id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.462 Rolnummer: A. 86275/IX-2000 Zaak: Arrest 131462 - - 17/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:28 Fiche Arrest nr 131.462 van 17 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.462 van 17 mei 2004 in de zaak A. 86.275/IX-
- In zake : Jan DELVA, die woonplaats kiest bij advocaten M. STORME en P. TAELMAN, kantoor houdende te GENT, Coupure 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie P. WOUTERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Vilain XIIII straat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan DELVA op 23 augustus 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing genomen door de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken op 23 maart 1999, houdende vaststelling van de memorie van verzoeker op een lager bedrag dan door deze laatste begroot; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2000-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VANHEULE, die loco advocaten M. STORME en P. TAELMAN verschijnt voor verzoeker, en van advocaat bij het Hof van Cassatie P. WOUTERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt :
- Verzoeker is gerechtsdeurwaarder te Gent.
- Op 1 juli 1998 dient verzoeker een memorie in met de begroting van de kosten voor diensten gepresteerd in strafzaken voor het tweede kwartaal van 1998 voor een bedrag van 102.418 BEF. Deze memorie wordt toegestuurd aan de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken. Met een brief van 12 oktober 1998 wordt namens de minister van Justitie aan verzoeker gemeld dat de bovenvermelde memorie voorgelegd werd aan de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken (hierna ook “de commissie” IX-2000-2/6 genoemd) en dat in afwachting van de beslissing van de commissie een provisie wordt toegekend ten bedrage van 52.000 BEF.
- Met een brief van 16 december 1998 wordt namens de commissie aan verzoeker uitleg gevraagd over het bij dagvaardingen ook in rekening brengen van de vergoeding bepaald in artikel 17 van het algemeen reglement en wordt hij met het oog op herberekening van de memorie uitgenodigd om de kolom ROL op te splitsen in gewone en mechanische rollen. In een brief van 8 januari 1999 verstrekt verzoeker uitleg en geeft hij de gevraagde uitsplitsing van de rollen.
- Tijdens de zitting van 23 maart 1999 beslist de commissie dat de kosten die door verzoeker in bovenvermelde memorie werden opgegeven, dienen te worden verminderd en wordt het bedrag van die memorie vastgesteld op 90.712 BEF. Blijkens een uittreksel uit de notulen van de zitting van 23 maart 1999 is die beslissing als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat : Overeenkomstig artikel 11 van het algemeen reglement, voor het origineel en het afschrift van dagvaardingen, 336 F (in 1998) wordt toegekend; De dagvaardingen alle bij de wet vereiste gegevens en inlichtingen moeten bevatten, dat de fotokopie van de vordering tot dagvaarding die bij het door de gerechtsdeurwaarder opgesteld stuk wordt gevoegd, voor zover de dagvaarding zelf deze elementen niet bevat (bij ontstentenis van de gegevens vermeld in de vordering is de akte nietig) en de verplichting om de tekst van het eerste lid van § 4 van artikel 674 van het Gerechtelijk Wetboek te vermelden, noodzakelijk deel uitmaakt van het exploot; Dientengevolge kunnen noch het bedrag vastgesteld bij artikel 11, voor elk bijkomend afschrift, noch de bedragen voorzien in artikel 17, worden toegekend voor de fotokopie van het bevel tot dagvaarding”. Dat is de bestreden beslissing. IX-2000-3/6 Overwegende dat in het auditoraatsverslag ambtshalve wordt opgeworpen dat de Raad van State niet bevoegd is om van de vordering tot nietigverklaring kennis te nemen omdat, anders dan voor de deskundigen het geval is, titel I, hoofdstuk I, afdeling 3, van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken zelf het bedrag van de vergoedingen voor de prestaties van de gerechtsdeurwaarders vaststelt en dat luidens artikel 79 de minister van Justitie de memorie van een gerechtsdeurwaarder aan de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken bezorgt wanneer hij van oordeel is "dat de voorwaarden van het tarief niet werden in acht genomen"; dat met andere woorden volgens het bevoegde lid van het auditoraat noch de minister van Justitie noch de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken over een discretio- naire beoordelingsbevoegdheid beschikken, zodat de betrokken gerechtsdeurwaar- ders dan ook een subjectief recht op de in het koninklijk besluit van 28 december 1950 bepaalde vergoedingen kunnen laten gelden en de Raad van State niet bevoegd is; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie hiertegen inbrengt dat de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken, gelet op haar samenstelling, de specifieke bevoegdheidsomschrijving, het gewaarborgde recht van gerechtsdeurwaarders om te worden gehoord en de bindende kracht van haar beslissingen, een administratief rechtscollege is en dat de Raad van State krachtens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van het administratief cassatieberoep tegen een in laatste aanleg gewezen beslissing van een dergelijk rechtscollege; Overwegende dat het onderhavige geschil ontstaan is doordat sommige memories houdende kostenstaten ter vergoeding van opdrachten van het parket die verzoeker had ingediend bij de minister van Justitie door deze laatste niet werden aanvaard; dat er met name een betwisting was gerezen over de vraag of bepaalde akten al dan niet apart moesten worden aangerekend; dat het in wezen gaat om de juiste interpretatie van de tariefbepalingen in de artikelen 11 en 17 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 waarvan niet kan worden afgeweken; dat IX-2000-4/6 luidens artikel 79 de memories van de gerechtsdeurwaarders aan de minister van Justitie worden bezorgd, die nagaat of de voorwaarden van het tarief in acht werden genomen en die, wanneer hij van oordeel is dat dit niet het geval is, ze bezorgt aan de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken, welke het bedrag van de memorie vaststelt en ze voor uitbetaling bezorgt aan de minister van Justitie; Overwegende dat de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken ressorteert onder het ministerie van Justitie; dat de door verzoeker opgesomde kenmerken van de commissie, ook al zou daaruit afgeleid kunnen worden dat haar beslissingen een quasi-jurisdictioneel karakter hebben, niet volstaan om te besluiten dat zij een administratief rechtscollege is; dat voor dat laatste ook nog vereist is dat de kennisneming van het soort geschillen over subjectieve rechten - waarvan dan aangenomen zou moeten worden dat zij geen burgerlijk karakter hebben - haar, om te voldoen aan artikel 146 van de Grondwet, krachtens de wet is toegekend; dat aangezien dat niet het geval is zij beschouwd dient te worden als een administratieve overheid wier beslissingen, zo zij subjectieve rechten betreffen, krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet uitsluitend aan de toetsing van de rechterlijke macht onderworpen zijn; Overwegende dat de omstandigheid dat een overheid een gebonden bevoegdheid heeft niet uitsluit dat zij bij de uitoefening van die bevoegdheid dient uit te maken welke wets- of reglementsbepalingen van toepassing zijn en welke hun draagwijdte is; dat de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken dat heeft gedaan toen zij, op vraag van de minister, zich heeft uitgesproken over de vraag of de voorwaarden van het tarief in acht genomen waren; dat de voornoemde commissie op grond hiervan dan heeft bepaald welke bedragen aan verzoeker verschuldigd waren; dat verzoeker, indien hij zich met die uitspraak niet kan verenigen, het naar zijn mening verschuldigde bedrag kan vorderen voor de gewone rechter die dan ook, net zoals de commissie, zal moeten uitmaken welke bepalingen van toepassing zijn en welke hun draagwijdte is; dat de Raad van State niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen; IX-2000-5/6 Overwegende dat in de bestreden beslissing ten onrechte is vermeld dat er beroep tegen openstaat bij de Raad van State; dat het dan ook past de kosten ten laste van de verwerende partij te brengen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-2000-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.462 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.