← België

Arrest 131374 - - 13/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.374 Rolnummer: A. 103638/X-10294 Zaak: Arrest 131374 - - 13/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-27 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 06:24 Fiche Arrest nr 131.374 van 13 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.374 van 13 mei 2004 in de zaak A. 103.638/X-10.

  1. In zake : Harrie VAN HERCK, die woonplaats kiest bij Advocaat J. STIJNS, kantoor houdende te 3001 LEUVEN, Ubicenter, Philipssite 5, 2e verdieping tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Harrie VAN HERCK op 20 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 februari 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor het uitbreiden van een opslagruimte en van een woning gelegen te Neerpelt, Schoolstraat 17, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 1042e3; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 30 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-10.294-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VERHAEGHE die, loco Advocaat J. STIJNS verschijnt voor verzoeker, en van Bestuurssecretaris K. VISSERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 12 november 1999 de regularisatievergunning aanvraagt voor het uitbreiden van een opslagruimte en van een woning gelegen te Neerpelt, Schoolstraat 17, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 1042e3; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Neerpelt op 25 april 2000 de regularisatievergunning weigert; dat verzoeker op 17 mei 2000 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg; dat de stedenbouwkundige inspecteur op 7 februari 2001 weigert een vergelijk te treffen met betrekking tot de niet-vergunde werken; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg op 21 februari 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift, wat zijn belang bij het beroep betreft, verklaart een "actueel, zeker en rechtstreeks belang bij de nietigverklaring van het bestreden Besluit" te hebben; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord met betrekking tot het belang van verzoeker bij het beroep uiteenzet "dat ons college van oordeel is dat het beroep tot nietigverklaring ingediend door de verzoekende partij tegen het besluit d.d. 21 februari 2001 onontvankelijk is aangezien het louter gericht is tegen de weigering van de regularisatievergunning en niet (mede) tegen het besluit d.d. 7 februari 2001 van de stedenbouwkundige inspecteur waarbij het vergelijk betreffende de bouwovertreding begaan door de verzoekende partij werd geweigerd; dat ons college immers meent dat de verzoekende partij uit de loutere vernietiging van het bestreden besluit d.d. 21 februari 2001 geen effectief voordeel kan halen, aangezien een eventuele vernietiging van het bestreden besluit X-10.294-2/6 de beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur houdende de weigering van het vergelijk ongemoeid zou laten en deze laatste beslissing dus onverkort zou blijven bestaan; dat het bedoelde en door de verzoekende partij niet aangevochten besluit van de stedenbouwkundige inspecteur evenwel tot rechtsgevolg heeft dat sowieso geen stedenbouwkundige regularisatievergunning kan worden verleend door de vergunningverlenende overheid, gelet op de decretale verplichte koppeling tussen het strafrechtelijk vergelijk tussen de stedenbouwkundig inspecteur en de bouwovertreder enerzijds en het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning door de vergunningverlenende overheid anderzijds; dat het beroep tot nietigverklaring dan ook als onontvankelijk moet worden verworpen omdat de vernietiging van het bestreden besluit niet het gewenste effect kan sorteren voor de verzoekende partij"; Overwegende dat verzoeker hierop in zijn memorie van wederantwoord repliceert als volgt : "
  2. Het beroep is wel degelijk ontvankelijk aangezien het bestreden besluit de beslissing van de inspecteur volledig en letterlijk weergeeft. De weigering van vergelijk maakt deel uit van het besluit van de Bestendige Deputatie. Een vernietiging van het besluit van de Bestendige Deputatie brengt dan ook de vernietiging van de weigering van vergelijk met zich mee. De verwerende partij wijst bovendien zelf op de 'decretale koppeling tussen het vergelijk en het verlenen van een stede(n)bouwkundige vergunning'.
  3. Het beroep is wel degelijk ontvankelijk aangezien er geen beroepsmogelijkheid is voorzien bij de Raad van State tegen de beslissing van de stede(n)bouwkundige inspecteur, noch in de wet, noch in de beslissing zelf. De artikelen 158 en 159 van het Decreet van 18 mei 1999 bespreken inderdaad het voorstel tot vergelijk en de transactiesom, maar voorzien niet in een beroepsmogelijkheid tegen deze beslissing. De beslissing van weigering van vergelijk dd. 7 februari 2001 vermeldt evenmin enige mogelijkheid van beroep hiertegen. De verwerende partij toont bovendien niet aan waar deze beroepsmogelijkheid is opgenomen.
