen een tijdelijke handelsvennootschap vormend, die woonplaats kiezen bij advocaat M. Schoups, kantoor houdende te Antwerpen, Lange Lozannastraat 270 tegen : de KATHEDRALE KERKFABRIEK VAN SINT-BAAFS TE GENT, die woonplaats kiest bij advocaten M. Storme en P. Aerts, kantoor houdende te Gent, Coupure 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV Algemene Ondernemingen E.G. Verstraeten & Van Hecke, NV Building en NV Willemen General Contractor, die samen een tijdelijke handelsvennootschap vormen, op 9 februari 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Kathedrale Kerkfabriek van Sint-Baafs te Gent tot vaststelling van het bijzonder bestek nr. 922/3841 in het kader van een algemene offerteaanvraag tot restauratie van de lichtbeuk van het koor van de Sint-Baafskathedraal te Gent, bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 12 december 2003; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partijen de vernietiging vorderen van dezelfde beslissing; XII-4047-1\12 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur L. Vermeire; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaten M. Schoups en K. Tengrootenhuysen, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat P. Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de relevante gegevens voor de beoordeling van de vordering tot schorsing als volgt kunnen worden samengevat : Het op de in het geding zijnde opdracht toepasselijke bestek luidt onder meer (blz. 4a) als volgt : “Hoofdstuk II - Regels in verband met de kwalitatieve selectie voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken. [...] Artikel 19 Teneinde de algemene en restauratiespecifieke bekwaamheid van de inschrijver en in het bijzonder van de verantwoordelijke(
- n)voor de leiding van de XII-4047-2\12 restauratiewerkzaamheden na te gaan moeten bij de offerte volgende documenten worden gevoegd conform artikel 25 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten : - Kwalificaties : - Getuigschrift van erkenning - De aannemer moet beschikken over een VCA**-attest, minstens geldig tot en met de aanbestedingsdatum. Hij dient ten gepaste tijde de nodige maatregelen te nemen opdat de geldigheid ervan verlengd wordt tot de voltooiing van de opdracht. - De aannemer dient te beschikken over een ISO 9002 of ISO 9001 : 2000-certificaat in het domein van de werken beschreven in onderhavig bestek of gelijkwaardig. [...] Artikel 90 § 1 De offerte vermeldt de gegevens voor de erkenning van de aannemer overeenkomstig de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken. Aan de hand van de raming van de globaliteit van de fases wordt voorlopig bepaald dat de erkende aannemer ingedeeld is in klasse 8 in de ondercategorie D 24. § 2 Volgende bescheiden, modellen, monsters en inlichtingen moeten aan de aanbestedende overheid worden bezorgd : - geldig RSZ-attest - bewijs van registratie - getuigschrift van erkenning - VCA**-attest - ISO 9002 of ISO 9001 : 2000 certificaat of gelijkwaardig - lijst van gelijkaardige restauratiewerkzaamheden met getuigschriften (zie artikel 19) [...] Artikel 93 § 1 Alle partners van een tijdelijke vereniging moeten voldoen aan de voorwaarden van artikel 19 betreffende de kwalitatieve selectie”. De verzoekende partijen zijn drie bouwondernemingen die bij “protocol” van 12 december 2003 de tijdelijke handelsvennootschap “Verstraete & Vanhecke -Building-Willemen” hebben opgericht met als doel “alle krachten te bundelen om de aanbesteding en eventuele uitvoering van het project te Gent, besteknummer 922/3841”, restauratie van de lichtbeuk van het koor van de Sint-Baafskathedraal, zijnde de in het geding zijnde opdracht te verkrijgen. De eerste en tweede verzoekende partij beschikken over een erkenning in klasse 7 en de derde verzoekende partij over een voorlopige erkenning in klasse 5; XII-4047-3\12 2. Over de grondvoorwaarden tot schorsing. 