id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.178 Rolnummer: A. 74866/IX-729 Zaak: Arrest 131178 - - 10/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-29 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 06:19 Fiche Arrest nr 131.178 van 10 mei 2004 - Beslissing : Afstand Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.178 van 10 mei 2004 in de zaak A. 74.866/IX-
- In zake : I. de vzw Residentenservice Ster der Zee (thans in vereffening), II. Yvonne STRUBBE, III. Yves VAN DEN ABEELE, die woonplaats kiezen bij advocaat K. BOUVE, kantoor houdende te DE HAAN, Mezenlaan 9 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw RESIDENTENSERVICE STER DER ZEE, Yvonne STRUBBE en Yves VAN DEN ABEELE op 3 juli 1997 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 29 april 1997 van de Vlaams minister van Welzijn waarbij de sluiting wordt bevolen van het rusthuis “Ster der Zee”; Gelet op het arrest nr. 70.403 van 18 december 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 5 februari 1998 door de verzoekende partijen; IX-729-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 maart 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 3 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van Y. STRUBBE en Y. VAN DEN ABEELE, verzoekende partijen, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991 (hierna: de gecoördineerde decreten), is het bouwen of het als dusdanig inrichten of in gebruik nemen van een bestaand gebouw onderworpen aan de voorafgaande vergunning van IX-729-2/12 de Vlaamse regering. Naast deze voorafgaande vergunning moet, krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde decreten, ieder rusthuis ook nog door de Vlaamse regering erkend worden. Artikel 17 laat de Vlaamse regering toe, onder de voorwaarden die zij bepaalt, een voorlopige erkenning af te leveren die één jaar geldig blijft en die eenmaal voor één jaar verlengd kan worden. Overeenkomstig artikel 19 kan de regering de sluiting bevelen van ieder rusthuis dat niet beantwoordt aan de in het decreet bepaalde voorwaarden. Artikel 22, § 1, 1/, 2/ en 3/, maakt van het overtreden van het in gebruik nemen van een rusthuis dat niet over de vereiste voorafgaande vergunning beschikt, van het exploiteren van een rusthuis zonder erkenning en van het exploiteren van een rusthuis dat overeenkomstig artikel 19 gesloten is, een strafrechtelijk beteugelbare inbreuk. De procedure voor de erkenning, waarvan sprake in artikel 14 en 17 van de gecoördineerde decreten, evenals voor de sluiting, bedoeld in artikel 19, is vastgelegd in het besluit van 10 juli 1985 van de Vlaamse regering tot vaststelling van de rechtspleging voor erkenning en sluiting van serviceflatgebouwen, woning- complexen met dienstverlening en rusthuizen (hierna: het besluit van 10 juli 1985). Een rusthuis wordt in artikel 2, 6/, van de gecoördineerde decreten als volgt gedefinieerd : “Eén of meer gebouwen die functioneel een inrichting voor collectief verblijf vormen waar, onder welke benaming ook, aan bejaarden die er op duurzame wijze verblijven, huisvesting wordt gegeven alsmede geheel of gedeeltelijk, de gebruikelijke gezins- en huishoudelijke verzorging”; bejaarden zijn, naar luid van artikel 2, 2/ : “personen van 60 jaar of ouder”. 1.
- Op 28 december 1982 richten Yvonne STRUBBE (weduwe VAN DEN ABEELE), de tweede verzoekende partij, Marguerite VAN DEN ABEELE en Anne VAN DEN ABEELE, dochter van Yvonne STRUBBE, de vzw "Ster der Zee" op. De zetel wordt gevestigd te Knokke, Kopsdreef
- Deze vereniging heeft, luidens artikel 3 van de statuten, als doel "het oprichten, besturen en steunen van IX-729-3/12 liefdadige werken, bv. hoofdzakelijk door het verschaffen van logies aan ouderlingen en alle andere werken van filantropische aard". 1.
