← België

Arrest 131322 - - 12/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.322 Rolnummer: A. 151374/IX-4512 Zaak: Arrest 131322 - - 12/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-17 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 06:24 Fiche Arrest nr 131.322 van 12 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.322 van 12 mei 2004 in de zaak A. 151.374/IX-

  1. In zake : Robert ZENNER, die woonplaats kiest bij advocaten F. DEWALLENS en R. VAN GOETHEM, kantoor houdende te LEUVEN, Brouwersstraat 7 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van DENDERMONDE, dat woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8 b. tussenkomende partij : de VZW Onze Lieve Vrouw van Troost, die woonplaats kiest bij advocaat C. DE WOLF, kantoor houdende te MAARKEDAL, Etikhovestraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Robert ZENNER op 3 mei 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 27 april 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Dendermonde waarbij hij met ingang van dezelfde datum ambtshalve wordt ontslagen uit zijn functies van cardioloog (1/4) en internist- cardioloog (½) bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Dendermonde; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2004, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; IX-4512-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaten R. VAN GOETHEM en T. DE GENDT, die verschijnen voor verzoeker, van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten C. DE WOLF en St. CALLENS, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat verzoeker sinds 1979 vast benoemd is als cardioloog en internist-cardioloog bij het toenmalige OCMW-ziekenhuis van Dendermonde; dat krachtens een overeenkomst gesloten op 8 juli 1996 tussen het OCMW van Dendermonde en de VZW Onze Lieve Vrouw van Troost verzoeker ter beschikking werd gesteld van laatstgenoemde VZW; dat verzoeker bij een -na verwerping van het cassatieberoep- in kracht van gewijsde gegaan arrest van 23 september 2003 van het hof van beroep te Gent veroordeeld werd tot een gevangenisstraf met uitstel en tot de ontzetting, voor vijf jaar, van een aantal burgerlijke en politieke rechten; dat daarop het OCMW van Dendermonde tegen verzoeker een procedure van ambtshalve ontslag heeft ingesteld gegrond op artikel 293/1, 2, van het administratief statuut van het OCMW-personeel, luidens welk ambtshalve en zonder opzegging een einde gemaakt wordt aan de hoedanigheid van het personeelslid indien het niet langer zijn burgerlijke en politieke rechten geniet; dat verzoeker, na op 27 april 2004 door de raad voor maatschappelijk welzijn te zijn gehoord, bij beslissing van dezelfde datum door die raad ambtshalve werd ontslagen uit zijn functies van cardioloog en internist-cardioloog; dat hij van dat besluit de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vordert;
  4. Overwegende dat de VZW Onze Lieve Vrouw van Troost met een verzoekschrift van 7 mei 2004 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat aangezien verzoeker zijn functies als ziekenhuisgeneesheer uitoefent in het Algemeen Ziekenhuis (AZ) Sint-Blasius dat door de voornoemde VZW uitgebaat wordt, deze kennelijk een belang heeft bij de beslechting van het geschil en derhalve op haar verzoek moet worden ingegaan;
  5. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de IX-4512-2/9 tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  6. Overwegende dat verzoeker zes middelen aanvoert; dat hij in zijn eerste tot vierde middel telkens laat gelden dat het dossier dat de verwerende partij met betrekking tot zijn ambtshalve ontslag heeft samengesteld, onvolledig was, omdat het besluit van 16 mei 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn, waarvan artikel 2 de personeelsformatie van het medisch personeel zou vaststellen, daarin niet was opgenomen, niettegenstaande dat het bestreden besluit op wat verzoeker “een cruciaal punt” noemt ter beantwoording van de vraag of artikel 293/1, 2, van het administratief statuut van het personeel van het OCMW van Dendermonde op verzoeker van toepassing is, uitdrukkelijk naar artikel 2 van dat raadsbesluit verwijst; 4.1.
