id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.375 Rolnummer: A. 138525/X-11481 Zaak: Arrest 131375 - - 13/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-18 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 06:24 Fiche Arrest nr 131.375 van 13 mei 2004 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.375 van 13 mei 2004 in de zaak A. 138.525/X-11.481. In zake : de n.v. LEABELL, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Loofstraat 39 tegen : 1. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie en het Sociaal-economisch comité voor de distributie, die woonplaats kiest bij Advocaat J.-Fr. DE BOCK, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Tasson-Snelstraat 38, 2. de gemeente ZWEVEGEM. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. LEABELL op 30 juni 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1/ het bindend ongunstig advies uitgebracht op 13 mei 2003 door het Sociaal- economisch comité voor de distributie betreffende haar aanvraag tot de herlokalisatie van een supermarkt en vorming van een handelscomplex langs de Kortrijkstraat 49 te 8550 Zwevegem, en, 2/ de beslissing van 28 mei 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem waarbij haar de voormelde socio-economische vergunning wordt geweigerd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door Auditeur L. VERMEIRE, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent X-11.481-1/12 van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur L. VERMEIRE op grond van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op de beschikkingen van 29 oktober 2003, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2003; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. VAN DORPE, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem bij besluit van 28 mei 2003 aan verzoekster de socio- economische vergunning heeft geweigerd "voor de inplanting van een handelscom- plex en de herlokalisatie van een supermarkt aan de Kortrijkstraat 49 te 8550 Zwevegem in een gebouw met een totale bruto gebouwde grondoppervlakte van 2666 m² en met een totale netto verkoopoppervlakte van 1398 m², onderverdeeld in een supermarkt van 1250 m² en een module van 148 m², waarvan de uitbater nog niet gekend is", op grond van het collegiaal ongunstig advies dat het Sociaal- Economisch Comité voor de Distributie (hierna SECD) op 13 mei 2003 had uitgebracht over een op 11 april 2003 door verzoekster ingediende aanvraag, "rekening houden(
- d)met de analyse van het dossier volgens de criteria in het K.B. van 8 augustus 1975 en na afweging van de positieve en negatieve aspecten van het dossier" en "gezien het advies en de erin opgenomen motivering in bijlage bij deze beslissing."; X-11.481-2/12 Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoekster in een enig middel in feite de interne en externe motivering van het ongunstig advies betwist terwijl deze motivering in essentie reeds terug te vinden is in eerdere bindende ongunstige adviezen van 10 september 2002 en van 22 december 2002 over aanvragen van dezelfde verzoekster die niet werden aangevochten, zodat deze adviezen, hun motivering en de daaropvolgende negatieve beslissingen van het college van burgemeester en schepenen definitief zijn geworden, en verzoekster aldus geen belang meer kan doen gelden om de betrokken motivering thans nog aan te vechten; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat het thans aangevochten bindend ongunstig advies en de daaropvolgende weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen werden genomen na een nieuwe aanvraag van verzoekster en op grond van een nieuw onderzoek door het SECD; dat deze beslissingen geen louter bevestigende beslissingen zijn van deze genomen over eerdere aanvragen; dat de door verwerende partij opgeworpen exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van onder meer artikel 2,
- a)van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 tot vaststelling van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van de vragen tot handelsvestiging, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de zorgvuldigheidsplicht, "doordat het ongunstig advies gesteund is op gegevens die strijdig zijn met de data van het dossier."; Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel van het middel, eerste tak, uiteenzet dat het bestreden advies inzake het in voormeld artikel 2,