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen betogen dat hun nadeel ernstig is, aangezien hun door de bestreden besteksbepalingen de mogelijkheid wordt ontzegd om zich de in het geding zijnde opdracht te zien toewijzen en dat die opdracht een referentiewerk is, omdat er sinds 1 januari 1997 slechts drie werken in klasse 8, ondercategorie D24 werden toegewezen; dat zij voorts stellen dat het dreigend nadeel bovendien moeilijk te herstellen is aangezien de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit tot vaststelling van het betrokken bestek, tot gevolg heeft dat de gunningsprocedure zal worden voortgezet en dat de opdracht niet aan hen zal worden gegund aangezien zij niet voldoen “aan de vooropgestelde onwettige criteria” en enkel de schorsing hun een kans zal bieden op de gevraagde toewijzing van de opdracht; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij het geschetste nadeel als dusdanig niet tegenspreekt; dat zij wel betoogt, vooreerst dat “het ontzeggen van een gunning op zichzelf niet het nadeel kan zijn, nu slechts na het onderzoek van de nog in te dienen inschrijvingen zal moeten worden nagegaan wie de voordeligste regelmatige offerte zal hebben ingediend”; dat dit verweer naast de zaak is; dat immers de verzoekende partijen met hun vordering juist proberen te verhinderen dat zij als inschrijvers worden geweerd op grond van de toepassing van criteria uit het bestek die zij in hun middelen onrechtmatig noemen; dat de verwerende partij voorts stelt dat het aangevoerde nadeel ten onrechte de deelgenoten betreft, aangezien het aan de “tijdelijke vereniging” zelf moet kunnen worden toegerekend; dat dit standpunt niet wordt bijgetreden; dat de tijdelijke handelsvennootschap waarmee de verzoekende XII-4047-4\12 partijen de opdracht willen uitvoeren, niet over rechtspersoonlijkheid beschikt en het dienvolgens juist wel de deelgenoten van die vennootschap zijn die elk hun nadeel moeten aantonen; 2.1.3. Overwegende dat het geschetste nadeel wordt aangenomen, behalve in zoverre het op het derde en vierde middel zou moeten worden betrokken; dat immers niet wordt aangetoond dat de verzoekende partijen het geschetste nadeel reeds dreigen te ondergaan louter door de vaststelling van de -in die twee middelen aan kritiek onderworpen- criteria uit artikel 115 (blz. 7a) van het bestek, inzake waarborgen op het vlak van stabiliteit, aanpak van de werken op het vlak van de veiligheid van werknemers, van de aannemer, gebruikers en derden, referenties van gelijkaardige restauratiewerkzaamheden en het aandeel van de werken dat door de inschrijver zelf zal worden uitgevoerd; dat die criteria immers niet meteen tot gevolg hebben dat de verzoekende partijen erdoor worden uitgesloten van de opdracht; dat dienvolgens hierna enkel nog het eerste en het tweede middel dienen te worden onderzocht, waarin besteksbepalingen worden aangevochten die de verzoekende partijen wel lijken te zullen verhinderen de opdracht toegewezen te krijgen; 2.2.1. Overwegende, wat de eerste schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 19 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat daarbij in een eerste onderdeel wordt aangevoerd dat, inzake aanneming van werken, artikel 19 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 op limitatieve wijze de referenties opsomt die door de aanbestedende overheid geëist kunnen worden van de inschrijvers om hun technische bekwaamheid te bewijzen, dat het bestek deze bepaling schendt door op bladzijde 4, in artikel 19, bijkomend als kwalitatief selectiecriterium een ISO-certificaat of een VCA**- attest te eisen, en dat voorts noch in de aankondiging van de opdracht noch in het bijhorende bestek gemotiveerd wordt waarom bijkomende, afwijkende en onwettige selectiecriteria worden opgelegd; XII-4047-5\12 Overwegende dat artikel 19 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 als volgt luidt : “Onverminderd de bepalingen betreffende de erkenning van aannemers van werken, kan de technische bekwaamheid van de aannemer aangetoond worden door één of meer van de volgende referenties : 1/ door studie- en beroepskwalificaties van de aannemer en/of van het ondernemingskader en, in het bijzonder, van de verantwoordelijke(
- n)voor de leiding van de werken; 2/ door de lijst van de werken uitgevoerd tijdens de laatste vijf jaar, en gestaafd door getuigschriften van goede uitvoering voor de belangrijkste werken. Deze getuigschriften bevatten het bedrag, het tijdstip en de plaats van uitvoering van de werken en geven duidelijk weer of deze uitgevoerd werden volgens de regels van de kunst en of ze op regelmatige wijze tot een goed einde werden gebracht. In voorkomend geval zullen deze getuigschriften door de bevoegde overheid rechtstreeks aan de aanbestedende overheid toegezonden worden; 3/ door een verklaring die de werktuigen, het materieel en de technische uitrusting vermeldt waarover de aannemer zal beschikken voor de uitvoering van het werk; 4/ door een verklaring die