← België

Arrest 131176 - - 10/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.176 Rolnummer: A. 70387/IX-1961 Zaak: Arrest 131176 - - 10/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-21 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-04 06:19 Fiche Arrest nr 131.176 van 10 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.176 van 10 mei 2004 in de zaak A. 70.387/IX-

  1. In zake : Marc KIEBOOMS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc KIEBOOMS, luitenant bij de Krijgsmacht, op 19 augustus 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 14 juni 1996 van de minister van Landsverdediging waarbij het door hem aangeboden ontslag, ingaande op 1 juli 1996, geweigerd wordt; Gelet op het arrest nr. 116.005 van 17 februari 2003 waarbij de debatten worden heropend en waarbij aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag wordt gesteld; Gelet op het arrest nr. 13/2004 van 21 januari 2004 van het Arbitragehof; Gelet op de beschikking van 18 maart 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 3 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-1961-1/4 Gehoord de opmerkingen van majoor militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State met zijn arrest nr. 116.005 van 17 februari 2003 de volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof gesteld heeft : "Schenden de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat de Raad van State de rechtmatigheid van verzoekers belang tot het vorderen van de vernietiging van de weigering van een vrijwillig ontslag in de loop van de procedure kan ontzeggen op grond van de bevinding dat de aanvraag tot vrijwillig ontslag, voorwerp van het verzoekschrift tot vernietiging, later werd ingewilligd doch zonder dat deze latere rechtshandeling ingang heeft op de aanvankelijk gevraagde ontslagdatum en zonder dat de bestreden akte hiermede ingetrokken wordt en in acht genomen, enerzijds, het feit dat deze exceptie niet zou onderzocht zijn geweest, indien de Raad van State voordien zoniet de grond van de zaak, dan minstens de ontvankelijkheid zou onderzocht hebben, en, anderzijds, het feit dat retroactief rechtsherstel dient verleend te worden?" Overwegende dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 13/2004 van 21 januari 2001 de prejudiciële vraag als volgt beantwoord heeft : "De artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre de verzoeker wiens aanvraag tot ontslag werd geweigerd, zijn belang bij het beroep tot nietigverklaring van die beslissing niet noodzakelijk verliest wanneer zijn aanvraag in het vervolg van de rechtspleging zonder terugwerkende kracht wordt ingewilligd". dat het Hof blijkens de overweging B.8 van het arrest zijn besluit wel afhankelijk maakt van de voorwaarde dat “een verzoeker voor de Raad van State wordt IX-1961-2/4 uitgenodigd aan te tonen welk voordeel de vernietiging van een bestuurlijke weigeringsbeslissing hem nog kan opleveren, ondanks de latere inwilliging, zonder terugwerkende kracht, van zijn aanvraag”; Overwegende dat de Raad van State in zijn arrest nr. 116.005 van 17 februari 2003 uitspraak heeft gedaan over het actueel belang dat, volgens zijn uiteenzetting, verzoeker nog had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat het Arbitragehof dergelijke handelwijze niet onverenigbaar acht met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel; dat het beroep bij gebrek aan actueel belang niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-1961-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1961-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.176 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.63.621 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.116.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.