id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.256 Rolnummer: A. 133514/XIV-13982 Zaak: Arrest 131256 - - 11/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-28 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 06:23 Fiche Arrest nr 131.256 van 11 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.256 van 11 mei 2004 in de zaak A. 133.514/XIV-13.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Algerijnse nationaliteit, op 27 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 27 januari 2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 4 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 29 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat H. DE PONTHIERE verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-13.982-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “Schending van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, meer bepaald van artikel 57/12 en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Doordat de gemachtigde bijzitter van de 1ste Nederlandse kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, bij brief van 23 december 2002, een beschikking laat geworden aan de verzoekende partij, waarbij deze gemachtigde bijzitter als zijn uitdrukkelijke mening te kennen geeft dat het beroep dat de verzoekende partij had aangetekend ‘kennelijk ongegrond voorkomt’, beslist het beroep zelf te behandelen en de zaak ook effectief ten gronde heeft behandeld, zonder de zaak te verwijzen naar een kamer met drie rechters; Terwijl, een behandeling door een alleensprekend rechter slechts mogelijk is indien het dossier ofwel laattijdig is, ofwel geen middelen bevat of niet aanwijst waarom de beslissing moet worden hervormd (Verantwoording bij het vijfde amendement bij artikel 14 van het ontwerp van wet, Parl. St. senaat 1992-93, 555/2, 126) en op voorwaarde dat de bestreden beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, het asielverzoek van de verzoekende partij als kennelijk ongegrond had verklaard”; 1.
- Overwegende dat artikel 57/12, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de behandeling van de zaak door een alleenrechtspre- kend lid toelaat wanneer "het beroep onontvankelijk of kennelijk ongegrond is"; dat de stelling van verzoeker als zou de zaak enkel door een alleenrechtsprekend lid kunnen worden behandeld wanneer het beroep laattijdig is of wanneer tegen de weigeringsbeslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen middelen worden naar voor gebracht niet kan worden gevolgd; dat deze stelling er immers op neerkomt dat het alleenrechtsprekend lid zich enkel over onontvankelijke beroepen zou kunnen uitspreken, terwijl het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is geweest dat dit lid ook kennelijk ongegronde beroepen zou behandelen; dat het begrip "kennelijk ongegrond beroep" enigszins werd verduidelijkt tijdens de bespreking van het ontwerp, dat de wet van 6 mei 1993 is geworden, in de Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt; dat uit het antwoord van de Minister op een vraag van Volksvertegenwoordiger GRIMBERGHS kan afgeleid worden dat een beroep kennelijk ongegrond is "wanneer de reden die (tegen de beroepen beslissing) wordt aangevoerd kennelijk ongegrond is" en dit "ongeacht het feit of de aanvraag kennelijk ongegrond is of XIV-13.982-2/4 niet" (Parl. St. Kamer 1992-1993, nr. 903/5, p. 60-61) ; dat een beroep kennelijk ongegrond is wanneer het weliswaar ontvankelijk is ingesteld, maar de erin ontwikkelde grieven duidelijk niet tot een hervorming van de beroepen beslissing kunnen leiden; dat het feit dat een aanvraag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling ontvankelijk wordt verklaard en met andere woorden niet op grond van artikel 52, § 1, 7/ als kennelijk ongegrond wordt afgewezen, niet in de weg staat dat het beroep tegen de weigeringsbeslis- sing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen later als kennelijk ongegrond wordt verworpen; dat beide begrippen immers geenszins samenvallen; dat een kennelijk ongegronde asielaanvraag bovendien al in de ontvankelijkheidsfase wordt afgewezen en, derhalve niet aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vermag te worden voorgelegd; dat het enig middel juridische grondslag mist;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-13.982-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei tweeduizend en vier, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-13.982-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.