- a)van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 opgelegde criterium "ruimtelijke lokalisatie van het handelsapparaat", littera
- a)"Verband tussen het betrokken verkooppunt en de gemeente van vestiging", geen enkele afweging maakt noch beoordeling geeft omtrent de vraag of "de omvang en type van het ontworpen verkooppunt" verenigbaar is met "de plaats van de gemeente in het stedennet, haar omvang en het demografisch gewicht van het hinterland" zoals vereist door voormelde bepaling, aangezien de overweging in het advies dat de gemeente Zwevegem 23.000 inwoners telt en op commercieel vlak een lokaalverzorgend centrum is voor de courante aankopen en behoort tot de invloedzone van het regionaalverzorgendcentrum Kortrijk niet leidt tot enige gevolgtrekking en ook niet X-11.481-3/12 kan leiden tot een negatieve gevolgtrekking terzake, zeker niet voor een verplaatsing van een supermarkt binnen een gemeente met een kleine uitbreiding (van 1108 tot 1250 m²), en de andere overwegingen betrekking hebben op de bereikbaarheid voor voetgangers vanuit het centrum, de drukte van de baan en de zichtbaarheid en dus alleen de verhouding binnen de gemeente betreffen; dat verzoekster in een tweede tak van het eerste onderdeel aanvoert dat laatstgenoemde overwegingen ook strijdig zijn met de gegevens van het dossier en dus de zorgvuldigheidsplicht en de materiële en formele motiveringsplicht schenden, aangezien ten onrechte wordt gesteld dat de oude site zich bevindt op het einde van de winkelstraat waar het aansluit op het handelscircuit, terwijl deze in werkelijkheid is ingesloten in een zuiver residentiële wijk in de doodlopende niet commerciële Ferrardstraat, die zelf een zijstraat is van een zijstraat van de winkelstraat Otegemstraat, die op dat punt geen commercieel karakter meer heeft, dat de nieuwe site niet moeilijker bereikbaar is voor voetgangers nu deze is gelegen in een zone voor centrumfuncties volgens het bijzonder plan van aanleg, op ongeveer 300 m van de kerk waar alle hoofdstraten uitkomen en waar het werkelijke centrum van de gemeente is, terwijl de oude site op 950 m van de kerk is gelegen, dat de zichtbaarheid van de site, over een lengte van 70 m grenzend aan de Kortrijkstraat, optimaal is, hetgeen niet zo is voor de oude site op een niet- commerciële locatie, en dat het feit dat de inrit komende van het centrum van de gemeente Zwevegem aan de overkant van de weg is gelegen zonder invloed is op het onderzochte criterium en niet als negatief element kan worden aangevoerd, aangezien hier tegenover staat dat de uitrit aan de kant van de weg richting Zwevegem ligt, dat het omgekeerde zou gelden indien de site aan de andere zijde van de weg zou zijn gelegen, en dat de gemeente, indien zij dit een probleem van verkeersveiligheid vindt -hetgeen geen criterium is voor het sociaal-economisch advies- het gebruik kan opleggen van een 150 m verder gelegen rond punt middels een volle witte streep het dwarsen van de weg te verbieden, dat de ringweg N 391 vanaf de aansluiting met de Kortrijkstraat tot de Harelbekestraat reeds jaren in gebruik is en de Kortrijkstraat ontlast, dat het verder doortrekken van de ringweg enkel een bijkomend positief element is, dat de nabijgelegen woonwijk "Te Winckele" reeds meer dan 6 jaar bestaat en nog steeds wordt uitgebreid met opnieuw 113 woningen en 32 apparte- menten; Overwegende dat de eerste verwerende partij vooreerst opwerpt dat verzoekster geen belang heeft bij het middel aangezien zij de ongunstige adviezen over eerdere aanvragen niet heeft aangevochten; dat zij vervolgens stelt dat ten onrechte wordt aangevoerd dat artikel 2,
