id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.174 Rolnummer: A. 63593/IX-1374 Zaak: Arrest 131174 - - 10/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-04 06:19 Fiche Arrest nr 131.174 van 10 mei 2004 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.174 van 10 mei 2004 in de zaak A. 63.593/IX-
- In zake : Roland VAN DE VELDE, wonende te GENT, Absdalestraat 31 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roland VAN DE VELDE op 8 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 november 1994 waarbij de minister van Financiën hem een eenmalige inhouding van wedde van 1.000 frank oplegt en van de weigering de ordemaatregel van de gewestelijk directeur van 19 februari 1993, waarbij hij met ingang van 1 maart 1993 in het belang van de dienst wordt tewerkgesteld ter Inspectie Aalst II, ongedaan te maken; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 18 september 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1374-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 22 januari 2004 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 15 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over het voorwerp van de vordering. Overwegende dat wat het tweede voorwerp betreft, de verwerende partij meldt dat de ordemaatregel met ingang van 1 juli 1995 is opgeheven; dat verzoekers vordering in zoverre zij tot voorwerp heeft de weigering om de ordemaatregel van de gewestelijk directeur van 19 februari 1993, waarbij hij met ingang van 1 maart 1993 in het belang van de dienst wordt tewerkgesteld ter Inspectie Aalst II, ongedaan te maken, doelloos is geworden;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : IX-1374-2/8 2.
- In de loop van de jaren 1991-1992 krijgt verzoeker een reeks vragen tot verantwoording van een aantal disfuncties. 2.
- Op 3 maart 1993 krijgt hij kennis van een voorlopig strafvoorstel van “verplaatsing bij tuchtmaatregel”. De hem ten laste gelegde feiten worden als volgt omschreven : “Motivering van het voorstel : - invullen van B.T.W.-aangiften; - zware nalatigheid in de uitoefening van zijn taak door niet tijdig gevolg te hebben gegeven aan een notificatie nr. 249.6; - overtreding van de onderrichtingen inzake variabele arbeidstijd; - onverantwoord tijdsgebruik gedurende sommige verificaties ter plaatse; - overtreding van het reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst; - onaanvaardbaar gedrag tegenover zijn dienstchef; verstrekken van onjuiste inlichtingen aan zijn dienstchef”. 2.
- Op 23 maart 1993 wordt het tuchtdossier naar de personeelsdienst van het hoofdbestuur gezonden. 2.
- Het wordt op 9 november 1993 teruggezonden naar de gewestelijk directeur te Gent, met het verzoek ervan kennis te geven aan de betrokkene en zijn verdediger. Dit geschiedt op 1 december
- 2.
- Op 8 maart 1994 wordt de tuchtzaak behandeld door het college van dienstchefs. De notulen van de vergadering luiden als volgt : “
- Zaak ten laste van VAN DE VELDE, R.A.I. verif. acc. Betrokkene heeft geen bezwaar ingediend en wenst niet gehoord te worden door het College van dienstchefs. Wegens het aanslepen van de tuchtprocedure wordt slechts rekening gehouden met volgende ernstige tekortkomingen : IX-1374-3/8 - ongeoorloofde inmenging in de fiscale aangelegenheden van derden; - zware nalatigheid in de uitoefening van zijn taak; - overtreding van de onderrichtingen inzake de variabele arbeidstijd; - niet verantwoord tijdsgebruik bij het uitvoeren van verificaties ter plaatse; - ongewettigde afwezigheid op 17.1.1992; - tekortkomingen in het gedrag van de betrokkene. Gelet op de ernst van die feiten oordeelt het College van dienstchefs met eenparigheid van stemmen dat aan de H. VAN DE VELDE een overplaatsing bij tuchtmaatregel naar de Inspectie Aalst II (artikel 77, § 1, 4/ van het statuut van het Rijkspersoneel) moet worden opgelegd”. 2.
- Op 28 april 1994 wordt het definitief voorstel aan de minister van Financiën gezonden. Het wordt op 20 mei 1994 ter kennis van verzoeker gebracht. 2.
- Verzoeker tekent op 30 mei 1994 beroep aan tegen dat voorstel. 2.