- In een brief van 6 april 1984 aan het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn, afdeling bejaarden- zorg, vraagt de vzw Ster der Zee de erkenning van de "Seigneurie Ster der Zee" met een capaciteit van 63 appartementen en studio's. Dit rusthuis is gevestigd te Knokke- Heist, Kopsdreef
- 1.
- Bij besluit van 28 april 1986 van de Gemeenschapsminister van Gezin en Welzijnszorg wordt het rusthuis "Ster der Zee", Kopsdreef 17 te Knokke, beheerd door de vzw "Ster der Zee", zelfde adres "voorlopig erkend onder het nummer PE 1374 V voor de duur van één jaar met ingang van 19 februari 1986, voor maximum 75 woongelegenheden". Dat besluit verwijst naar artikel 15 en 22, § 2, van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden. Volgens het verzoekschrift wordt het rusthuis "Ster der Zee", ten gevolge van het decreet van 13 april 1988 tot wijziging van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden en het besluit van de Vlaamse regering van 29 juli 1989 houdende de voorlopige erkenning van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienst- verlening en rusthuizen, voorlopig erkend voor een periode van één jaar met ingang van 1 september 1989; deze voorlopige erkenning wordt, volgens hetzelfde verzoekschrift, krachtens het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende verlenging van de voorlopige erkenning van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen, verlengd tot 1 september
- Deze verlengingen worden uitdrukkelijk erkend in de bestreden beslissing. Volgens het verzoekschrift zou de voorlopige erkenning na 1 september 1991 stilzwijgend zijn verlengd. IX-729-4/12 1.
- Op 1 januari 1989 wordt door Yvonne STRUBBE, de tweede verzoekende partij, Laura STRUBBE en Yves VAN DEN ABEELE, de zoon van Yvonne STRUBBE en de derde verzoekende partij, een nieuwe vzw opgericht, genaamd "Residentenservice Ster der Zee", gevestigd te Knokke, Kopsdreef 10 (registratienummer 6045/89). Dit is de eerste verzoekende partij. Luidens artikel 3 van de statuten heeft deze vereniging tot doel "(het) oprichten en uitbaten van voorzieningen voor bejaarden, rusthuizen, service-flatgebouwen, dienstencentra, service-residenties". 1.
- In een enkel door Yvonne STRUBBE als voorzitter ondertekende brief van 21 april 1989 deelt de vzw Ster der Zee aan de Gemeenschapsminister mee dat "gezien de vzw 'Ster der Zee' door uitzonderlijke hoogdringende omstandigheden haar activiteiten niet kon en kan verder zetten in het gebouwencomplex, Kopsdreef 17 te 8300 Knokke-Heist, en ten einde de verdere service gegarandeerd te zien voor de bewoners van het gebouwencomplex, alle verdere activiteit (werd) beëindigd en deze activiteit door de vzw 'Residentenservice Ster der Zee', gevestigd Kopsdreef 10 te 8300 Knokke-Heist verder verzekerd (wordt) vanaf 1 maart 1989". In een door de drie beheerders ondertekende aangetekende brief van 24 april 1989 aan de Gemeenschapsminister vraagt de vzw "Residentenservice Ster der Zee" dat de erkenning van het rusthuis Ster der Zee ten haren gunste verdergezet zou worden vanaf 1 maart
- In fine van deze brief wordt tevens de intentie medegedeeld tot oprichting van serviceflats voor een totaal van 75 wooneenheden ten dele in het bestaande complex en ten dele door bijkomende uitbouw, met behoud van de reeds vroeger bekomen 75 rusthuisbedden te herschikken in het bestaande complex en door aanpassing en/of uitbouw van aanpalende eigendommen. Voordien had de "V.Z.W. Ster der Zee", in een namens de vzw "Seigneurie Ster der Zee", door Anne VAN DEN ABEELE, Marguerite VAN DEN ABEELE, Geert DEWILDE en Vincent VERKIN ondertekende brief van 4 april 1989, de directie van de Dienst Bejaardenzorg van het ministerie van de Vlaamse IX-729-5/12 Gemeenschap gewezen op het feit dat de nieuw opgerichte vzw haar werking verhinderde terwijl zij nochtans over een erkenning beschikte. De uit deze brieven blijkende uiteenlopende belangen zijn duidelijk het gevolg van de familieruzie die ontstaan is tussen Yvonne STRUBBE, Anne VAN DEN ABEELE en Yves VAN DEN ABEELE. De twee laatstgenoemden, beiden kinderen van Yvonne STRUBBE, waren samen voor de helft eigenaar van het goed gelegen aan de Kopsdreef, nr. 17; Yvonne STRUBBE was eigenaar van het daaraan palend goed, Kopsdreef, nr.