de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting van de onderneming en de omvang van het kader weergeeft tijdens de laatste drie jaren; 5/ door een verklaring waarin de technici of de technische diensten vermeld worden die, al dan niet deel uitmakend van de onderneming, ter beschikking zullen staan van de aannemer voor de uitvoering van het werk. De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of in de uitnodiging tot het indienen van een offerte aan, welke van deze referenties zij verlangt.”; dat met de verzoekende partijen lijkt te moeten worden vastgesteld dat het op bladzijde 4a, artikel 19, van het bestek gevraagde VCA**-attest en ISO-9002 of ISO-9001/2000 certificaat in het domein van de werken beschreven in het bestek of gelijkwaardig, vereisten hernomen op bladzijde 5a, artikel 90, § 3, van het bestek niet uitdrukkelijk in artikel 19 van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996 worden vermeld; dat het echter de vraag is of hieruit zonder meer, zoals verzoekende partijen doen, afgeleid moet worden dat het bijgevolg om een onrechtmatig selectiecriterium gaat; dat zij daarbij immers niet, zeker niet prima facie, aantonen, zoals in een administratief kort geding vereist, om welke reden een dergelijk attest of certificaat, dat zoals verwerende partij aangeeft, door onafhankelijke instanties wordt verleend en aantoont dat de aannemer aan bepaalde normen inzake kwaliteits- en veiligheidsbewaking voldoet, niet zou kunnen worden als aangemerkt een XII-4047-6\12 beroepskwalificatie in de zin van artikel 19 van het voormelde besluit; dat de verwerende partij daarbij benadrukt dat het VCA**-attest werd opgenomen als selectievoorwaarde om de waarborg te hebben dat de aannemer wel degelijk de veiligheid op de bouwplaats kan verzekeren zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, waarbij de last voor de organisatie van deze veiligheid bij de aanbestedende overheid van bouwactiviteiten ligt en het niet verboden is dat deze uit eigen beweging bijzondere veiligheidseisen stelt voor de uitvoering van bouwwerken waarvan zij de bouwheer is; dat het ISO-certificaat volgens de verwerende partij werd gevraagd omdat dit een kwalitatief eindproduct garandeert door middel van het opleggen van eisen aan de volledige organisatie, inzake het ontwerpen, het ontwikkelen, het vervaardigen, het installeren en de nazorg in de ISO 9001 norm en inzake het verwaardigen, het installeren en de nazorg in de ISO 9002 norm, en gekoppeld is aan “de normering in de reeks NBN EN ISO 9000” die de status hebben van Belgische norm en een algemene kwaliteitszorg en kwaliteitsborging waarborgen, dat zulks relevant is aangezien een kwalitatief eindproduct uiteraard technische bekwaamheid van het personeel impliceert; dat dit alles dient te worden gelezen tezamen met de verwijzingen in de nota van de verwerende partij naar de bijzondere aard van de in het geding zijnde opdracht, waarbij de uitvoering gebeurt in een geklasseerd monument en waarbij die uitvoering dus in alle opzichten een uiterste zorg en ervaring vereist ten einde elke beschadiging van de kunsthistorische elementen van de kathedraal uit te sluiten en waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat kerkdiensten tijdens de werken zullen moeten plaatsvinden en dat de kathedraal tijdens vastgestelde uren moet openstaan voor bezoekers; dat aldus met de verwerende partij moet worden geconcludeerd dat het eerste onderdeel van dit middel dan ook niet ernstig is; Overwegende dat in het tweede onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat ook het bepaalde op bladzijde 5a, artikel 93 van het bestek, dat alle leden van de tijdelijke handelsvennootschap aan de gestelde -onrechtmatige- selectiecriteria van het bestek moeten voldoen, zoals het voorleggen van een XII-4047-7\12 VCA**-attest of een ISO-certificaat, om dezelfde reden als uiteengezet in het eerste onderdeel, artikel 19 van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996 schendt; dat het middelonderdeel inzake die certificaten dan ook samen valt met het eerste onderdeel van dit middel; dat, indien meer zou bedoeld zijn, namelijk dat het bepaalde in dat artikel 93 in het algemeen onwettig zou zijn door te eisen dat elke partner van een tijdelijke handelsvennootschap aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, niet alleen wat betreft het VCA**-attest en ISO-certificaten, maar ook wat betreft andere criteria, zoals