← België

Arrest 131376 - - 13/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.376 Rolnummer: A. 113373/X-10692 Zaak: Arrest 131376 - - 13/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-27 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:25 Fiche Arrest nr 131.376 van 13 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.376 van 13 mei 2004 in de zaak A. 113.373/X-10.

  1. In zake : Marcel VAN DEN STEEN, die woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Noordlaan 82-84 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel VAN DEN STEEN op 26 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 31 juli 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 4 november 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor twee dakkapellen en een tuinmuur aan een gebouwencomplex gelegen te Aalst, Putstraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nrs. 637 g, 637 h, 641 c en 641 e, en "voor zover als nodig" van het besluit van 29 maart 2001 van de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur houdende weigering van vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.692-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. HAEMERS die, loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat T. DE SUTTER die, loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 4 augustus 1998 de regularisatievergunning aanvraagt voor twee dakkapellen en een tuinmuur aan een gebouwencomplex gelegen te Aalst, Putstraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nrs. 637 g, 637 h, 641 c en 641 e; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst op 7 juni 1999 de regularisatievergunning weigert; dat verzoeker op 13 juli 1999 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 4 november 1999 beslist het beroep niet in te willigen; dat verzoeker op 5 januari 2000 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening; dat de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op 29 maart 2001 aan verzoeker het vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) weigert; dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, D.R.O. bedoelde certificaat derhalve niet is opgesteld; dat dit de tweede bestreden beslissing is; dat de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media op 31 juli 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het eerste bestreden besluit is; X-10.692-2/5 Overwegende dat verzoeker "voor zover als nodig" de nietigverklaring vordert van het besluit van 29 maart 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur houdende weigering van vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Overwegende dat artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State vereist, hetgeen overigens de rechten van verdediging vergen, dat het voorwerp van het beroep door de verzoekende partij zelf in haar verzoekschrift wordt bepaald; dat verzoeker, door de wijze waarop hij het voorwerp van het beroep formuleert, met name "voor zover als nodig", in strijd met dit voorschrift het aan de Raad van State overlaat het uiteindelijke voorwerp van het beroep te bepalen; dat het beroep wat het tweede voorwerp betreft om deze reden alleen reeds niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker wat het actueel belang van zijn beroep betreft met betrekking tot het eerste bestreden besluit in zijn laatste memorie argumenteert dat bij nietigverklaring van het bestreden besluit de minister opnieuw dient te beslissen, hierbij rekening houdend met de regelgeving die van toepassing is op het ogenblik van zijn nieuwe besluit, dat als gevolg van de inwerkingtreding van het decreet van 8 maart 2002, de artikelen 158 en 159 vervangen zijn hetgeen tot gevolg heeft dat niet langer het voorafgaandelijk voorhanden zijn van een certificaat een noodzakelijke vereiste is om een regularisatievergunning te verlenen, dat het belang eveneens dient beoordeeld te worden in functie van de na vernietiging te nemen beslissing; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft met betrekking tot het eerste bestreden besluit uiteenzet wat volgt: "B. In zoverre het annulatieberoep gericht is tegen het ministerieel besluit d.d. 31 Juli 2001 (eerste bestreden beslissing)
  3. De verwerende partij stelt, met verwijzing naar het standpunt van het Auditoraat terzake, vast dat de verzoekende partij alleszins bij aanvang van de annulatieprocedure niet beschikte over het rechtens vereiste belang. Het feit dat de verzoekende partij dit belang pas hangende de procedure verwerft, impliceert niet - zoals het Auditoraat terecht opmerkt - dat het annulatieberoep hierdoor ontvankelijk wordt aangezien volgens vaste rechtspraak van de Raad van State het rechtens vereiste belang gedurende de X-10.692-3/5 volledige procedure aanwezig moet zijn en dus ook bij het instellen van het beroep wat in casu ontegensprekelijk niet geval was."; Overwegende dat het eerste bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord en in haar laatste memorie niets afdoet aan de vaststelling dat zij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de nietigverklaring van het eerste bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de argumentatie van verzoeker in zijn laatste memorie dat, na nietigverklaring, de verwerende partij zich opnieuw zal dienen uit te spreken over de regularisatieaanvraag en dit op grond van onderwijl gewijzigde regelgeving, betrekking heeft op de gevolgen eigen aan elk vernietigingsarrest, maar niet inhoudt dat verzoeker door het betrachten van dit gevolg, een belang heeft of verwerft bij het beroep; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep ten aanzien van het eerste bestreden besluit niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. X-10.692-4/5 Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.692-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.376 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.