← België

Arrest 131381 - - 13/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.381 Rolnummer: A. 108452/X-10489 Zaak: Arrest 131381 - - 13/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-27 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:25 Fiche Arrest nr 131.381 van 13 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.381 van 13 mei 2004 in de zaak A. 108.452/X-10.

  1. In zake : Yves MOLENAERS, die woonplaats kiest bij Advocaat K. WAUTERS, kantoor houdende te 3620 LANAKEN, Kanaaldijk 3 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Yves MOLENAERS op 3 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 mei 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende verwerping van zijn beroep ingesteld tegen de beslissing van 24 september 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor het plaatsen van twee scheidingsmuurtjes en een verharding in klinkers op een perceel gelegen te Hasselt, Mouterijstraat 21, kadastraal bekend Sectie G, nr. 593 l2; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 30 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-10.489-1/5 Gelet op de beschikking van 17 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. DE CLERCQ die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 9 maart 1998 de regularisatievergunning aanvraagt voor het plaatsen van twee scheidingsmuurtjes en een verharding in klinkers; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt op 2 juli 1998 de regularisatievergunning weigert; dat verzoeker op 24 augustus 1998 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg op 24 september 1998 beslist het beroep niet ontvankelijk te verklaren wegens het niet tijdig indienen van het beroepsschrift; dat verzoeker op 16 oktober 1998 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media; dat de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media op 30 mei 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit thans de bestreden beslissing is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat het artikel 158, §1, tweede lid, D.R.O. een koppeling introduceert tussen het vergelijk enerzijds en de regularisatievergunning anderzijds, dat deze koppeling niet bestond op het ogenblik van de regularisatieaanvraag; dat verzoeker stelt dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest om het voornoemde artikel onmiddellijk toepasselijk te maken op lopende aanvragen, aangezien dit voor gevolg zou hebben "dat alle regularisatieaanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van het DRO zinloos (zouden) worden", dat dit een schending is van artikel 6 E.V.R.M., en van X-10.489-2/5 de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nl. het rechtzekerheids- en vertrouwensbeginsel, dat "wanneer een persoon onder de voorwaarden valt om een regularisatievergunning in te dienen, (...) een overheid achteraf zijn vertrouwen niet (kan) beschamen door een nieuwe reglementering aan te nemen in de loop van de aanvraagprocedure, waardoor het de aanvrager onmogelijk wordt gemaakt om effectief nog de regularisatievergunning te bekomen(, dat) aldus (...) de aanvrager een procedure (wordt) opgelegd, waaraan hij niet kan voldoen"; dat verzoeker tenslotte opwerpt dat door de wijzigingen van de artikelen 158 en 159 D.R.O. het thans niet meer noodzakelijk is dat de aanvrager van een regularisatievergunning voorafgaand een voorstel tot vergelijk bekomt; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat "krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. (...) een regularisatievergunning slechts (kan) worden verleend dan na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, §2, D.R.O.", dat dit certificaat niet kon worden voorgelegd op het ogenblik dat huidig beroep tot nietigverklaring werd ingediend, dat verzoeker derhalve geen belang heeft bij de vordering; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat, aangezien een verzoeker moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat op het ogenblik van de regularisatieaanvraag de toen geldende regelgeving het voor handen zijn van een certificaat niet vereiste voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet inhoudt dat verzoeker op het ogenblik van het indienen van de vordering een belang heeft bij de vordering; dat te dezen hoe dan ook blijkt dat op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep, de eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit aan verzoeker geen voordeel kon verschaffen vermits op dat ogenblik de vergunningverlenende overheid verplicht zou zijn geweest, bij gebreke aan certificaat, opnieuw de vergunning te weigeren; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde X-10.489-3/5 regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat verzoeker hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is, Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie vraagt volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof : "- Schenden de oorspronkelijke artikelen 158 en 159 van het Decreet d.d. 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 6 E.V.R.M., artikel 1 van het eerste protocol bij het E.V.R.M. en het rechtszekerheidsbeginsel, in zoverre dat deze artikelen zo worden geïnterpreteerd en/of toegepast dat zij onmiddellijke werking hebben in een hangende administratieve procedure waardoor een aanvrager van een regularisatievergunning die voorafgaand aan de inwerkingtreding van voornoemde artikelen 158 en 159 geen voorstel tot vergelijk moest hebben, dit wel nodig heeft na de inwerkingtreding van voornoemde artikelen en dit zelfs wanneer de regularisatieaanvraag reeds werd ingediend vóór de inwerkingtreding van de artikelen 158 en
  3. - Zijn de artikelen 7 en 16, lid 2 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemene nutte en artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met het artikel 159 van de Grondwet en de artikelen 6 en 13 E.V.R.M., inzoverre dat voormelde artikelen een rechtsonderhorige voor de Raad van State de mogelijkheid zouden ontnemen om op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid van een onteigeningsbesluit in te roepen van een administratieve rechtshandeling omdat de volledige wettigheidscontrole door voormelde artikelen zou zijn toegekend aan de gewone rechtbanken daar waar elke andere rechtsonderhorige op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid van een andere administratieve rechtshandeling kan inroepen. - Schendt artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 159 van de Grondwet en 6 en 13 E.V.R.M., inzoverre dat, in toepassing van artikel 14, § 1, de rechtsonderhorige bij de beoordeling van de nietigheid van een administratieve rechtshandeling op grond van artikel 159 van de Grondwet de Raad van State niet meer zou kunnen vragen een individuele administratieve rechtshandeling buiten toepassing te laten als de termijn voor het instellen van een verzoekschrift tot nietigverklaring of van een vordering tot schorsing bij de Raad van State tegen deze individuele administratieve rechtshandeling is verstreken, terwijl diezelfde rechtsonderhorige op grond van artikel 159 van de Grondwet die mogelijkheid nog wel heeft voor de gewone rechtbanken"; Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een decreet van de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten" van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken op deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe echter niet is X-10.489-4/5 gehouden wanneer de zaak niet door de Raad kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat te dezen de reden van niet-ontvankelijkheid van de vordering niet is ontleend aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het instellen van voornoemde vragen; dat deze uitzondering te dezen van toepassing is, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.489-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.381 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.