- a)van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 geschonden zou zijn, dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat X-11.481-4/12 het SECD met betrekking tot voormeld criterium vooreerst is overgegaan tot een beschrijving van de essentiële gegevens van het ontworpen verkooppunt (omvang en type), dat het nadien de essentiële gegevens van de gemeente van vestiging verschaft, qua plaats in het stedennet, omvang en demografisch gewicht van haar hinterland, en ten slotte de geplande herlokalisatie van de supermarkt beschrijft en de gevolgen daarvan onderzoekt, nog steeds met het oog op de beschrijving van de ruimtelijke lokalisatie van het handelsapparaat, dat het SECD op grond van deze gegevens onderzoekt of voldaan is aan voormeld criterium, en dat uit dat onderzoek duidelijk blijkt dat het SECD het eerste sociaal-economische criterium "strikt heeft nageleefd", dat verzoekster ten onrechte aanvoert dat de motivering van het bestreden advies hieromtrent enkel betrekking zou hebben op de bereikbaarheid voor voetgangers vanuit het centrum, de drukte van de baan of de zichtbaarheid van de geplande vestiging, dat in de motivering van het advies duidelijk wordt benadrukt dat de herlokalisatie moeilijk kan worden aanvaard aangezien deze naar de andere kant van het centrum en net buiten het handelscircuit geschiedt, dat de bereikbaarheid voor voetgangers, de zichtbaarheid en de ligging van de nieuwe vestigingsplaats, hoewel ter zake niet doorslaggevend, wel relevant zijn bij de verdere beschrijving van de ruimtelijke lokalisatie van de vestiging, en het SECD hiermede dan ook terecht rekening heeft gehouden, dat de uitbreiding van de supermarkt niet meer centraal aan de orde is nu vaststaat dat de uitbreiding een kleinere oppervlakte betreft dan eerdere aanvragen, en dat de twee nieuwe elementen, met name de ontwikkeling van de nabijgelegen woonwijk en het realiseren van de ringweg niet van aard zijn aan voormelde bezwaren te verhelpen aangezien deze "evenwel nog niet voltooid zijn"; dat voorts artikel 9 van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen bepaalt dat het SECD het dossier onderzoekt en binnen een termijn van negentig dagen een collegiaal en "met redenen omkleed" advies geeft, zodat de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen er niet op van toepassing is, op grond van artikel 6 dat bepaalt dat deze wet slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen dan die bepaald in de voorafgaande artikelen, dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster zeer duidelijk heeft begrepen waarom het SECD het betrokken criterium negatief heeft beoordeeld, dat zij de motivering volledig weergeeft en er een uitvoerige commentaar op maakt, dat in zoverre verzoekster de schending van de motiveringsplicht tracht aan te tonen door te stellen dat het bestreden advies op een reeks onjuiste feitelijke gegevens zou steunen, dient te worden gesteld dat deze feitelijke gegevens door het SECD alle, met uitzondering van voornoemde twee "nieuwe elementen" bij vorige adviezen op gelijkaardige X-11.481-5/12 manier werden besproken, zonder enige reactie vanwege verzoekster, dat zij de zwakke punten van haar dossier goed kent, hetgeen niet alleen blijkt uit een herleiding van de voorgestelde netto verkoopoppervlakte, maar ook uit de voorstelling van de nieuwe locatie, aan de hand van extra motivering, dat wat de kritiek op de feitelijke gegevens van de motivering van het advies van het SECD betreft, de omstandigheid dat de Ferradstraat residentiëel en niet commercieel en/of een doodlopende straat zou zijn, niet wegneemt dat zij aanpalend is aan de commerciële kern van de Otegem- straat, en bijgevolg op het handelscircuit van de gemeente Zwevegem aansluit, dat dit bezwaarlijk kan worden betwist, dat in het sociaal-economisch onderzoek van de n.v. ABM dat bij de aanvraag is gevoegd wordt beklemtoond dat de Otegemstraat de "centrumas" van de gemeente uitmaakt, en de bestaande vestiging op "loopaf- stand" van deze straat is, welke wordt beschreven als "de belangrijkste winkelas van Zwevegem", dat gelet op het voorgaande niet kan worden ingezien waarom de kerk nu plots als relevant zou moeten worden aangezien met het oog op de bepaling van de handelskern of centrumas van de gemeente, dat de kwestie van de zichtbaarheid en de ligging ten aanzien van de inrit geen doorslaggevende elementen zijn, en dat het SECD terecht heeft vastgesteld dat de twee nieuw aangevoerde elementen thans nog niet voltooid zijn; Overwegende dat de tweede verwerende partij geen verweer voert "aangezien de gemeente in deze materie verplicht was een weigeringsbesluit