- Op dagvaarding van Yves VAN DEN ABEELE heeft de vrederechter van het derde kanton Brugge op 25 november 1998 de vzw Ster der Zee bij verstek veroordeeld om het pand aan de Kopsdreef, nr. 17 te ontruimen wegens bezetting zonder recht of titel. De vzw heeft tegen dat vonnis -dat haar nooit betekend is- op 13 april 1989 verzet aangetekend, maar dit verzet is uiteindelijk op 9 december 1994 van de rol weggelaten. 1.
- Ingevolge de voornoemde brieven van de vzw "Ster der Zee" en de vzw "Residentenservice Ster der Zee", schrijft het bestuur Gezins- en Bejaardenzorg van de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, op 11 mei 1989, de volgende brief aan de voorzitter van de vzw "Seigneurie Ster der Zee" : "Bepaalde leden van de V.Z.W. 'Ster der Zee', verantwoordelijke beheers- instantie van voornoemd rusthuis (rusthuis 'Ster der Zee') berichten dat met ingang van 1 maart 1989 de uitbating van bedoelde inrichting aan de V.Z.W. 'Residentenservice' zou overgedragen zijn zonder hiervoor de vereiste toelating te hebben gekregen. In dit verband vestig ik uw aandacht op artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 10 juli 1985, onder rubriek vermeld, dat de overname van een erkend rusthuis regelt. Dit artikel schrijft voor dat bij overname uiterlijk drie maanden voor deze overname uitwerking heeft, samen met de bescheiden bedoeld in artikel 2, 2/, 3/, 4/ en 5/, een afschrift van de door de betrokken partijen gesloten overeenkomst betreffende deze overname, aan de Administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn wordt toegestuurd. Graag verneem ik van de beheerraad van de V.Z.W. 'Ster der Zee' de juiste toedracht van deze aangelegenheid". IX-729-6/12 1.
- In de volgende jaren hebben verschillende inspecties plaats in het rusthuis. Daarin wordt gewezen op onregelmatigheden op het vlak van de persoon van de vergunninghouder en op tekortkomingen op het vlak van de uitbating. 1.
- In een door de bevoegdeVlaamse minister ondertekende aange- tekende brief van 19 mei 1994 aan Anne VAN DEN ABEELE als voorzitster van de vzw Ster der Zee, vat verwerende partij de problematiek van de erkenning samen en wijst zij erop dat zij genoodzaakt zal zijn de procedure tot sluiting in te zetten indien bij de volgende inspectie niet is voldaan aan de reglementair bepaalde voorwaarden. In een aangetekende brief van 15 juni 1994 aan de voorzitter van de vzw "Residentenservice Ster der Zee" kondigt de bevoegde minister zijn voornemen aan de sluiting van het rusthuis te bevelen, aangezien het niet voldoet aan de toepasselijke erkenningsnormen en niet in aanmerking komt voor verdere erkenning en aangezien de procedure tot overname van een erkende inrichting niet werd gevolgd. 1.
- In een brief van 20 juni 1994 dient de vzw "Residentenservice Seigneurie Ster der Zee" een verweerschrift in tegen het voornoemde voornemen tot sluiting. 1.
