id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.182 Rolnummer: A. 145766/IX-4014 Zaak: Arrest 131182 - - 10/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-28 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 06:20 Fiche Arrest nr 131.182 van 10 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.182 van 10 mei 2004 in de zaak A. 145.766/IX-
- In zake : Joan BAUWENS, die woonplaats kiest bij advocaten M. STORME en J. HUYGH, kantoor houdende te BRUSSEL, Verenigingstraat 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die woonplaats kiest bij advocaten D. D'HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Joan BAUWENS op 23 december 2003 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : "1) De beslissing van de Griffier van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 21 mei 2003 waarbij werd beslist : 'Op grond van artikel 61, § 1, 2/, van het statuut van het personeel wordt door de griffier aan de dames J. BAUWENS en C. VERHEYDEN en aan de heren I. INGELS en A. PEETERS de tuchtstraf van de terechtwijzing opgelegd'. 2) De beslissing van het College van Quaestoren van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 16 oktober 2003, medegedeeld bij schrijven van 24 oktober 2003, waarbij werd beslist : 'De aan mevrouw J. BAUWENS, de heer I. INGELS, de heer A. PEETERS en mevrouw C. VERHEYDEN opgelegde tuchtstraf te bevestigen'."; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur -afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-4014-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 19 maart 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 3 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. ROGIERS, die loco advocaat M. STORME en J. HUGH verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. VANDENDRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoekster is vast benoemd ambtenaar bij de dienst Integraal Verslag van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Zij heeft de graad van eerste assistent.
- Op 24 oktober 2002 stuurt de bestuursdirecteur van de dienst Integraal Verslag een e-mail aan verzoekster en aan Ivan INGELS, August PEETERS en Carine VERHEYDEN (hierna : “de betrokken personeelsleden”), waarin hij stelt dat voor de tweede keer sinds de opening van het parlementair jaar collega’s zich erover beklagen dat zij “zeer regelmatig en met luide stem onderling vitrioolopmerkingen uitwisselen die overduidelijk bedoeld zijn om hen onvriendelijk te behandelen of te kwetsen”. De bestuursdirecteur vraagt “met aandrang deze subtiele vorm van collega*s pesten definitief te stoppen”. IX-4014-2/8 1.
- Met een brief van 4 november 2002 aan de bestuursdirecteur eist de raadsman van de betrokken personeelsleden “dat deze verdachtmakingen worden ingetrokken”. 1.
- Op 2 december 2002 richt de bestuursdirecteur een nota aan de griffier van de Kamer van Volksvertegenwoordigers met een voorstel om aan de betrokken personeelsleden als tuchtstraf een blaam op te leggen. Aan de betrokkenen wordt “een algemene laakbare houding” ten laste gelegd, die zich uit “in een misprijzend, vijandig en niet-constructief gedrag ten opzichte van collega’s en een gebrek aan eerbied en hoffelijkheid in relatie tot de superieuren.” 1.
- Dat tuchtvoorstel wordt op 9 december 2002 door de griffier aan de betrokken personeelsleden toegezonden. 1.
- Op 7 januari 2003 worden zij en hun raadsman door het college van ambtenaren-generaal gehoord. Bij de uitnodiging voor de hoorzitting is een verslag gevoegd met de getuigenissen van 21 personeelsleden omtrent “de oorzaken van de spanningen in de dienst Integraal Verslag en “de verhouding van de vier betrokkenen met hun onmiddellijke hiërarchie en hun collega’s”. 1.
- Op 17 januari 2003 dient verzoekster een verweerschrift in. 1.
- Op 26 februari 2003 worden op vraag van de betrokken personeelsleden enkele collega’s als getuige gehoord. Na de hoorzitting stelt het college van ambtenaren-generaal voor om aan de betrokken personeelsleden de lichtste tuchtstraf, namelijk de terechtwijzing op te leggen. 1.
- Op 21 mei 2003 beslist de griffier van de Kamer van Volksvertegenwoordigers om aan de betrokken personeelsleden de tuchtstraf van de terechtwijzing op te leggen. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
- De betrokken personeelsleden stellen tegen deze beslissing beroep in bij het College van quaestoren. IX-4014-3/8 1.
- Op 9 oktober 2003 worden zij en hun raadsman door het College van quaestoren gehoord. 1.
- Op 16 oktober 2003 beslist het College van quaestoren de aan de betrokken personeelsleden opgelegde tuchtstraf van de terechtwijzing te bevestigen. Dit is de tweede bestreden beslissing.
