← België

Arrest 131264 - - 11/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.264 Rolnummer: A. 133224/XIV-13875 Zaak: Arrest 131264 - - 11/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 06:23 Fiche Arrest nr 131.264 van 11 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.264 van 11 mei 2004 in de zaak A. 133.224/XIV-13.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN BRUSSEL, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Franklin Rooseveltplaats 12/6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 20 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 13 december 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 26 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 29 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. DE POURCQ die, loco Advocaat J. VAN BRUSSEL verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-13.875-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat in het eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 57/16 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), verzoeker laat gelden dat, hoewel hij op 12 september 2002 zijn gekozen woonplaats wijzigde van de Van Helmontstraat 21/4, 2060 Antwerpen naar de Nachtegaalstraat 6, 2060 Antwerpen, zowel de oproeping voor de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als de beslissing van dit rechtscollege naar zijn vorig adres werden gestuurd, dat bovendien in het verzoek van 13 december 2002 tot heropening der debatten duidelijk Nachtegaalstraat 6, 2060 Antwerpen als zijn woonplaats werd vermeld; 1.1.
  4. Overwegende dat, zo verzoeker op 12 september 2002 de wijziging van zijn gekozen woonplaats ter kennis bracht van de Dienst Vreemdelingenzaken en van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, hij naliet de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van deze wijziging op de hoogte te stellen; dat het secretariaat van dit rechtscollege de oproeping voor de zitting van 6 december 2002 dan ook volkomen terecht naar de in de beroepsakte aangeduide woonplaats heeft gezonden; dat, zelfs indien de bestreden beslissing aan een verkeerd adres zou zijn betekend, zulks niet tot een vernietiging ervan zou kunnen leiden; dat een onregelmatige betekening de geldigheid van een beslissing immers niet aantast; dat bovendien de bestreden beslissing, in tegenstel- ling tot wat verzoeker beweert, wel degelijk naar zijn nieuw adres Nachtegaalstraat 6, 2060 Antwerpen werd verstuurd; dat het eerste middel moet worden verworpen; 1.2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel verzoeker laat gelden dat het algemeen rechtsbeginsel van het recht op verdediging werd geschonden doordat hij noch voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, noch voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zijn asielrelaas heeft kunnen toelichten, dat immers zowel het schrijven van 7 juni 2002 van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als de oproepingsbrief voor de zitting van 6 december 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hem niet hebben bereikt; 1.2.
  6. Overwegende dat, in zoverre het middel gericht is tegen de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, het niet in aanmerking kan worden genomen, want niet gericht tegen de bestreden beslissing of de wijze XIV-13.875-2/4 waarop deze tot stand is gekomen; dat, in zoverre het middel gericht is tegen de procedure voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de oproepingsbrief voor de zitting van 6 december 2002 regelmatig verzonden werd naar het in de beroepsakte opgegeven adres; dat, indien verzoeker niet op deze zitting is gehoord, hij dit uitsluitend moet wijten aan zijn eigen verzuim om te gelegener tijd de wijziging van zijn gekozen woonplaats aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mee te delen; dat het tweede middel moet worden verworpen; 1.3.
  7. Overwegende dat in het derde middel, afgeleid uit de schending van het fair play-principe, verzoeker laat gelden dat de oproeping voor de zitting naar een foutief adres werd gestuurd, dat geen uitstel werd verleend, men doof bleef voor het verzoek tot heropening der debatten en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitdrukkelijk verwijst naar het asielverzoek van zijn echtgenote, in wiens dossier het correcte adres van het gezin was vermeld, hetgeen men blijkbaar niet heeft opgemerkt; 1.3.
  8. Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de oproeping voor de terechtzitting, in tegenstelling tot wat verzoeker laat gelden, naar het juiste adres werd verstuurd; dat, noch uit het verslag van de zitting, noch uit een ander stuk kan worden afgeleid dat verzoekers raadsman op de terechtzitting om uitstel van de behandeling van de zaak van zijn cliënt zou hebben verzocht; dat het verzoek tot heropening der debatten op de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen pas binnenkwam op 16 december 2002, met andere woorden nadat de bestreden beslissing -die van 13 december 2002 dateert- al was genomen; dat, zelfs indien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zou geweten hebben dat verzoekers gezin op een ander adres verbleef, ze gehouden was -zolang haar geen wijziging van de gekozen woonplaats was betekend- de oproeping te verzenden naar het in de beroepsakte opgegeven adres; dat het derde middel moet worden verworpen; 1.4.
  9. Overwegende dat in het vierde middel verzoeker laat gelden dat het zorgvuldigheidsprincipe werd geschonden doordat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een beslissing nam zonder hem te horen, wetende dat dit essentieel is om het asielrelaas te verduidelijken; 1.4.
  10. Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins verplicht is de zaak uit eigen beweging uit te stellen wanneer de vreemdeling, hoewel regelmatig opgeroepen, niet verschijnt en derhalve niet door haar kan worden gehoord; dat het vierde middel niet gegrond is; 1.5.
  11. Overwegende dat in het vijfde middel, afgeleid uit de schending van artikel 1 van de Conventie van Genève en van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, verzoeker laat gelden dat hij wel degelijk het statuut van erkend vluchteling dient te verkrijgen, dat er geen twijfel over kan bestaan dat hij een Tsjetsjeense verzetstrijder is en XIV-13.875-3/4 dat het vaststaat dat de Russische troepen aanhangers van het Tsjetsjeense verzet vervolgen, martelen en zelfs doden; 1.5.
  12. Overwegende dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid, maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat het middel ertoe strekt het onderzoek ten gronde door de Raad van State te laten overdoen, hetgeen buiten de bevoegdheid van de administratieve cassatierechter valt; dat het vijfde middel niet ontvankelijk is;
  13. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei tweeduizend en vier, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-13.875-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.264 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.