- Op 27 oktober 1994 geeft de departementale raad van beroep het volgend advies : “Gelet op het voorstel van de Administratie der directe belastingen om aan de h. VAN DE VELDE, Roland A.I. verificateur-accountant bij voornoemde Administratie, de tuchtstraf van de verplaatsing op te leggen, wegens de feiten waarvoor hij zich heeft moeten verantwoorden op 21, 25 en 26 maart 1991, 27 februari, 8, 21 en 28 september en 3 december 1992; (...) - Is bij 12 stemmen tegen 1 van advies, dat het argument betreffende de laattijdigheid van de procedure niet kan aanvaard worden, omdat de argumentatie van betrokkene m.b.t. die laattijdigheid enkel slaat op niet bindende termijnen; - Is bij 8 stemmen tegen 5 van advies dat het beroep GEGROND is, wat de grond van de zaak betreft; - Is bij 7 stemmen tegen 6 van advies dat 'de inhouding van wedde' de gepaste straf is, omdat de Raad van mening is dat de tekortkomingen van betrokkene overtrokken werden en de vaststaande feiten, namelijk de fiscale tussenkomsten en het verkeerd gebruik van de prikklok, niet van aard zijn de voorgestelde tuchtstraf te rechtvaardigen; - Is bij 11 stemmen tegen 2 van advies dat een ‘éénmalige inhouding van 1.000 frank’ de gepaste straf is”. IX-1374-4/8 2.
- Op 24 november 1994 gaat de minister van Financiën akkoord met het advies van de raad van beroep. Het ministerieel besluit van dezelfde datum legt aan verzoeker een eenmalige inhouding van wedde van 1.000 frank op. De motivering van dat besluit luidt als volgt : “Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; Overwegende dat de hr. VAN DE VELDE, Roland, Achiel, Ivo, geboren op 24 juni 1953, verificateur-accountant der directe belastingen te Gent Taxatie, volgende als bewezen beschouwde tekortkomingen ten laste worden gelegd : ‘- ongeoorloofde inmenging in de fiscale aangelegenheden van derden; - zware nalatigheid in de uitoefening van zijn taak; - overtreding van de onderrichtingen inzake de variabele arbeidstijd; - niet verantwoord tijdsgebruik bij het uitvoeren van verificaties ter plaatse; - ongewettigde afwezigheid op 17 januari 1992; - tekortkomingen in het gedrag’; Gelet op de schriftelijke uitleg van de hr. VAN DE VELDE; Gelet op het voorstel van het College van dienstchefs van de Administratie der directe belastingen om aan de hr. VAN DE VELDE als straf een verplaatsing bij tuchtmaatregel naar de Inspectie Aalst II op te leggen (artikel 77, § 1, 4/, van het statuut van het Rijkspersoneel); Overwegende dat de hr. VAN DE VELDE, van dit voorstel behoorlijk in kennis gesteld bij bulletin nr. 533 van 16 mei 1994, het verlangen heeft uitgedrukt door de Departementale Raad van beroep te worden gehoord; Overwegende dat de Departementale Raad van beroep in zitting van 27 oktober 1994 het advies heeft uitgebracht dat : - het argument betreffende de laattijdigheid van de procedure niet kan worden aanvaard omdat de laattijdigheid enkel niet bindende termijnen betreft; - het beroep gegrond is, wat de grond van de zaak betreft; - een ‘eenmalige inhouding van wedde van 1.000 F’ de gepaste straf is”;
- Over de gegrondheid van de vordering. 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste en het tweede middel de schending aanvoert van artikel 78, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; dat hij hierbij uiteenzet dat het voorlopig voorstel tot tuchtstraf op 23 maart 1993 aan de directieraad is medege- IX-1374-5/8 deeld, dat het definitief voorstel pas op 20 mei 1994 aan hem is betekend, voor ten laste gelegde feiten die zich situeren op 21, 25 en 26 maart 1991, 27 februari, 8, 21 en 28 september en 3 december 1992; dat overeenkomstig artikel 78 de overheid geacht moet worden af te zien van de tuchtstraf; dat de tuchtprocedure bovendien ruim een jaar na de ten laste gelegde feiten werd aangevangen; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de termijn bedoeld in artikel 78, § 2, laatste lid, van het statuut van het Rijkspersoneel geen dwingende termijn is; dat de overschrijding ervan geen gebrek uitmaakt in de procedure; dat dit blijkt uit het advies van de Raad van State; dat ook de dwingende termijn van artikel 78, § 3, werd nageleefd; dat immers het definitief voorstel op 28 april 1994 naar de minister werd gezonden en op 20 mei 1994 naar verzoeker; dat voorts de tuchtprocedure een aanvang neemt bij het stellen van de vraag tot verantwoording; dat sedert maart 1991 achttien vragen tot verantwoording aan verzoeker werden overhandigd; dat hij derhalve ten onrechte beweert dat de tuchtprocedure ruim een jaar na de feiten werd aangevangen; 3.
