← België

Arrest 131377 - - 13/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.377 Rolnummer: A. 75626/X-7735 Zaak: Arrest 131377 - - 13/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-27 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 06:25 Fiche Arrest nr 131.377 van 13 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.377 van 13 mei 2004 in de zaak A. 75.626/X-

  1. In zake :
  2. Marcel JULIEN,
  3. Jef VAN GAEL,
  4. Marc THIENPONT,
  5. Elvira BIERTEN,
  6. Eric DEHOUWER,
  7. Dirk DERGENT, die wooplaats kiezen bij Advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  8. tussenkomende partij : de n.v. VANHOUT, die woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  9. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel JULIEN, Jef VAN GAEL, Marc THIENPONT, Elvira BIERTEN, Eric DEHOUWER en Dirk DERGENT op 9 september 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 12 mei 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de n.v. VANHOUT tegen het besluit van 25 juli 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende weigering van de bouwvergunning voor het oprichten van 2 appartementsgebouwen aan de Nijverheidsstraat te Vosselaar op percelen kadastraal bekend Sectie A, nrs. 208t deel 5 en 208v deel 5, wordt ingewilligd en de bouwvergunning wordt verleend voor de op het bijgaand plan aangeduide werken; X-7735-1/7 Gelet op het arrest nr. 74.494 van 24 juni 1998 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de n.v. VANHOUT in het administratief kort geding wordt ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen, en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 7 augustus 1998 ingediend door Jef VAN GAEL; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 30 november 1998 ingediend door de n.v. VANHOUT; Gelet op de beschikking van 16 december 1998 die de tussenkomst van de n.v. VANHOUT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 10 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de tweede verzoekende en van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 7 november 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 januari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. BOES, die verschijnt voor de tweede verzoekende partij, van Advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat T. GEVERS die, loco Advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; X-7735-2/7 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. VANHOUT op 19 december 1994 een gunstig stedenbouwkundig attest nr. 2 heeft verkregen voor het oprichten van 2 appartementsgebouwen gelegen aan de Nijverheidsstraat te Vosselaar, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 208/V/5; dat verzoekers woonachtig zijn in de onmiddellijke omgeving van dit perceel; dat de n.v. VANHOUT op 29 september 1995 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Vosselaar een bouwaanvraag heeft ingediend voor het oprichten van 2 appartementsgebouwen met vijf woonlagen aan de Nijverheidsstraat op de percelen kadastraal bekend Sectie A, nrs. 208/V/5/deel en 208/T/5/deel; dat het bouwperceel een totale oppervlakte heeft van 6000 m²; dat de bouwplannen voorzien in twee achter elkaar gelegen apparte- mentsgebouwen van 26,95 m bij 22,4 m, met een nokhoogte van 15,45 m; dat het voorste appartementsgebouw gelegen is op 15 m van de linker perceelgrens en circa 30,75 m van de rechter perceelgrens; dat het achterste appartementsgebouw gelegen is op 12 m van de rechter perceelgrens, op circa 37,25 m van de dichtstbijzijnde linker perceelgrens en circa 19 m van de achterste perceelgrens; dat tijdens het openbaar onderzoek 96 bezwaarschriften werden ingediend, waaronder één door eerste, tweede en vijfde verzoeker; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 4 december 1995 de bouwvergunning heeft geweigerd; dat de n.v. VANHOUT op 15 januari 1996 beroep heeft ingesteld tegen dit besluit bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen; dat de bestendige deputatie bij besluit van 25 juli 1996 het beroep niet heeft ingewilligd; dat de n.v. VANHOUT op 19 september 1996 beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 12 mei 1997 dit beroep heeft ingewilligd en de bouwvergunning heeft verleend voor de op het bijgaand plan aangeduide werken; dat bij brief van 20 mei 1997 een afschrift van dit besluit aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Vosselaar werd betekend; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Vosselaar bij besluit van 9 maart 1998 de verleende vergunning met één jaar heeft verlengd; X-7735-3/7 Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat het arrest nr. 74.494 van 24 juni 1998 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft verworpen; Overwegende dat de eerste, de derde, de vierde, de vijfde en de zesde verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat te hunnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; Gelet op de kennisgeving aan de eerste, de derde, de vierde, de vijfde en aan de zesde verzoekende partij, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij zij binnen een termijn van vijftien dagen vragen om te worden gehoord; Overwegende dat de eerste, de derde, de vierde, de vijfde en de zesde verzoekende partij niet hebben gevraagd om te worden gehoord; Overwegende dat de tweede verzoekende partij in haar laatste memorie met betrekking tot het voorwerp van haar beroep het volgende uiteenzet : "De door verzoeker bestreden bouwvergunning is inmiddels vervallen. Het ministerieel besluit van 12 mei 1997 is tot stand gekomen onder de gelding van het Coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening. Artikel 50 van dat decreet bepaalde : 'Indien de vergunninghouder binnen een jaar na de afgifte van de vergunning niet met de werken is begonnen, is de vergunning vervallen. Op verzoek van de betrokkene kan het schepencollege de vergunning echter met een jaar verlengen.' De vergunninghouder heeft die verlenging aangevraagd en bekomen op 9 maart 1998 (...) Derhalve is de vergunning intussen van rechtswege