id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.181 Rolnummer: A. 151375/IX-4511 Zaak: Arrest 131181 - - 10/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-18 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:20 Fiche Arrest nr 131.181 van 10 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.181 van 10 mei 2004 in de zaak A. 151.375/IX-
- In zake : Herman DE JONGHE, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Politiezone VLAS (Kortrijk-Kuurne-Lendelede), die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Herman DE JONGHE op 3 mei 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 22 april 2004 van het politiecollege van de politiezone VLAS waarbij hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 mei 2004, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-4511-1/4 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat verzoeker inspecteur van politie is in de politiezone VLAS; dat het politiecollege van de zone hem met het bestreden besluit van 22 april 2004 de zware tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege met ingang van 30 april 2004 heeft opgelegd; dat die beslissing op 28 april 2004 ter kennis van verzoeker is gebracht;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; dat, inzonderheid wat de laatstgenoemde voorwaarde betreft, artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 waarbij de rechtspleging in kort geding wordt vastgesteld, een expliciete uiteenzetting, in het verzoekschrift, vereist van de feiten die de behandeling volgende procedure van de hoogdringendheid rechtvaardigen; 3.
- Overwegende, wat de derde voorwaarde betreft, dat verzoeker betoogt dat hem zijn hoedanigheid van politieambtenaar ontnomen wordt en dat hij zonder inkomen is, terwijl hij een hypothecaire lening moet afbetalen -maandelijks i 768,96 -, waardoor hij in een negatieve financiële spiraal dreigt getrokken te worden; dat naar zijn oordeel hij met een gewone schorsingsvordering niet tijdig een beslissing zal verkrijgen om de nefaste gevolgen van een lange periode zonder inkomen goed te maken; dat hij daar aan toevoegt dat bij het beoordelen van de dringende noodzakelijkheid niet alleen rekening gehouden moet worden met de penibele financiële situatie waarin hij terechtkomt en met het grote moreel nadeel dat een ambtshalve ontslag inhoudt, maar ook met de datum van kennisgeving van het bestreden besluit en het uitvoerbaar karakter ervan, terwijl het, gelet op de bijzondere sfeer en de achtergrond van de feitelijkheden, te verwachten valt dat hoe langer hij uit de dienst verwijderd blijft, hoe meer redenen het bestuur zal vinden “om op andere manieren ‘moeilijk’ te doen” en dat hij “gelet op het advies van zowel de inspecteur-generaal als de tuchtraad” een gunstigere afloop van zijn zaak had verwacht; IX-4511-2/4 3.
- Overwegende dat de schorsing bij hoogdringendheid een uitzonderingsprocedure is die het verloop van de rechtspleging voor de Raad van State ernstig verstoort en de rechten van de verdediging in belangrijke mate beperkt, zodat van die procedure slechts gebruik kan worden gemaakt in de enkele gevallen dat het spoedeisend karakter van de zaak hetzij voor iedereen duidelijk is, hetzij door de verzoeker duidelijk wordt gemaakt doordat hij aantoont dat een schorsing, afgehandeld volgens de gewone schorsingsprocedure, onmiskenbaar te laat zal komen om het door hem ingeroepen nadeel te keren, wat in gevallen waarin het nadeel zich onmiddellijk realiseert betekent dat, wanneer het nadeel pas op het ogenblik van de schorsing volgens de gewone procedure ophoudt, het reeds niet meer te herstellen diepe sporen zal nagelaten hebben; 3.
- Overwegende dat een vordering niet evident hoogdringend is omdat zij gericht is tegen de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege, vermits voor de beoordeling van de hoogdringendheid de vraag niet is of de verzoeker zwaar getroffen wordt door de bestreden beslissing, maar enkel of een schorsing volgens de gewone procedure te laat zal komen om nog soelaas te bieden; dat om dezelfde reden ook de omstandigheid dat de tuchtstraf reeds in uitvoering is, op zich die dringende noodzakelijkheid niet verantwoordt; Overwegende dat verzoeker verwijst naar een moreel nadeel maar dat hij in het verzoekschrift geen enkele bijzondere gegevens vermeldt dat verantwoordt waarom dat moreel nadeel de dringende behandeling van zijn vordering zou rechtvaardigen; dat ook de verwijzing naar het verrassingseffect van de bestreden beslissing die rechtvaardiging niet biedt; Overwegende dat verzoeker op het materiële vlak verwijst naar het verlies van zijn inkomen en naar de financiële last die hij moet dragen; dat hij te dien aanzien wel aannemelijk maakt dat er financiële problemen kunnen opdagen, maar dat daarmee niet aangetoond is dat die financiële problemen reeds in de korte periode die een arrest volgens de gewone schorsingsprocedure voorafgaat, onherstelbare gevolgen zullen hebben; Overwegende dat verzoeker nog verwijst naar bijzondere omstandigheden die zouden met zich brengen dat, hoe langer hij uit het korps verwijderd blijft, hoe moeilijker de reïntegratie zal worden; dat hij evenwel niet duidelijk maakt welke die bijzondere omstandigheden zijn; IX-4511-3/4 3.
- Overwegende dat verzoeker het beroep op de procedure van de dringende noodzakelijkheid niet verantwoordt; dat de vordering om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4511-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.181 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.164 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.