- Op 29 april 1997 wordt het bestreden besluit getroffen : met ingang van 15 mei 1997 wordt de sluiting bevolen van "het rusthuis 'Ster der Zee', Kopsdreef, 17 te 8300 Knokke-Heist, beheerd door de vzw 'Residentenservice Ster der Zee', Kopsdreef, 10 te 8300 Knokke-Heist". 1.
- Uit een proces-verbaal van 31 juli 1997 blijkt dat er op dat ogenblik nog steeds bejaarden in de inrichting verblijven en dat de inspecteurs geen toegang krijgen tot de instelling. 1.
- Uit de door de auditeur-verslaggever ingewonnen inlichtingen bij de raadslieden van de verzoekende partijen blijkt dat de eerste verzoekende partij bij IX-729-7/12 vonnis van 25 mei 1998 door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge ontbonden is omdat zij niet meer in staat was haar financiële verplichtingen na te komen en ingevolge het sluitingsbevel het rusthuis niet verder kan exploiteren. Verder blijkt ook dat de vzw Ster der Zee, intussen omgevormd tot de vzw MARGILLE, op 17 november 1997 opnieuw de erkenning van het rusthuis "Ster der Zee" heeft aangevraagd, dat bij het ministerieel besluit van 12 april 1999 het rusthuis voorlopig erkend is vanaf 15 april 1999 tot 15 april 2000 voor 75 woongelegenheden en dat bij ministerieel besluit van 14 maart 2000 besloten is dat het rusthuis MARGILLE, uitgebaat door de vzw MARGILLE, erkend is vanaf 15 april 2000 tot 1 mei 2002 voor maximaal 75 woongelegenheden.
- Overwegende dat de eerste verzoekende partij bij vonnis van 25 mei 1998 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge gerechtelijk ontbonden is; dat de door de rechtbank aangestelde vereffenaar in kennis gesteld is van het verslag van het auditoraat, waarin besloten is het beroep van de vzw als onontvankelijk te verwerpen wegens haar in vereffeningstelling en bij gebrek aan een geoorloofd belang; dat de vereffenaar het geding niet hervat heeft en geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend; dat er, overeenkomstig artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ten opzichte van de eerste verzoekende partij een vermoeden van afstand geldt; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij het beroep, ingesteld door de tweede en derde verzoekende partij, onontvankelijk acht bij gebrek aan persoonlijk en rechtstreeks belang, aangezien de directe adressaat van het bestreden besluit de vzw RESIDENTENSERVICE STER DER ZEE is en het besluit betrekking heeft op het rusthuis dat door die vzw wordt uitgebaat; dat zij daaraan toevoegt dat hun belang in ieder geval ongeoorloofd is, aangezien het voordeel dat zij met de vernietiging nastreven, verband houdt met een illegale uitbating van het rusthuis, dat reeds sinds 1 september 1991 niet meer erkend is; 3.
- Overwegende dat de tweede en derde verzoekende partij in hun memorie van wederantwoord erop wijzen dat de erkenning van het rusthuis na IX-729-8/12 1 september 1991 “stilzwijgend verlengd” is, hetgeen blijkt uit de termen van het bestreden besluit, hetwelk geen betrekking heeft op de intrekking of de schorsing van de erkenning maar op de sluiting van de inrichting; dat zij van oordeel zijn dat, in geval van vernietiging, de eerste verzoekende partij de exploitatie van het rusthuis zal kunnen voortzetten en dat, daarbij aansluitend, de tweede verzoekende partij - voorzitster van de raad van bestuur van de vzw, aanbrengster van “het grootste gedeelte van het kapitaal” en bewoonster van het rusthuis- en de derde verzoekende partij -secretaris-penningmeester van de vzw en medeëigenaar van het gebouw waarin het rusthuis gevestigd is- een geoorloofd, rechtstreeks en persoonlijk belang bezitten; Overwegende dat de tweede en derde verzoekende partij in hun laatste memorie nog wijzen op de morele schade die zij door het bestreden besluit hebben opgelopen, met name de vernederingen die zij hebben moeten ondergaan; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog betoogt dat de tweede en derde verzoekende partij niet de adressaat zijn van het bestreden besluit en dat zij, als buitenstaander, misschien wel belang, maar zeker geen hoedanigheid hebben om een sluitingsbevel opgelegd aan een derde -de vzw-, te bestrijden, aangezien dergelijke buitenstaander zich niet in de plaats kan stellen van de rechtstreeks betrokkene om een negatieve beslissing te bestrijden; dat zij te dien aanzien verwijst naar het arrest D. VANDENWEGHE, nr. 99.428 van 4 oktober 2001; 3.3.