erkenning en referenties, het middelonderdeel niet ontvankelijk is aangezien niet concreet wordt toegelicht welke rechtsregel op die wijze en om welke reden wordt geschonden; dat dienvolgens het tweede onderdeel niet ernstig is; Overwegende dat in het derde onderdeel van het middel de schending van de voornoemde wet van 29 juli 1991 wordt aangevoerd omdat het aan de verwerende partij behoorde om op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel het bestek zorgvuldig op te maken, steunend op de wettelijke selectiecriteria en om, wanneer zij wenste af te wijken van de wettelijke selectiecriteria, haar beslissing minstens op dit punt afdoende te motiveren terwijl te dezen de afwijking van artikel 19 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 niet afdoende wordt gemotiveerd; Overwegende dat niet wordt toegelicht welke afwijking bedoeld is; dat in de context van het middel kan worden aangenomen dat opnieuw de vereiste VCA**- en ISO-certificaten van bladzijde 4a, artikel 19, van het bestek bedoeld zijn zoals in de rest van dit middel; dat de verwerende partij trouwens dit middelonderdeel ook in die zin heeft begrepen; dat, gelet op de conclusie bij het eerste onderdeel dit middelonderdeel dan echter feitelijke grondslag mist aangezien het prima facie ten onrechte aanneemt dat de bestreden bestekbepaling van artikel 19 afwijkt van het koninklijk besluit van 8 januari 1996; dat aldus het derde onderdeel en bijgevolg het eerste middel in zijn geheel niet ernstig is; 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 11, § 1 en § 2, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken; dat daarbij in een XII-4047-8\12 eerste onderdeel wordt aangevoerd dat artikel 11, § 1, is geschonden doordat op bladzijde 5a, artikel 93 van het bestek wordt vereist dat alle partners van een tijdelijke vereniging, thans tijdelijke handelsvennootschap, voldoen aan de voorwaarden van artikel 19 betreffende de kwalitatieve selectiecriteria en dus een getuigschrift van erkenning, voorlopig bepaald als klasse 8, ondercategorie D24, moeten voorleggen, terwijl ingevolge artikel 11, § 1, van de wet van 20 maart 1991 niet is vereist dat alle leden van de tijdelijke vennootschap, over een erkenning beschikken opdat daarvoor een gunning kan geschieden maar bepaalt dat de tijdelijke handelsvennootschap tot de uitvoering der werken kan worden toegelaten voor zover ten minste één van de deelgenoten over een erkenning beschikt die overeenstemt met de voor die werken vereiste klasse en categorie of ondercategorie of daartoe de bewijzen heeft geleverd; Overwegende dat artikel 11 van de wet van 20 maart 1991 luidt als volgt : “Art. 11, § 1. De tijdelijke verenigingen van aannemers worden tot de uitvoering der werken toegelaten, voor zover ten minste één der deelgenoten over een erkenning beschikt die overeenstemt met de voor die werken vereiste klasse en categorie of ondercategorie of daartoe de bewijzen heeft geleverd bepaald in artikel 3, § 1, 2/, en voor zover de andere deelgenoten beantwoorden aan de voorwaarden gesteld bij artikel 4, § 1, 1/, 2/, 3/, 4/ en 7/. De deelgenoten mogen in geen geval het voorwerp uitmaken van een uitsluiting, schorsing of intrekking van erkenning in de zin van artikel 19. § 2. De tijdelijke verenigingen waarvan ten minste twee deelgenoten erkend zijn in dezelfde klasse en categorie of ondercategorie of, overeenkomstig artikel 3, § 1, 2/, bewijzen aan de voorwaarden voor die erkenning te voldoen, worden geacht de vereiste erkenning te bezitten voor de uitvoering van de in de onmiddellijk hogere klasse ingedeelde werken van die categorie of ondercategorie. De bepaling van het vorig lid vindt geen toepassing wanneer de deelgenoten van de tijdelijke vereniging slechts erkend zijn in de laagste klasse.”; Overwegende dat de verwerende partij betwist dat de verzoekende partijen belang hebben bij het eerste middelonderdeel omdat geen van hen beschikt over de vereiste erkenning klasse 8, ondercategorie D.24 en dat bijgevolg geen van de deelgenoten zich bevindt in de situatie van het aangehaalde artikel 11, § 1 zodat die bepaling niet van toepassing is; dat die vaststelling echter veronderstelt dat de aangevochten bepaling van bladzijde 5a, artikel 93, van het bestek volledig geldig XII-4047-9\12 wordt geacht en dat bijgevolg ook het tweede middelonderdeel wordt afgewezen; dat daarin immers juist wordt aangevoerd dat artikel 11, § 2, van de wet van 20 maart 