  7. Overwegende dat verzoeker in zijn eerste middel in die onvolledigheid van het dossier een schending onderkent van artikel 300 van de nieuwe gemeentewet, dat krachtens artikel 297 van het administratief statuut van het OCMW van Dendermonde van overeenkomstige toepassing is in het geval van een ambtshalve ontslag en naar luid waarvan het tuchtdossier alle stukken bevat die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten; dat hij in het tweede middel aanvoert dat de aangeklaagde onvolledigheid van het dossier ook een schending inhoudt van artikel 30, vierde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn -hierna genoemd: OCMW-wet- naar luid waarvan de volledige dossiers ter beschikking van de leden van de raad worden gesteld; dat verzoeker in zijn derde middel in de onvolledigheid van het dossier een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel ontwaart; dat verzoeker, ten slotte, in de drie onderdelen van het vierde middel betoogt dat de onvolledigheid van het dossier een schending inhoudt van zijn recht van verdediging, minstens van zijn recht om op een nuttige wijze zijn standpunt naar voor te brengen, alsook van de fair-playnorm; 4.1.
  8. Overwegende dat de wetsbepalingen en beginselen waarvan verzoeker de schending aanvoert, slechts vereisen dat het personeelslid en de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn in het dossier dat in het kader van een te IX-4512-3/9 nemen besluit over het ambtshalve ontslag van het personeelslid ten behoeve van de betrokkene en de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt samengesteld, de stukken aantreffen die betrekking hebben op de redenen die tot het ambtshalve ontslag kunnen leiden; dat ze het bestuur er niet toe verplichten in dat dossier ook de reglementaire besluiten op te nemen die op het geval van toepassing zijn, noch de teksten waarnaar in het te nemen besluit ter beantwoording van de argumenten aangebracht door het betrokken personeelslid desgevallend zal worden verwezen, maar die op zich niets te maken hebben met de ten laste gelegde feiten en die door het betrokken personeelslid en door de raadsleden te allen tijde bij het bestuur kunnen worden ingezien; Overwegende, overigens, dat de overweging van het bestreden besluit “dat in artikel 2 van de beslissing van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn dd. 16 mei 2003 een specifieke formatie wordt vastgesteld van het medisch personeel” allerminst cruciaal is ter ondersteuning van zijn conclusie dat het administratief statuut van het personeel van het OCMW, met inbegrip van artikel 293/1, 2, betreffende het ontslag van ambtswege, op verzoeker van toepassing is; dat ze slechts beoogt een antwoord te geven op verzoekers verwijzing in zijn verweerschrift naar artikel 42 van de OCMW-wet, hetwelk onder meer bepaalt dat de raad voor maatschappelijk welzijn voor het ziekenhuis dat van het centrum afhangt een afzonderlijke personeelsformatie vaststelt; dat echter al veel vroeger in het bestreden besluit overwogen wordt dat verzoeker, niettegenstaande dat hij ter beschikking is gesteld van het AZ Sint-Blasius, gelet op zijn statutaire benoeming, nog steeds een personeelslid is van het OCMW van Dendermonde en dat dienvolgens het administratief statuut van het personeel van dat centrum op hem van toepassing is; Overwegende dat de eerste vier middelen niet ernstig zijn; 4.2.
  9. Overwegende dat verzoeker in zijn vijfde middel machtsoverschrijding aanvoert, doordat het bestreden besluit ten overvloede overweegt dat “zou geoordeeld worden dat het statuut van 16 mei 2003 niet van toepassing zou zijn, problemen die zich voordoen in de verhouding tussen overheid en een ziekenhuisgeneesheer opgelost moeten worden aan de hand van de algemene beginselen die ten grondslag liggen aan het statuut van het rijkspersoneel”, terwijl in de brief waarmee verzoeker werd opgeroepen voor het verhoor werd gesteld dat de hoorzitting beperkt zou zijn tot de al dan niet toepasselijkheid van artikel 293/1, 2, IX-4512-4/9 van het administratief statuut van het OCMW te Dendermonde; dat volgens verzoeker de raad voor maatschappelijk welzijn dan ook zijn bevoegdheid ratione materiae te buiten is gegaan door het bestreden besluit mede te baseren op het statuut van het rijkspersoneel; 4.2.