- Over de vraag tot samenvoeging. Overwegende dat verzoekster de samenvoeging van de zaak met de zaken die dezelfde dag werden ingeleid door Carine VERHEYDEN (zaak A.145.779/VIII-3888), August PEETERS (zaak A. l45.770/IX-4015) en Ivan INGELS (zaak A.147.769/IX-4016); dat niet ingezien wordt dat het afzonderlijk behandelen van de zaken de goede rechtsbedeling in het gedrang zou brengen; aangezien de zaken ingeleid door August PEETERS en Ivan INGELS op dezelfde zitting zijn behandeld als onderhavige zaak; dat de zaak ingeleid door Carine VERHEYDEN (zaak A. 145.779/VIII-3888) inmiddels reeds is afgedaan bij arrest nr. 129.677 van 24 maart 2004;
- Over de ontvankelijkheid van de vordering. 3.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de beslissing van 16 oktober 2003 een nieuwe eindbeslissing is die de beslissing van 21 mei 2003 vervangt en de vordering tot schorsing tegen de beslissing van 21 mei 2003 bijgevolg niet ontvankelijk is; dat bovendien de vordering tot schorsing tegen de beslissing van 21 mei 2003 laattijdig is en bijgevolg niet ontvankelijk ratione temporis; 3.
- Overwegende dat over die excepties slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is;
- Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden IX-4014-4/8 aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de tweede voorwaarde uiteenzet wat volgt : “(...)
- Het belang van verzoekster bij het vernietigen van de bestreden beslissing is evident en bestaat erin dat de tuchtstraf niet alleen in het persoonlijk dossier van verzoekster terechtkomt, zij is ook een vermoeden van tekortkoming in de uitoefening van de functie naar de personeelsleden en oversten toe. Zij wordt slechts na 2 jaar doorgehaald (art. 61 § 8 Statuut). Zij heeft voor verzoekster bovendien het gevolg dat zij in plaats van tweejaarlijks jaarlijks zal beoordeeld worden (art. 15 bis § 1 Statuut) en zal niet alleen de eerste twee jaar maar ook nog na de doorhaling de meest nefaste gevolgen hebben op de bevorderings- kansen van verzoekster.
- Zo werden twee collega’s van verzoekster, de heren INGELS en PEETERS, onlangs getroffen door een ongunstige beoordeling, waarin de opgelopen tuchtsanctie en de redenen daartoe (art.
- bis -15 ter Statuut personeel) als basisoverweging wordt genomen voor de negatieve beoordeling (...). Dit betekent dat, wanneer een tuchtsanctie opgelopen wordt, waarvan de motivering als basis diende voor de negatieve beoordeling, minstens het komende jaar de promotiekansen van verzoek(st)er nihil zijn, en ook de promotiekansen voor de het jaar daarop zullen uitblijven. De tuchtsanctie wordt immers pas na 2 jaar doorgehaald, en men zal niet geneigd zijn verzoekster te bevorderen, zelfs niet na de periode van 2 jaar. Gelet op het feit dat noch verzoekster, noch haar hierboven geciteerde collega*s ooit een ongunstige beoordeling kregen voor de tuchtsanctie, en hun tucht- dossier op geheel gelijke wijze werd behandeld, bestaat de werkelijke en terechte vrees dat ook verzoekster, op basis van de tuchtsanctie, voor het eerst een ongunstige beoordeling zal krijgen. Artikel 15 bis § 4 Statuut bepaalt immers : 'Om in aanmerking te komen voor een bevordering tot een leidinggevende functie, voor de uitoefening van een hogere functie, voor graadverandering of voor deelneming aan een bevorderingsexamen, moet een personeelslid dat aan de beoordeling onderworpen is, bij de jongste evaluatie een gunstige beoordeling bekomen hebben'.
- Men kan dus stellen dat door deze tuchtsanctie de gehele verdere beroepsloopbaan maar ook persoonlijk leven van verzoekster wordt geschaad. Het hoeft voor het overige geen betoog dat deze tuchtsanctie de positie van verzoekster negatief beïnvloedt : door de herhaalde aanvallen van de bestuurs- directeur ten aanzien van haar persoon, met zware en ruim bekende beschuldigingen tot gevolg (de beschuldiging van pesten en mobbing ging per mail naar alle hiërarchische oversten- (...)), wordt verzoekster ook bij haar collega*s en oversten verdacht, hetgeen contacten bemoeilijkt en haar plaats van tewerkstelling tot een wantrouwige of zelfs vijandige omgeving maakt. Dit brengt een enorme psychologische druk met zich mee. Het is enkel door een schorsing van deze sanctie dat verzoekster op korte tot middellange termijn haar promotiekansen, daarin begrepen het recht om mee te dingen naar vacante posities en het recht om deel te nemen aan examens gaaf kan houden.”; IX-4014-5/8 4.
- Overwegende dat het antwoord van de verwerende partij daarop als volgt luidt : “
- De verzoekende partij beperkt zich tot loutere veronderstellingen en mogelijkheden ter staving van haar beweerde nadeel, zonder hierbij ook maar de minste concrete gegevens naar voor te brengen die een dergelijk nadeel aannemelijk zouden (kunnen) maken. Een dergelijk louter hypothetisch nadeel volstaat niet.