- Overwegende dat artikel 78, §§ 2 en 3, van het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 als volgt luidde : “§
- De tuchtstraffen worden uitgesproken na een voorlopig voorstel door de bevoegde hiërarchische meerdere. Deze maakt binnen een termijn van een maand die ingaat op de dag nadat het voorlopig voorstel aan de betrokken ambtenaar is medegedeeld, zijn voorstel tegelijk over aan de directieraad en aan de overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken. Indien het voorstel nochtans ertoe strekt een ambtenaar van niveau 1 terug te zetten in graad of af te zetten wordt het aan de minister medegedeeld. De directieraad brengt het definitieve voorstel uit binnen een termijn van twee maanden die ingaat op de dag nadat hem het voorlopig voorstel van de hiërarchische meerdere is medegedeeld. De betrokken ambtenaar kan vragen om gehoord te worden en kan zich bij deze gelegenheid laten bijstaan door de persoon naar eigen keuze. §
- Van het definitieve voorstel wordt aan de betrokken ambtenaar kennis gegeven door de overheid aan wie het voorlopig voorstel krachtens § 2, tweede lid, overgemaakt is. Indien de kennisgeving niet gebeurt binnen de maand na de dag waarop het definitieve voorstel aan die overheid is medegedeeld, wordt zij geacht van de tuchtstraf af te zien.”; IX-1374-6/8 dat de verwerende partij terecht antwoordt, enerzijds, dat de termijn van een maand van artikel 78, § 2, tweede lid, van het meergenoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 geen dwingend karakter heeft en derhalve een termijn van orde is en, anderzijds, dat de dwingende termijn van artikel 78, § 3, is nageleefd aangezien uit het feitelijk relaas blijkt dat het definitief voorstel van 8 maart 1994 op 28 april 1994, hetzij binnen twee maanden, aan de minister werd toegezonden en op 20 mei 1994 aan verzoeker, hetzij binnen de maand nadat het aan de minister was toegezonden; dat indien uit de formulering van verzoekers eerste en tweede middel ook een schending van de redelijke termijn als het beginsel van behoorlijk bestuur moet worden begrepen, te dezen vaststaat dat de enige feiten die uiteindelijk in aanmerking werden genomen voor het opleggen van de tuchtstraf zijn: “de fiscale tussenkomsten en het verkeerd gebruik van de prikklok”; dat de overtreding van de variabele arbeidstijd betrekking heeft op de maanden maart en april 1992; dat de ongeoorloof- de tussenkomst in fiscale aangelegenheden, te weten het invullen van twee BTW-aangiften voor belastingplichtigen, door verzoeker werd toegegeven op een vraag tot verantwoording van 28 september 1992; dat het voorlopig strafvoorstel op 3 maart 1993 aan verzoeker is betekend, terwijl hij het definitief strafvoorstel op 20 mei 1994 heeft ontvangen; dat meer dan een jaar verlopen is tussen beide voorstellen; dat bovendien tussen het formuleren van het voorlopige tuchtvoorstel en de uiteindelijke tuchtuitspraak op 24 november 1994 meer dan twintig maanden verlopen zijn; dat die duur te wijten is aan het gegeven dat het voorlopig tuchtvoor- stel acht maanden op het hoofdbestuur heeft gelegen zonder dat blijkbaar enig motief daarvoor kan worden gegeven; dat bovendien de zaak door het college van dienstchefs werd behandeld een jaar na het formuleren van het voorlopig voorstel; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de redelijke termijn waarbinnen de tuchtoverheid niet tot een uitspraak is gekomen cijfermatig te groot is in verhouding tot de aard, de complexiteit van de zaak, de wijze waarop zij is onderzocht en de houding van verzoeker; dat, gegeven die vaststelling, de gedingvoerende partijen nog geen gelegenheid hebben gehad om zich uit te spreken over de vraag of de bestreden beslissing gebeurlijk rekening heeft gehouden met die overschrijding en of die overschrijding voor verzoeker ofwel persoonlijk, ofwel voor zijn bewijsvoering, ofwel voor de uitoefening van zijn rechten van verdediging in de tuchtprocedure een IX-1374-7/8 zo ernstige schade heeft berokkend dat die schade alleen maar zou kunnen worden goedgemaakt door de loutere annulatie van de bestreden beslissing; dat een bijkomend onderzoek hierover zich opdringt, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt met het verder onderzoek van de zaak belast. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1374-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.174 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.311 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.