te nemen na het negatieve advies van het Sociaal-economisch comité"; Overwegende dat het middel de wettigheid van het advies van het SECD betreft over een nieuwe aanvraag op grond van nieuwe elementen; dat niet blijkt dat de in dit middel aangevoerde onwettigheden verzoekster geen nadeel hebben kunnen toebrengen; dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verzoekende partij in het middel onder meer de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan X-11.481-6/12 de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze "slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorge- schreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen"; dat uit een en ander volgt dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; Overwegende dat artikel 9, eerste lid, van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen bepaalt wat volgt : "Het Sociaal-Economisch Comité onderzoekt het dossier en geeft binnen een termijn van negentig dagen een collegiaal en met redenen omkleed advies. Het advies moet rekening houden met de criteria vastgesteld door de Koning na overleg of op voorstel van de Nationale Commissie voor de Distributie"; Overwegende dat voornoemde bepaling aan het SECD, wanneer het een advies geeft over een socio-economische machtiging, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 9, eerste lid, van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen; Overwegende dat het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 tot vaststelling van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van de vragen tot handelsvestiging, in artikel 1 bepaalt dat de bedoelde adviezen "rekening (moeten) houden met de hierna vermelde criteria, ingedeeld in vier categorieën teneinde een beoordeling van de verschillende facetten van de handelsvestiging mogelijk te maken, namelijk : - de ruimtelijke lokalisatie van het handelsapparaat; - het facet 'verbruiker'; - de tewerkstelling; - de weerslag op de bestaande handel"; X-11.481-7/12 dat elk van die categorieën het mogelijk moet maken te oordelen over de verschillende punten die zijn vermeld in de artikelen 2a), b), 3a), b), c), d), 4a), b),
- c)en 5a), b),
- c)van het besluit; Overwegende dat artikel 6 van hetzelfde besluit bepaalt : "De adviezen bedoeld in artikel 1 worden uitgebracht na beraadslaging over de verschillende beoordelingen van de criteria die gezamenlijk een globale beoordeling van de aanvraag dienen uit te maken"; Overwegende dat het besluit dus twaalf criteria vaststelt, ingedeeld in vier categorieën, dat het een beoordeling van elk van de toepasselijke criteria verplicht stelt en dat de algemene beoordeling betrekking dient te hebben op het geheel ervan; Overwegende dat uit de voorgaande bepalingen volgt dat het SECD een adviserend orgaan is dat inzake handelsvestigingen overeenkomstig artikel 9 van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen een collegiaal en met redenen omkleed advies geeft dat rekening moet houden met de twaalf criteria, ingedeeld in vier categorieën, welke zijn vastgelegd door het koninklijk besluit van 8 augustus 1975; dat het SECD aan zijn wettelijk opgelegde motiveringsverplichting voldoet, wanneer het in zijn advies een voldoende appreciatie geeft over elk van deze twaalf criteria; Overwegende dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 tot vaststelling van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van de vragen tot handelsvestiging, bepaalt wat volgt : "Art. 2.
- a)of een aanvaardbaar verband bestaat tussen enerzijds de omvang en het type van het ontworpen verkooppunt en anderzijds, de plaats van de gemeente, op wier grondgebied de handelsvestiging wordt ontworpen, in het stedennet, haar omvang en het demografisch gewicht van haar hinterland;
- b)of de ontworpen vestiging derwijze is opgevat dat zij een functioneel evenwicht bevordert tussen de periferie en de bestaande handelscentra."; Overwegende dat het aangevochten advies van het SECD inzake het door artikel 2 opgelegde criterium, is gemotiveerd als volgt : "
