← België

Arrest 131180 - - 10/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.180 Rolnummer: A. 151303/IX-4507 Zaak: Arrest 131180 - - 10/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-18 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:20 Fiche Arrest nr 131.180 van 10 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.180 van 10 mei 2004 in de zaak A. 151.303/IX-

  1. In zake : Koen DEPREYTERE, die woonplaats kiest bij advocaat J.-B. PETITAT, kantoor houdende te SINT-KRUIS-BRUGGE, Sportstraat 49 tegen : de Politiezone VLAS (Kortrijk-Kuurne-Lendelede), die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Koen DEPREYTERE op 30 april 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 22 april 2004 van het politiecollege van de politiezone VLAS waarbij hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 mei 2004, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaten M. LIERMAN en D. PEETERS, die loco advocaat J.-B. PETITAT verschijnen voor verzoeker, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-4507-1/5 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat verzoeker inspecteur van politie is in de politiezone VLAS; dat het politiecollege van de zone hem met het bestreden besluit van 22 april 2004 de zware tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege met ingang van 30 april 2004 heeft opgelegd; dat die beslissing op 28 april 2004 ter kennis van verzoeker is gebracht;
  4. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; dat, inzonderheid wat de laatstgenoemde voorwaarde betreft, artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 waarbij de rechtspleging in kort geding wordt vastgesteld, een expliciete uiteenzetting vereist, in het verzoekschrift zelf, van de feiten die de behandeling volgens de procedure van de hoogdringendheid rechtvaardigen; 3.
  5. Overwegende, wat de derde voorwaarde betreft, dat verzoeker erop wijst dat hij geconfronteerd wordt met “een uiterst ingrijpende maatregel wat (zijn) statutaire, financiële en maatschappelijke toestand betreft”, die op 30 april 2004 ingaat en die een snelle interventie vergt om op de gewijzigde “maatschappelijke realiteit” een gepast antwoord te kunnen geven, in die zin dat hij vanaf 30 april 2004 geen politieambtenaar meer is en zijn inkomen verliest en dat het hem onmogelijk is om binnen een redelijke termijn een nieuwe tewerkstelling van een gelijkwaardig niveau en het daarbij horend inkomen te verwerven; dat hij daar aan toevoegt dat het optreden van de overheid zo manifest onwettig, onrechtmatig en onredelijk is dat een latere schorsing of vernietiging de onherroepelijk geleden schade -materiële gevolgen wegens gebrek aan inkomsten en moeilijkheden bij reïntegratie en morele gevolgen wegens de psychische weerslag van het bestreden besluit- niet meer zal kunnen herstellen en dat -gelet op het verslag van de inspecteur-generaal en het advies van de Tuchtraad- hij rekening gehouden had met een gunstiger afloop van zijn tuchtdossier zodat de bestreden beslissing hem uiteindelijk verrast heeft; dat hij ook van oordeel is dat het manifest karakter van de onwettelijkheid en onredelijkheid van IX-4507-2/5 de bestreden beslissing een indicatie is voor de uiterst dringende noodzakelijkheid, nu het voortduren van de huidige feitelijke toestand tot het ogenblik dat uitspraak wordt gedaan over een schorsing of nietigverklaring een onoverkomelijk probleem zou opleveren en maatschappelijk onaanvaardbaar zou zijn; dat ter terechtzitting zijn raadsman nog verduidelijkt dat het nadeel dat hij ondergaat van dag tot dag verergert, zeker nu de verwerende partij niet aarzelt om, ook in de pers, de tuchtmaatregel onder de aandacht te brengen; 3.
  6. Overwegende dat de schorsing bij hoogdringendheid een uitzonderingsprocedure is die het verloop van de rechtspleging voor de Raad van State ernstig verstoort en de rechten van de verdediging in belangrijke mate beperkt, zodat van die procedure slechts gebruik kan worden gemaakt in de enkele gevallen dat het spoedeisend karakter van de zaak hetzij voor iedereen duidelijk is, hetzij door de verzoeker duidelijk wordt gemaakt doordat hij aantoont dat een schorsing, afgehandeld volgens de gewone schorsingsprocedure, onmiskenbaar te laat zal komen om het door hem ingeroepen nadeel te keren, wat in gevallen waarin het nadeel zich onmiddellijk realiseert betekent dat, wanneer het nadeel pas op het ogenblik van de schorsing volgens de gewone procedure ophoudt, het reeds niet meer te herstellen diepe sporen zal nagelaten hebben; 3.
  7. Overwegende dat een vordering niet evident hoogdringend is om reden dat zij gericht is tegen de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege, vermits voor de beoordeling van de hoogdringendheid de vraag niet is of de verzoeker zwaar getroffen wordt door de bestreden beslissing, maar enkel of een schorsing volgens de gewone procedure te laat zal komen om nog soelaas te bieden; dat om dezelfde reden ook de omstandigheid op zich dat de tuchtstraf reeds in uitvoering is, het bestaan van die dringende noodzakelijkheid niet bewijst; Overwegende dat verzoeker verwijst naar de manifeste onwettig- heid van het bestreden besluit; dat evenwel de voorwaarde van de hoogdringendheid een schorsingsvoorwaarde is die afzonderlijk beoordeeld moet worden; dat bovendien, voor zover aangenomen wordt dat de graad van onwettigheid van een administratieve beslissing een element kan vormen dat bij de beoordeling van het nadeel betrokken kan worden, dat gegeven nog niet aantoont dat de zaak hoogdringend is; IX-4507-3/5 Overwegende dat verzoeker verwijst naar een moreel nadeel maar dat hij in het verzoekschrift geen enkele bijzondere gegevens vermeldt dat verantwoordt waarom dat moreel nadeel de dringende behandeling van zijn vordering zou rechtvaardigen en hij niet zou kunnen wachten op de afloop van een gewone schorsingsvordering; dat de verwijzing naar het verrassingseffect van de bestreden beslissing die rechtvaardiging niet biedt; dat zijn uiteenzetting ter terechtzitting evenmin dat bewijs bevat; dat overigens uit de eenmalige verspreiding van een perscommuniqué door het bestuur op het ogenblik van de tuchtuitspraak, niet afgeleid mag worden dat het bestuur niet zal aarzelen om de opgelegde tuchtstraf in de aandacht van het publiek te houden; Overwegende dat verzoeker, op het materiële vlak verwijst naar het verlies van zijn inkomen en dat hij in dat verband refereert aan de moeilijkheden die hij bij het zoeken naar gelijkwaardig werk zal ondervinden; dat ook te dien aanzien de vaststelling zich opdringt dat verzoeker niet aantoont waarom een schorsing volgens de gewone procedure hem geen soelaas kan bieden en waarom hij de periode die de uitspraak in een gewone schorsingsvordering voorafgaat niet zonder onherstelbaar nadeel zal kunnen overbruggen; Overwegende dat verzoeker het beroep op de procedure van de dringende noodzakelijkheid niet verantwoordt; dat de vordering om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-4507-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4507-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.180 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.414 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.829 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.