vervallen (...) Zo oordeelde het Hof van Cassatie ook dat de enkele omstandigheid dat een derde een annulatieberoep tegen een bouwvergunning instelt voor de Raad van X-7735-4/7 State niet tot gevolg heeft dat de vervaltermijn van die bouwvergunning geschorst is zolang de Raad van State geen uitspraak heeft gedaan. (...) Noch op het moment van de bestreden beslissing, noch op het moment van de verlenging, was het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening van toepassing, zodat de tussenkomende partij zich niet kan beroepen op het huidige artikel 128 al.2 van dat decreet van 18 mei 1999 dat pas later in werking is getreden. * Een ander belangrijk en opmerkelijk feit dat aantoont dat tussenkomende partij niet zeker is van de effectieve aanvaarding van het huidige ontwerp als zijnde in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening is het feit dat hij desondanks de huidige bouwvergunning, een nieuwe princiepsaanvraag voor een ander, veel milder project dat op dezelfde kavel gerealiseerd dient te worden, heeft ingediend. Dit project houdt in dat op dezelfde kavel een aantal losse woningblokken met ieder 3 bouwlagen gebouwd zouden worden. (...)"; Overwegende dat de tussenkomende partij in een "laatste toelichtende memorie" hierop repliceert als volgt : "
  10. In verband met het belang van de tussenkomende partij merkt de verzoekende partij in haar laatste memorie op dat haar bouwvergunning inmiddels vervallen zou zijn. Zulks is hoegenaamd niet het geval. De wetgeving en rechtspraak waarnaar verzoekende partij verwijst zijn correct, doch verzoekende partij houdt geen rekening met de tussengekomen beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout dd. 6 april 1999 (rolnr. 99/112/C). Op vordering van de tussenkomende partij heeft de Voorzitter bevolen dat de bouwvergunning geschorst wordt en blijft tot op het ogenblik dat de afdeling Administratie van de Raad van State bij eindarrest uitspraak zal hebben gedaan over de hangende annulatievordering (...). Deze beschikking werd betekend aan de verwerende partij op 16 april
  11. Er volgde geen beroep, noch verzet. De beslissing is definitief en hiertegen staat geen rechtsmid- del meer open.
  12. De bouwvergunning is dan ook niet vervallen zoals verzoekende partij beweert. Het belang van de tussenkomende partij is dan ook evident aanwezig.
  13. Verzoekende partijen vermelden op bladzijde 3 van hun laatste memorie vanaf de 4 de alinea op een niet duidelijke wijze dat een nieuwe principeaanvraag tot bouwvergunning zou zijn ingediend. Dat is evenwel niet correct. Er is een gedachtenwisseling geweest over een mogelijke andere invulling van het bouwterrein. Die mogelijkheid is ook besproken met de gemeente. Een alternatief project, dat getoetst werd, bleek niet realistisch. Er is geen aanvraag ingediend, noch minder een bouwaanvraag. De vergunde aanvraag is in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening en is vergund. Tussen- komende partij heeft haar belang volledig behouden. De opmerkingen van verzoekende partij zijn irrelevant"; Overwegende dat, wat de beweerde princiepsaanvraag betreft, uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de tussenkomende partij een nieuwe aanvraag heeft ingediend en bijgevolg zou hebben verzaakt aan huidige vergunning; dat de exceptie in zoverre niet kan worden aangenomen; X-7735-5/7 Overwegende dat de bestreden vergunning werd verleend op 12 mei 1997 en op 9 maart 1998 met één jaar werd verlengd; dat het verval van deze vergunning bepaald wordt overeenkomstig het alsdan geldende artikel 50 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals het van toepassing was voor de opheffing ervan door artikel 171, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Overwegende dat in gevolge artikel 50 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de vergunning vervalt indien de vergunninghouder niet binnen één jaar na de afgifte van de vergunning met de werken is begonnen en de vergunning door het college van burgemeester en schepenen met één jaar kan worden verlengd op verzoek van de betrokkene; dat niet wordt betwist dat geen aanvang is genomen met de werken; dat niet blijkt noch wordt aangevoerd dat de oorzaak van het niet uitvoeren van de vergunde werken moet worden toegeschreven aan het ingediende beroep tot nietigverklaring; dat de vergunning, verleend door het bestreden besluit, is vervallen; dat dit verval krachtens de wet zelf geschiedt; dat de beschikking van 6 april 1999 van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zitting houdend in kort geding, waarnaar de tussenkomende partij verwijst en die de schorsing beveelt van het bestreden besluit "tot op het ogenblik dat de afdeling Administratie van de Raad van State bij eindarrest uitspraak zal hebben gedaan over de hangende annulatievordering (...)", beschikking die overigens bij verstek is gewezen tegen de gemeente Vosselaar en waarin het Vlaamse Gewest geen partij was, niet vermag dit krachtens de wet zelf opgetreden verval op te schorten of de wettelijke vervaltermijn te schorsen, daargelaten de vraag naar de bevoegdheid van de burgerlijke rechter in kort geding om de schorsing van een bouwvergunning te kunnen bevelen derwijze dat de verlengde vervaltermijn niet wordt geschorst; dat het beroep geen voorwerp meer heeft; dat de exceptie gegrond is, BESLUIT: Artikel
  14. De afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van de eerste, de derde, de vierde, de vijfde en de zesde verzoekende partij. X-7735-6/7 Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen ten aanzien van de tweede verzoekende partij. Artikel
  16. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een zesde. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de tweede verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de vordering tot schorsing en in het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-7735-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.377 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.74.494 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.