← België

Arrest 131179 - - 10/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.179 Rolnummer: A. 146944/IX-4037 Zaak: Arrest 131179 - - 10/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-07-04 06:20 Fiche Arrest nr 131.179 van 10 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.179 van 10 mei 2004 in de zaak A. 146.944/IX-

  1. In zake : Lutgarde VAN BRIEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. LEGEIN, kantoor houdende te BRUSSEL, Paul Deschanellaan 181, bus 11 tegen : het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR). --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Lutgarde VAN BRIEN op 23 januari 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 24 november 2003 van SELOR waarbij zij wordt uitgesloten van deelname aan elke door SELOR georganiseerde taalproef voor een periode van één jaar, ingaande op 5 november 2003; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. WATTECAMPS, die loco advocaat M. LEGEIN verschijnt voor verzoekster, en van adviseur-generaal J. MOMMENS, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4037-1/4 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. Verzoekster, die blijkbaar ambtenaar is van niveau 1, schrijft zich op 8 januari 2003 in voor het taalexamen "artikel 11" d.w.z. het taalexamen bedoeld in artikel 21, § 4, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken en af te leggen door ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het behoud van de eenheid in de rechtspraak of in het beheer van de dienst die hun is toevertrouwd. Verzoekster is afwezig op het examen. Zij stelt SELOR niet op de hoogte van de reden van haar afwezigheid. 1.
  4. Bij brief van 24 november 2003 deelt SELOR aan verzoekster mee dat zij overeenkomstig artikel 20, § 1, van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966, ingevolge haar afwezigheid voor het taalexamen uitgesloten wordt van deelname aan elke taalproef die door SELOR wordt georganiseerd binnen een termijn van één jaar te rekenen van 5 november 2003 omdat zij geen gemotiveerde brief of attest heeft toegestuurd waarin zij haar afwezigheid verantwoordde. Dit is de bestreden beslissing.
  5. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-4037-2/4 3.
  6. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster betoogt dat zij, als gevolg van het bestreden besluit, "meer dan 15 maanden dient te wachten alvorens zij nogmaals aan een taalexamen kan deelnemen" maar dat daarmee "de verdere stappen die ondernomen kunnen worden om eventueel een job binnen de magistratuur te bekomen ook worden uitgesteld" hetgeen haar toekomstige loopbaan belast; dat zij daarbij toelicht dat er momenteel veel vacatures bij de Brusselse magistratuur te begeven zijn, dat die vacatures nu opgevuld worden zodat haar eigen kansen fel verminderen wanneer zij nu 15 maanden moet wachten om deel te nemen aan een taalexamen; 3.2.
  7. Overwegende dat verzoekster, die blijkt te beschikken over het getuigschrift van beroepsbekwaamheid voor de gerechtelijke functies, haar nadeel toespitst op de onmogelijkheid om in de magistratuur te Brussel aan het werk te gaan zolang zij niet beschikt over het geëigende bewijs van talenkennis; dat zij van oordeel is dat het bestreden besluit haar uitsluit van de taalexamens die voorgeschreven worden met het oog op de toegang tot die betrekkingen; dat zij niet betwist dat de betreffende taalexamens specifieke examens zijn die kaderen in de wetgeving over het gebruik der talen in gerechtszaken; 3.2.
  8. Overwegende dat het bestreden besluit onmiskenbaar -de gebruikte terminologie laat ter zake geen enkele onduidelijkheid- de toepassing betreft van artikel 20, § 1, van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966; dat die bepaling een ongerechtvaardigde afwezigheid op een examen, dat ingericht is in het kader van de bestuurstaalwet, sanctioneert met het verbod om gedurende één jaar deel te nemen aan om het even welk taalexamen dat in het kader van dezelfde wetgeving wordt ingericht; dat -zoals de vertegenwoordiger van de verwerende partij ter terechtzitting uitdrukkelijk toegeeft- het bestreden besluit verzoekster dan ook niet uitsluit van de taalexamens die SELOR inricht met het oog op het bewijs van de taalkennis die vereist wordt in het kader van het gebruik der talen in gerechtszaken, welke examens geregeld worden door het koninklijk besluit van 19 december 2002 tot regeling van de examens waarbij de doctors en licentiaten in de rechten in de gelegenheid worden gesteld te voldoen aan het voorschrift van artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; dat overigens, aangezien het koninklijk besluit van 19 december 2002 geen bepaling bevat die overeenstemt met artikel 20, § 1, van het koninklijk besluit van 8 maart 2001, IX-4037-3/4 SELOR over geen rechtsgrond beschikt om kandidaten wegens hun afwezigheid, vervallen te verklaren van deelname aan taalexamens die op grond van dat besluit van 19 december 2002 worden ingericht;
  9. Overwegende dat het bestreden besluit het door verzoekster aangevoerde nadeel niet teweeg brengt; dat de vordering om die reden verworpen moet worden, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  11. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4037-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.179 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.755 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.