- a)Verband tussen het betrokken verkooppunt en de gemeente van vestiging. De voorliggende aanvraag betreft de herlo(k)alisatie van een supermarkt en de vorming van een handelscomplex naar de Kortrijkstraat te Zwevegem, in een X-11.481-8/12 gebouw met een bruto gebouwde grondoppervlakte van 2666m² . De totale nettoverkoopoppervlakte zal 1 398m² omvatten, verdeeld onder een supermarkt van 1250m1 en een handelszaak van 148m², waarvan de uitbater nog niet gekend is. De fusiegemeente Zwevegem telt ongeveer 23500 inwoners en is een verstedelijkte gemeente, die op commercieel vlak een lokaalverzorgend centrum is voor de courante aankopen. De kerngemeente Zwevegem heeft tevens een belangrijke industriële functie, terwijl de andere deelgemeenten daarentegen hun landelijk karakter behouden hebben. Verder behoort deze gemeente tot de invloedszone van het regionaal centrum Kortrijk (waar) De Otegemstraat de be- langrijkste winkelstraat is. De supermarkt is momenteel gevestigd langs de Paul Ferrardstraat, dicht bij de Otegemstraat, en wil zich verplaatsen naar de andere kant van het centrum van Zwevegem, dichter naar Kortrijk toe. De Kortrijkstraat is de verbindingsweg Kortrijk-Oudenaarde. De site ligt op ongeveer 2 km afstand van de ring rond Kortrijk en van de autosnelweg E17 Rijsel-Kortrijk-Gent, en zou vooral met de wagen vlot bereikbaar zijn, doch moeilijker voor de voetgangers vanuit het centrum. Ook de zichtbaarheid is niet ideaal en komende van het centrum van Zwevegem ligt de inrit van het verkooppunt aan de overkant van de weg. De verplaatsing van dit verkooppunt is vanuit distributie-planologisch oogpunt moeilijk aanvaardbaar, vermits deze zich momenteel bevindt op het einde van de winkelstraat, waar het aansluit op het handelscircuit van Zwevegem en zich zou herlo(k)aliseren naar de andere kant van het centrum, langs een zeer drukke baan. Er zijn evenwel plannen goedgekeurd voor een ringweg rond Zwevegem, die reeds voor een gedeelte gerealiseerd werden. Door deze ring zou de Kortrijkstraat dan ontlast worden van het doorgaand verkeer. Het Comité merkt op dat de twee nieuwe elementen in dit dossier, nl. de ontwikkeling. van een nabijgelegen woonwijk en het realiseren van de voornoemde ringweg evenwel nog niet voltooid zijn. De herlo(k)alisatie naar de andere kant van het centrum en net buiten het handelscircuit kan vanuit distributie-planologisch oogpunt toch moeilijk aanvaard worden.
- b)Evenwicht tussen centrum en periferie. De inplanting van dit handelscomplex en de herlo(k)alisatie met uitbreiding van een supermarkt naar de Kortrijkstraat te Zwevegem zal de aantrekkingskracht van deze weg vergroten, ten nadele van de winkelas langs de Otegemstraat, zonder evenwel het evenwicht tussen centrum en periferie te verstoren."; Overwegende dat voormelde motivering met betrekking tot het onder artikel 2, littera
- a)aangegeven criterium, onder littera "
- a)Verband tussen het betrokken verkooppunt en de gemeente van vestiging", na vermelding van een aantal feitelijke gegevens, met name over de inhoud van de aanvraag, over de fusiegemeente Zwevegem en haar functie, over de huidige ligging van de bestaande handelsvesti- ging, van de nieuwe lokalisatie en van haar bereikbaarheid met de wagen en voor voetgangers, en van de zichtbaarheid, vaststelt dat de verplaatsing van dit verkoop- punt "vanuit distributie-planologisch oogpunt moeilijk aanvaardbaar (is), vermits deze zich momenteel bevindt op het einde van de winkelstraat, waar het aansluit op het handelscircuit van Zwevegem, en zich zou herlokaliseren naar de andere kant van het centrum, langs een zeer drukke baan", en dat de twee nieuwe elementen in het X-11.481-9/12 dossier, met name de ontwikkeling van een nabijgelegen woonwijk en het realiseren van de ringweg rond Zwevegem, die de Kortrijkstraat zou ontlasten van doorgaand verkeer, nog niet voltooid zijn; dat het SECD aldus argumenten aanbrengt die enkel verband houden met de wenselijkheid van een verplaatsing van de betrokken handelsvestiging binnen de gemeente Zwevegem; dat deze argumenten derhalve veeleer verband houden met het criterium vermeld onder littera
- b)van hetzelfde artikel, met name of de ontworpen vestiging derwijze is opgevat dat zij een functioneel evenwicht bevordert tussen de periferie en de bestaande handelscentra, ten aanzien waarvan het advies van het SECD onder littera "