  10. Overwegende dat in zoverre de verwerende partij in haar oproepingsbrief van 7 april 2004 voor de hoorzitting aan verzoeker vroeg er rekening mee te houden dat die zitting beperkt zou blijven tot “de al dan niet toepasselijkheid van artikel 293/1, 2, van het administratief statuut van het OCMW te Dendermonde” en geen betrekking zou hebben op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de veroordeling van verzoeker door het hof van beroep te Gent, zij aan verzoeker slechts duidelijk beoogde te maken dat tegen hem geen tuchtprocedure werd gevoerd, dat het derhalve zinloos was zijn verweer ter hoorzitting te betrekken op de feiten waarvoor hij strafrechtelijk was veroordeeld en dat het aangewezen was dat hij zijn verweer zou toespitsen op het enige mogelijke onderwerp van de hoorzitting, namelijk de toepassing op verzoeker van het voorschrift van artikel 293/1, 2, van het administratief statuut van het personeel, naar luid waarvan het personeelslid dat niet langer over zijn burgerlijke en politieke rechten beschikt ambtshalve wordt ontslagen; dat die aanwijzingen in de oproepingsbrief over het eigenlijke onderwerp van de hoorzitting, er niet aan in de weg staan dat de raad voor maatschappelijk welzijn, na te hebben vastgesteld dat het voorschrift van artikel 293/1, 2, van het administratief statuut wel degelijk op verzoeker van toepassing is, louter “ten overvloede” opmerkt dat, zelfs indien men zou aannemen dat het administratief statuut van het personeel niet op verzoeker van toepassing is, dan nog toepassing zou moeten worden gemaakt van de algemene beginselen die ten grondslag liggen aan het statuut van het rijkspersoneel en dat het laatstgenoemde statuut een gelijkaardig voorschrift met betrekking tot het ambtshalve ontslag bevat; dat de raad voor maatschappelijk welzijn door een dergelijke opmerking, die geheel ten overvloede wordt geformuleerd, geenszins zijn bevoegdheid ratione materiae te buiten is gegaan; dat ook het vijfde middel niet ernstig is; 4.3.
  11. Overwegende dat verzoeker in een zesde middel “schending van de norm van de draagkrachtige motivering” aanvoert; 4.3.1.
  12. Overwegende dat verzoeker vooreerst de interpretatie aanvecht die het bestreden besluit geeft aan het voorschrift van artikel 293/1, 2, van het administratief statuut van het personeel; dat volgens hem dat voorschrift zo moet IX-4512-5/9 worden begrepen dat het personeelslid slechts ambtshalve wordt ontslagen wanneer het uit al zijn burgerlijke en politieke rechten is ontzet, dus niet wanneer, zoals in zijn geval, niet alle burgerlijke en politieke rechten aan het personeelslid zijn ontnomen; 4.3.1.
  13. Overwegende dat artikel 23 van het administratief statuut van het personeel van het OCMW van Dendermonde als algemene toelatingsvoorwaarde voor werving stelt dat de kandidaat “de burgerlijke en politieke rechten [moet] genieten”; dat artikel 293/1, 2, van datzelfde statuut bepaalt dat “ambtshalve en zonder opzegging [...] een einde [wordt] gemaakt aan de hoedanigheid van (het) personeelslid” indien “dat niet langer zijn burgerlijke en politieke rechten geniet”; Overwegende dat, zoals in het bestreden besluit terecht wordt overwogen en zoals de Raad van State reeds meermaals heeft gewezen, wanneer, zoals in de onderhavige zaak, is voorgeschreven dat een persoon, om in openbare dienst benoemd te worden, “de” burgerlijke en politieke rechten moet genieten, zulks betekent dat hij over alle burgerlijke en politieke rechten moet beschikken; dat het verlies van één enkel recht dan ook betekent dat hij niet meer “de” of “zijn” of “alle” burgerlijke of politieke rechten geniet en zulks volstaat om hem uit de dienst te verwijderen; dat het feit dat dit impliciet bepaald is in het statuut van het rijkspersoneel, niet inhoudt dat de vorenstaande interpretatie niet meer zou gelden wanneer dat niet het geval is; 4.3.2.