1991 is geschonden door hetzelfde artikel 93 samen met artikel 19 aangezien aldus voor elke deelgenoot van een tijdelijke handelsvennootschap wordt vereist dat deze beschikt over de vereiste erkenning voor de werken, voorlopig bepaald als klasse 8, ondercategorie D.24, en aldus de in artikel 11, § 2, vervatte mogelijkheid uitsluit dat een tijdelijke handelsvennootschap, waarvan minstens twee deelgenoten erkend zijn in dezelfde klasse en categorie of ondercategorie, of overeenkomstig artikel 3, § 1, 2/, van die wet bewijzen aan de voorwaarden voor die erkenning te voldoen, geacht wordt de vereiste erkenning te bezitten voor de uitvoering van de in de onmiddellijk hogere klasse ingedeelde werken van die categorie of ondercategorie; dat, indien dit tweede middelonderdeel gegrond wordt geacht, artikel 11, § 2, onverminderd geldt zodat de verzoekende partijen, gelet op hun erkenning in de respectieve klassen 7, 7 en 5 - ondercategorie D.24, kunnen worden toegelaten tot werken van klasse 8 en de verzoekende partijen in dit geval ook belang hebben bij het eerste middelonderdeel aangezien daarin wordt betwist dat vereist kan worden dat elke deelgenoot van een tijdelijke handelsvennootschap de vereiste erkenning heeft; dat dienvolgens eerst het tweede onderdeel moet worden onderzocht; Overwegende dat de verwerende partij op het tweede onderdeel antwoordt dat geen enkele wettelijke bepaling voorschrijft dat de aanbestedende overheid zich dient te beperken tot de in de wet bepaalde selectiecriteria en dat het de aanbestedende overheid niet verboden is uit eigen beweging bijzondere eisen te stellen voor de uitvoering van de werken waarvan zij bouwheer is op voorwaarde dat de opgenomen bepalingen er niet toe strekken bepaalde kandidaten te bevoordelen en/of andere te benadelen en op voorwaarde dat het bestek geen bepalingen bevat die strijdig zijn met de regels van dwingend recht of de openbare orde, dat zulks niet het geval is aangezien gekozen werd voor een algemene offerteaanvraag zodat gezocht dient te worden naar de voordeligste regelmatige offerte en daarbij het feit dat de erkenning toelaat te vermoeden dat de inschrijver over de vereiste technische bekwaamheid beschikt voor de werken waarvoor hij erkend is, niet uitsluit dat in het kader van een offerteaanvraag bijzondere en strenge eisen worden gesteld omdat dan XII-4047-10\12 de meest interessante of voordelige offerte wordt gekozen, dat het vereiste dat elke deelgenoot van een tijdelijke handelsvennootschap aan de selectiecriteria moet voldoen te dezen is ingegeven door de bekommernis te vermijden dat de werken worden uitgevoerd door die deelgenoot die niet voldoet op het vlak van de kwalitatieve selectiecriteria en dat de voorwaarde dat de referenties voor minstens 50 % van de kostprijs moeten zijn uitgevoerd door eigen personeel, wordt uitgehold door in te schrijven onder het mom van een tijdelijke handelsvennootschap, dat een strengere voorwaarde dan die van artikel 11, § 2, niet verboden is en te dezen zelfs noodzakelijk voor een zorgvuldige toewijzing; Overwegende dat de verwerende partij aldus niet betwist dat de aangevochten bestekbepaling op bladzijde 5a, artikel 93, afwijkt van het bepaalde in artikel 11, § 2, van de wet maar meent dat dit niet verboden is; dat inderdaad de overheid behalve de erkenning, aan de inschrijvers in het kader van een offerteaanvraag bijkomende eisen lijkt te mogen stellen waaruit hun technische bekwaamheid blijkt; dat echter op het vlak van erkenningsklassen een dergelijke gestrengheid niet lijkt toegestaan; dat die mogelijkheid immers dan artikel 11, §§ 1 en 2, dat voordelig is voor inschrijvers die als tijdelijke handelsvennootschap optreden, elke betekenis lijkt te ontnemen; dat het middel in beide onderdelen ernstig is; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat aan de schorsingsvoorwaarden is voldaan, XII-4047-11\12 BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Kathedrale Kerkfabriek van Sint-Baafs te Gent tot vaststelling van artikel 93 van het bijzonder bestek (op bladzijde 5a) nr. 922/3841, bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 12 december 2003. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes mei 2004, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4047-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.137 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.632 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div