- b)Evenwicht tussen centrum en periferie" dan weer stelt dat "de inplanting van dit handelscomplex en de herlokalisatie met uitbreiding van een supermarkt naar de Kortrijkstraat te Zwevegem (...) de aantrekkingskracht van deze weg (zal) vergroten, ten nadele van de winkelas langs de Otegemstraat, zonder evenwel het evenwicht tussen centrum en periferie te verstoren."; dat wat betreft de criteria vermeld onder littera a), met name de vraag of er een aanvaardbaar verband bestaat tussen enerzijds de omvang en het type van het ontworpen verkooppunt, en anderzijds de plaats van de betrokken gemeente in het stedennet, haar omvang en het demografisch gewicht van haar hinterland, moet worden vastgesteld dat in de motivering van het advies van het SECD niets wordt gezegd over het distributieplanologisch al dan niet aanvaardbaar karakter van de inplanting van een handelscomplex van het gegeven type en met de aangegeven omvang, waarbij de uitbreiding van de netto-verkoopoppervlakte slechts beperkt is -van 1108 m² naar 1250 m²- ten opzichte van de functie van Zwevegem als lokaalverzorgend centrum voor courante aankopen behorend tot de invloedszone van het regionaal centrum Kortrijk, de omvang van Zwevegem zelf of het demografisch gewicht van het hinterland; Overwegende dat het advies van het SECD, gelet op de bijzondere motiveringsvereisten die het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 vaststelt, kennelijk niet als voldoende gemotiveerd kan worden beschouwd minstens wat het beoordelingscriterium 2a) betreft; dat doordat minstens voor dit criterium werd nagelaten een afdoende beoordeling uit te brengen, de ongunstige algemene beoordeling van de aanvraag, die beperkt is tot de vaststelling dat "rekening houdend met de analyse van het dossier volgens de criteria voorzien in het K.B. van 8 augustus 1975, zoals hierboven weergegeven, (het SECD), na afweging van de positieve en negatieve aspecten van het dossier, een collegiaal ongunstig advies uit(brengt) betreffende de aanvraag van de NV LEABELL, Markegemsesteenweg 100 te 8720 Dentergem, strekkende tot de herlokalisatie van een supermarkt en vorming van een handelscomplex langs de Kortrijkstraat 49 te 8550 Zwevegem", evenmin afdoende X-11.481-10/12 is, aangezien het koninklijk besluit vereist dat zij wordt uitgebracht na beraadslaging over de verschillende beoordelingen van de criteria; dat het middel in die mate kennelijk gegrond is; dat een onderzoek van en een uitspraak over de overige middelen zich niet opdringt; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen krachtens artikel 10, eerste lid, van de wet van 29 juni 1975, wanneer het advies van het SECD ongunstig is, binnen vijftien dagen na kennisgeving ervan een beslissing tot weigering moet nemen; dat hieruit volgt dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen die haar grondslag vindt in het onwettig bevonden ongunstig advies van het SECD, eveneens onwettig is; Overwegende dat de nietigverklaring van de bestreden beslissingen tot gevolg heeft dat de door de n.v. LEABELL ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissingen geen voorwerp meer heeft; Overwegende dat krachtens artikel 10, eerste lid, van voornoemde wet van 29 juni 1975, in geval het SECD een ongunstig advies uitbrengt, het college van burgemeester en schepenen een weigering moet uitspreken; dat het in deze omstandigheden past dat de kosten ten laste van de tweede verwerende partij worden gelegd, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het bindend ongunstig advies uitgebracht op 13 mei 2003 door het Sociaal-economisch comité voor de distributie betreffende de aanvraag van de n.v. LEABELL tot de herlokalisatie van een supermarkt en vorming van een handelscomplex langs de Kortrijkstraat 49 te 8550 Zwevegem, en, de beslissing van 28 mei 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem waarbij aan de n.v. LEABELL voormelde socio-economische vergunning wordt geweigerd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-11.481-11/12 Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien mei 2004, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.481-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.375 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div