  14. Overwegende dat verzoeker voorts het in het bestreden besluit ingenomen standpunt aanvecht volgens welk het administratief statuut van het personeel van het OCMW van Dendermonde van toepassing is op de geneesheren van het voormalig stedelijk ziekenhuis die, zoals verzoeker, ter beschikking zijn gesteld van het AZ Sint-Blasius; dat volgens hem de raad voor maatschappelijk welzijn krachtens de artikelen 42 en 48 van de OCMW-wet een afzonderlijk statuut dient vast te stellen voor het personeel van zijn ziekenhuizen en dat de raad dat in 1978 ook heeft gedaan, maar dat het toen vastgestelde algemeen statuut van het medisch korps geen melding maakt van de mogelijkheid om een ziekenhuisgeneesheer ambtshalve te ontslaan wanneer hij niet langer over zijn burgerlijke en politieke rechten beschikt; dat hij stelt dat zijn administratief statuut thans echter bepaald is door de algemene regeling van het AZ Sint-Blasius betreffende de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de geneesheren, de organisatie- en de werkvoorwaarden, met inbegrip van de financiële werkvoorwaarden; dat de raad voor maatschappelijk welzijn, aldus verzoeker, ook IX-4512-6/9 niet kan beweren dat het administratief statuut van het OCMW van Dendermonde op hem van toepassing is, aangezien dit statuut, voor wat de ziekenhuisgeneesheren betreft, nooit aan het advies van de medische raad werd voorgelegd; dat verzoeker ten slotte laat gelden dat het OCMW van Dendermonde sedert zijn terbeschikkingstelling van het AZ Sint-Blasius niet meer vermag zijn statuut eenzijdig te wijzigen : het beschikt dienaangaande nog slechts over de rechten die hem zijn toegekend in de overeenkomst die tussen het centrum en de VZW Onze Lieve Vrouw van Troost werd gesloten en waarin niets is bepaald met betrekking tot de vaststelling van het administratief statuut van de OCMW-ziekenhuisgeneesheren; 4.3.2.
  15. Overwegende dat verzoeker, ofschoon hij door het OCMW van Dendermonde ter beschikking is gesteld van het AZ Sint-Blasius, op grond van zijn benoeming door de raad voor maatschappelijk welzijn een personeelslid van dit OCMW is gebleven en zijn dienstverband met het OCMW geregeld wordt door het administratief statuut dat de raad voor maatschappelijk welzijn heeft vastgesteld; dat zulks overigens bevestigd wordt door hetgeen in een overeenkomst tussen het OCMW van Dendermonde en de VZW Onze Lieve Vrouw van Troost werd vastgelegd, namelijk dat de ter beschikking gestelde personeelsleden verder de arbeidsvoorwaarden, de rechten en plichten, de loopbaan, de administratieve standen en verlofregeling, de bezoldiging, de tuchtregeling, het vakbondsstatuut en de pensioenregeling genieten die gelden voor de vastbenoemde statutaire personeelsleden van het OCMW; Overwegende dat luidens artikel 1 van het administratief statuut van het personeel van het OCMW van Dendermonde dat statuut van toepassing is op alle leden van het statutair personeel van het OCMW, dus ook op verzoeker; dat het niet diende te worden onderworpen aan het advies van een medische raad, noch aan het advies van de medische raad van het AZ Sint-Blasius, vermits dit ziekenhuis niet onder het OCMW van Dendermonde ressorteert, noch aan het advies van een eigen medische raad, aangezien het OCMW geen eigen ziekenhuis meer heeft; Overwegende, voorts, dat de algemene regeling van het AZ Sint-Blasius betreffende de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de ziekenhuisgeneesheren van toepassing is op de eigen personeelsleden van het ziekenhuis; dat uit geen enkel door verzoeker overgelegd stuk blijkt dat die algemene regeling ook op hem van toepassing is gemaakt; dat, ook al lijkt op het eerste gezicht IX-4512-7/9 niets zich ertegen te verzetten dat sommige regels van die algemene regeling ook van toepassing worden gemaakt op de ter beschikking gestelde personeelsleden van het OCMW van Dendermonde, ze in dat geval hoe dan ook geen afbreuk mogen doen aan de bevoegdheid waarover de raad voor maatschappelijk welzijn -krachtens het statutair dienstverband dat tussen het OCMW en die ter beschikking gestelde personeelsleden blijft bestaan- ten aanzien van deze personeelsleden beschikt; dat ter zake de algemene regeling derhalve geen afbreuk vermag te doen aan de bevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn om met toepassing van artikel 293/1, 2, van het administratief statuut van het personeel aan het dienstverband met verzoeker een einde te maken; 4.
  16. Overwegende dat dient te worden besloten dat ook het zesde middel in geen zijner onderdelen ernstig is;
  17. Overwegende dat de vaststelling dat geen der aangevoerde middelen ernstig is, volstaat om de vordering te verwerpen, zonder dat het nodig is de aangevoerde ontvankelijkheidsexcepties te onderzoeken, BESLUIT: Artikel
  18. Het verzoek tot tussenkomst van de VZW Onze Lieve Vrouw van Troost in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  19. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. IX-4512-8/9 Artikel
  20. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf mei 2000 en vier, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-4512-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.322 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.