- De verwerende partij zal daarom in louter ondergeschikte orde aantonen dat de verschillende elementen die de verzoekende partij ter staving van haar beweerde moeilijk te herstellen nadeel inroept, bovendien elke ernst ontberen.
- Zoals reeds aangetoond, berusten de bestreden beslissingen hoofd- zakelijk op de negatieve houding van de verzoekende partij ten aanzien van haar directe collega’s. Meer bepaald blijkt uit de stukken van het dossier dat de bestreden beslissingen voornamelijk zijn ingegeven door de weinig correcte, weinig hoffelijke en weinig loyale houding van de verzoekende partij ten aanzien van haar directe collega’s. Deze negatieve houding wordt bevestigd door de klachten die enkele collega*s hebben ingediend tegen de verzoekende partij en - voor zover als nodig - door het intern administratief onderzoek dat werd gevoerd door de griffier en door de getuigenissen van 21 medewerkers van de dienst Integraal Verslag die in het kader van dit onderzoek werden gehoord. Er werd daarentegen geen enkele professionele onbekwaamheid (of slechte technische uitvoering van haar werk) verweten aan de verzoekende partij.
- In dezelfde zin is het onjuist te beweren dat de bevolen tuchtstraf een nefaste invloed zou hebben op de relatie van de verzoekende partij met haar collega’s, vermits het precies de negatieve houding van de verzoekende partij ten aanzien van haar directe collega’s is die aanleiding heeft gegeven tot de bevolen tuchtstraf. Indien er al sprake zou zijn van een negatieve en wantrouwige relatie tussen collega’s is dit m.a.w. uitsluitend te wijten aan de houding van verzoeken- de partij zelf. In ondergeschikte orde is er op te wijzen dat dit nadeel, zo dit al aanwezig zou zijn (quod non), geenszins moeilijk te herstellen is. Het ingeroepen nadeel is immers van morele aard en is bijgevolg volledig herstelbaar door de morele genoegdoening die een vernietiging (met terugwerkende kracht) van de bestreden benoeming zou verschaffen. Het morele leed dat wordt veroorzaakt door een terechtwijzing is overigens hoe dan ook niet ernstig genoeg om af te wijken van het beginsel dat de schorsing van een administratieve rechtshandeling uitzonderlijk moet blijven.
- De vermindering of het verlies van bevorderingskansen wordt principieel niet aanvaard als moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De verzoekende partij kan haar aanspraak op een bevordering immers vrijwaren door de vernietiging van de toekomstige bevorderingen waarbij ten onrechte rekening zou worden gehouden met de bestreden tuchtsanctie (R.v.St., Driessen, nr. 41.131; R.v.St., Vereecken, nr. nr. 45.915, 1 februari 1994, R.v.St., Vandenbergh, nr. 47.127, 3 mei 1994).
- Het feit dat de verzoekende partij jaarlijks in plaats van tweejaarlijks zou worden beoordeeld is geen ernstig nadeel en rechtvaardigt geenszins de schorsing van de bestreden beslissingen.
- Tenslotte is het feit dat de verwerende partij op basis van de tuchtstraf een toekomstige negatieve beoordeling zal toekennen aan de verzoekende partij louter hypothetisch. Een dergelijke negatieve beoordeling is overigens zeer onwaarschijnlijk aangezien de bestreden beslissing van 16 oktober 2003 reeds IX-4014-6/8 een verbetering vaststelt in de houding van de verzoekende partij. Het ingeroepen nadeel kan dan ook niet worden aanvaard.”; 4.
- Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de bestreden tuchtstraf aanleiding kan geven tot een ongunstige evaluatie waardoor haar bevorderingskansen worden geschaad; dat zij evenwel de vernietiging kan vorderen van bevorderingen waarbij ten onrechte met de opgelopen tuchtsanctie rekening zou worden gehouden; dat dit aangevoerde nadeel aldus niet moeilijk te herstellen is; dat overigens de tuchtstraf van terechtwijzing na twee jaar doorgehaald wordt en dat het bijgevolg uitgesloten is dat haar “gehele verdere beroepsloopbaan” daardoor geschaad zal worden omdat luidens artikel 61, § 8, derde lid, van het statuut van het personeel van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de doorhaling van de straf impliceert “dat geen rekening wordt gehouden met de straf bij de toekenning van een beoordeling en bij de appreciatie van de aanspraken op bevordering in de vlakke loopbaan”; dat voorts verzoekster ook nog aanvoert dat zij door de tuchtsanctie bij haar collega’s en oversten “verdacht” wordt gemaakt; dat zo de bestreden beslissing haar reputatie aantast en haar dus een moreel nadeel berokkent, dit nadeel, gelet op het feit dat het om de lichtste tuchtstraf gaat, niet ernstig is en bovendien nog in beginsel herstelbaar is door de morele genoegdoening die wordt verkregen met een eventuele vernietiging; dat zij bijgevolg niet op een afdoende wijze aantoont de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoeksters vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-4014-7/8 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4014-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.182 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.451 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.