← België

Arrest 131341 - - 12/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.341 Rolnummer: A. 142937/X-11609 Zaak: Arrest 131341 - - 12/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-11 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:24 Fiche Arrest nr 131.341 van 12 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.341 van 12 mei 2004 in de zaak A. 142.937/X-11.

  1. In zake :
  2. Gunilla MEEUS,
  3. Tony ONGENAE, wonende te 3040 NEERIJSE, Langerodestraat 21 tegen : het Vlaamse gewest. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gunilla MEEUS en Tony ONGENAE op 21 oktober 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "de opname van een gedeelte van hun eigendom in de inventaris zoals voorzien in het Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, registratieattest SV/VF/2003/24045/0016 medegedeeld op 26 mei 2003, en van het ministerieel besluit houdende verwerping van het beroep van de eigenaars van de geregistreerde ruimte tegen de registratie op 21 augustus 2003 genomen door de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, met kennisgeving van de uitspraak over het beroep op 25 augustus 2003 aan de eigenaars gedaan, waarbij het verzoek tot schrapping van het gedeelte van hun onroerend goed uit de inventaris werd geweigerd"; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partijen de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van dezelfde beslissingen; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; X-11.608-1/5 Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 2 maart 2004, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 april 2004; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partijen, die verschijnen in persoon; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen de nietigverklaring vorderen van de registratie door de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van een bedrijfsruimte in de "Inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten" zoals bedoeld in het decreet van de Vlaamse Raad van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten; dat dit het eerste bestreden besluit is; dat zij als tweede beslissing ook de vernietiging vorderen van het besluit van 21 augustus 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie waarbij het beroep van de verzoekende partijen tegen de registratie wordt verworpen; Overwegende dat ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep het tweede bestreden besluit in de plaats is gekomen van het eerste bestreden besluit; dat het eerste bestreden besluit moet worden geacht niet meer te bestaan; dat derhalve het beroep in zover het is gericht tegen het eerste besluit, om die reden alleen reeds kennelijk niet ontvankelijk is; X-11.608-2/5 Overwegende dat, wat het tweede bestreden besluit betreft, een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp moet hebben; dat om ontvankelijk te zijn het beroep een handeling tot voorwerp moet hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partij; dat aldus enerzijds handelingen die in de loop van een administratieve procedure door de overheid worden gesteld met het oog op de totstandkoming van een administratieve rechtshandeling maar die zelf geen rechtsgevolgen hebben, niet voor vernietiging vatbaar zijn -de mogelijke onregelmatigheden waarmee zij zouden zijn aangetast, kunnen wel ontvankelijk worden aangevoerd in een beroep tot nietigverklaring van de eindbeslissing- terwijl anderzijds handelingen ter voorbereiding van een administratieve eindbeslissing die zelf rechtsgevolgen hebben doordat zij onmiddellijk en beslissend de inhoud van de eindbeslissing voor een deel of geheel bepalen en dus een direct en definitief nadeel aan de verzoekende partij berokkenen, wel afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring kunnen worden bestreden; Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van bovengenoemd decreet van 19 april 1995 blijkt dat het de bedoeling van de decreetgever is geweest door een geheel van bepalingen de eigenaars van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten ertoe aan te zetten om deze bedrijfsruimten "te recupereren of ze opnieuw op de markt te brengen met eerbied voor de ruimtelijke ordening van het grondgebied" (Parl. St. Vl. Parl., 1993-94, nr. 591-1, 2); dat het decreet daartoe onder meer voorziet in een heffing die aan de eigenaars van verwaarloosde en/of leegstaande bedrijfsruimten wordt opgelegd, en waarvan de opbrengst wordt gestort in een zgn. "Vernieuwingsfonds" (art. 15) dat wordt aangewend om nieuwe eigenaars van verwaarloosde en/of leegstaande bedrijfsruimten te financieren (art. 42); dat de Vlaamse regering eveneens machtiging kan verlenen om leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten te onteigenen (art. 50), maatregel die is bedoeld als "ultiem pressiemiddel (...) indien ondanks de heffing niet tot vernieuwing wordt overgegaan" (Parl. St. Vl. Parl., 1993-94, nr. 591-1, 23); Overwegende dat de registratie van een onroerend goed in de "Inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten" een stap is in de bij het decreet vastgelegde administratieve procedure die de voormelde maatregelen (heffing, financiële steun en machtiging tot onteigening) mogelijk maakt; dat de kennisgeving van het registratieattest een verwittiging en een aansporing is voor de X-11.608-3/5 betrokkenen om iets te ondernemen; dat de registratie in de "Inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten" niet rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg heeft dat een heffing of belasting verschuldigd is en evenmin dat het betrokken goed zal worden onteigend; Overwegende dat krachtens artikel 15, § 1, van het decreet van 19 april 1995 "de heffing wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeenvolgende registratie in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten en/of verwaarloosde bedrijfsruimten", en dat de heffing betrekking heeft "op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de heffing wordt betekend."; dat zelfs na een tweede opeenvolgende registratie niet automatisch een heffing is verschuldigd, vermits deze krachtens de artikelen 26 juncto 33 van voornoemd decreet pas is verschuldigd nadat ze op naam van een persoon is ingecohierd en nadat de kennisgeving die de grondslag van de heffing bevat en het te betalen bedrag aan diegenen die eraan onderworpen zijn met een aangetekende brief is betekend; Overwegende dat artikel 50 van hetzelfde decreet bepaalt dat "op initiatief van een publiekrechtelijke rechtspersoon of van een lokale overheid die onteigeningsbevoegdheid bezit" de Vlaamse regering machtiging kan verlenen om onroerende goederen die in de inventaris zijn geregistreerd ten algemene nutte te onteigenen, en dat deze onteigening geschiedt overeenkomstig de spoedprocedure bepaald in de wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigening ten algemene nutte; dat om tot onteigening te kunnen overgaan aldus een initiatief van een publiekrechtelijk rechtspersoon of van een lokale overheid die onteigeningsbevoegdheid bezit is vereist, evenals een machtiging van de Vlaamse regering; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de registratie in de "Inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten" een louter voorbereidende handeling is zonder onmiddellijke nadelige gevolgen; dat zij niet afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring kan worden bestreden; dat het beroep tot nietigverklaring kennelijk niet ontvankelijk is; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van dit beroep, mede wordt verworpen, X-11.608-4/5 B E S L U I T: Artikel
  4. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  5. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het geding, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf mei 2004, door: de HH. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. G. DEBERSAQUES. X-11.608-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.341 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.