- Overwegende dat de eerste verzoekende partij in vereffening gesteld werd; dat zij derhalve onmogelijk nog de exploitatie van het rusthuis kan voortzetten; Overwegende dat de tweede en derde verzoekende partij, in de mate dat zij het beroep instellen op grond van de belangen die zij wegens hun betrokkenheid bij de eerste verzoekende partij doen gelden -hetzij als geldschieter, hetzij als bekleder van een bestuursfunctie-, de vereiste hoedanigheid ontberen, IX-729-9/12 aangezien zij niet de rechtstreekse adressaat zijn van het bestreden sluitingsbevel en dat besluit derhalve niet hen, maar de rechtspersoon waarvoor zij werken, recht- streeks treft; dat hoe dan ook het belang van die verzoekende partijen dat teloorgegaan is door de in vereffeningstelling van de eerste verzoekende partij en door de beslissing om de annulatieprocedure na het auditoraatsverslag niet voort te zetten; 3.3.
- Overwegende, voor zover de tweede en derde verzoekende partij verwijzen naar een belang dat los kan worden gezien van de rol die zij in de vzw Residentenservice Ster der Zee vervullen -wat de tweede verzoekende partij betreft het belang geput uit haar hoedanigheid van bewoner van het rusthuis en wat de derde verzoeker betreft het belang geput uit zijn hoedanigheid van eigenaar van het gebouw-, vastgesteld moet worden dat de vernietiging van het bestreden sluitings- bevel niet inhoudt dat het rusthuis verder geëxploiteerd mag worden; dat immers, uit de gegevens van het dossier blijkt dat het rusthuis sinds 1 september 1991 niet meer over een erkenning beschikt en dat de desbetreffende reglementering het systeem van de stilzwijgende verlenging van de erkenning niet kent; dat uit het dossier ook blijkt dat de verwerende partij, ook als zij jarenlang gedoogd heeft dat het rusthuis verder werd uitgebaat, zulks niet was omdat zij aanvaard had dat het rusthuis als een erkende instelling verder werkte, maar wel omdat zij aan de vzw de nodige tijd wou laten om zich in regel te stellen; dat overigens de eerste verzoekende partij zelf in 1989 een erkenning heeft aangevraagd; dat de in het beroep aangevoerde middelen ook niet kunnen leiden tot de vaststelling dat het rusthuis wel degelijk over een erkenning beschikt; dat, aangezien aldus de vernietiging van het bestreden sluitings- bevel onmogelijk kan inhouden dat het rusthuis wettig verder kan worden uitgebaat, de tweede en de derde verzoekende partij geen wettig belang hebben bij het onder- havige beroep; dat, tenslotte, het moreel belang waarnaar zij in hun laatste memorie verwijzen, opgaat in het belang dat zij als orgaan van de eerste verzoekende partij doen gelden en dat de verzoekende partijen alleszins niet concreet aantonen op welk moreel belang zij zich, daarbuiten, beroepen; dat, ook wat hen betreft, het beroep onontvankelijk is, IX-729-10/12 BESLUIT: Artikel
- Tegenover de eerste verzoekende partij wordt de afstand van geding vastgesteld. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een derde. IX-729-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-729-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.178 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.70.403 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.