  4. Dit advies van de stede(n)bouwkundig inspecteur dient vergeleken te worden met het advies van de gemachtigde ambtenaar aan de gemeente. De gemeente moet, net zoals de Bestendige Deputatie, het advies van de gemachtigde ambtenaar volgen. Tegen dit advies van de gemachtigde ambtenaar staat evenmin een beroep open en kan er in een dergelijk geval enkel de beslissing van de gemeente aangevochten worden.
  5. De gedachtegang van de verwerende partij zou een betreurenswaardig resultaat geven: Een Bestendige Deputatie zou niet omheen een beslissing kunnen die genomen is met miskenning van de rechten van verdediging en meer bepaald een beslissing zoals die van de stede(n)bouwkundig inspecteur die genomen werd zonder hoorzitting."; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie met betrekking tot de ontvankelijkheid van zijn vordering uiteenzet wat volgt : X-10.294-3/6 "Artikel 158 van het Decreet van 18 mei 1999 voorzag, vóór de afvoering ervan bij Decreet van 8 maart 2002, in de mogelijkheid voor de Stedenbouwkundig Inspecteur om met de aanvrager van een regularisatievergunning een vergelijk te treffen. Deze regeling kwam slechts tussen nadat verzoeker reeds beroep instelde bij de Bestendige Deputatie tegen de weigeringsbeslissing van de Gemeente. Bij beslissing van 7 februari 2001 weigerde de Stedenbouwkundig Inspecteur een vergelijk te treffen met verzoeker, waarna de Bestendige Deputatie bij bestreden besluit van 19 april 2001 het door verzoeker ingestelde beroep verwierp. Het Decreet voorzag niet in een beroepsmogelijkheid voor de aanvrager tegen de weigeringsbeslissing van de Stedenbouwkundig Inspecteur. Gelet op de toen geldende decretale verplichte koppeling tussen het vergelijk en het verlenen van de bouwvergunning, gaf het besluit van de Bestendige Deputatie de weigering van vergelijk letterlijk weer en vormen beide administratieve rechtshandelingen dan ook één geheel. Verzoeker meent voldoende argumenten te kunnen laten gelden teneinde aan te tonen dat de beslissing tot weigering van vergelijk op een onwettige en onbehoorlijke manier werd genomen, zodat het besluit van de Bestendige Deputatie, hetwelk volledig gebaseerd op de weigering van vergelijk en er een gevolg van is, eveneens onwettig is. Wanneer de beslissing van de Bestendige Deputatie vernietigd zou worden - terugdenkend in de tijd -, zou de eraan gekoppelde beslissing van de Stedenbouwkundig Inspecteur eveneens vernietigd zijn. Dit zou dan als gevolg hebben gehad dat zowel de Bestendige Deputatie als de Stedenbouwkundig Inspecteur zich opnieuw dienden te buigen over de aanvraag van verzoeker, rekening houdend met het gezag van gewijsde van het arrest van Uw Raad. Er was dan ook wel degelijk een belang aanwezig in hoofde van verzoeker ten tijde van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Het dient te worden benadrukt dat de betreffende bepaling van de stedenbouwwetgeving inmiddels werd gewijzigd, zodat verzoeker op het ogenblik van het tussenkomen van een uitspraak nopens het verzoekschrift tot nietigverklaring over een actueel, rechtstreeks, persoonlijk, geoorloofd en zeker belang beschikt, aangezien de Bestendige Deputatie een nieuwe beslissing terzake zal dienen te nemen, zonder dat de voorwaarde betreffende het vergelijk dient vervuld te zijn. Voor zoveel als nodig kan er op gewezen worden dat bij de uitspraak rekening dient te worden gehouden met de op dat ogenblik geldende bepalingen. Ten slotte dient te worden benadrukt dat in voorliggend geval het belang van verzoeker niet enkel an sich kan worden beoordeeld. In deze is het belang verbonden met de grond van de zaak en zelfs met de feitelijkheden. Verzoeker trachtte in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord te verduidelijken op welke manier hij over het hele verloop van dit dossier werd behandeld en hoe de bestreden beslissing op zeer onredelijke wijze is tot stand gekomen."; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets wezenlijks toevoegt aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot X-10.294-4/6 nietigverklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat de argumentatie van verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie juridische grondslag mist al was het maar daar het de Raad van State niet toekomt van de vordering tot nietigverklaring van de weigering van vergelijk kennis te nemen; dat, ten slotte, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat verzoeker hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de exceptie van de verwerende partij gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.294-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.294-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.