← België

Arrest 131463 - - 17/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.463 Rolnummer: A. 86992/IX-3417 Zaak: Arrest 131463 - - 17/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-03 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 06:28 Fiche Arrest nr 131.463 van 17 mei 2004 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.463 van 17 mei 2004 in de zaak A. 86.992/IX-

  1. In zake : Jean DEWIT, wonende te STROMBEEK-BEVER, J. Van Elewyckstraat 92, bus 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. tussenkomende partij : Dirk VAN DEN BULCK, die woonplaats kiest bij advocaat M. BEELEN, kantoor houdende te TIENEN, Bostsestraat 49, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean DEWIT op 27 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 19 april 1999 waarbij Dirk VAN DEN BULCK wordt aangesteld tot bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Gelet op het arrest nr. 84.842 van 25 januari 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 17 maart 2000 door verzoeker; IX-3417-1/5 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 14 april 2000; Gelet op de beschikking van 25 april 2000 die de tussenkomst van Dirk VAN DEN BULCK toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 5 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 januari 2004 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 1 maart 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN ALSENOY, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat H. VERMEIRE, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. BEELEN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur M. LEFEVER; IX-3417-2/5 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de raadsvrouw van de tussenkomende partij Dirk VAN DEN BULCK in een brief van 24 september 2002 stelt dat verzoeker elk belang bij zijn annulatieberoep heeft verloren omdat aan de functie van de tussenk- omende partij als bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen sinds 1 juli 2002 een einde is gekomen, aangezien zij met ingang van die datum benoemd is tot adjunct-commissaris bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Overwegende dat verzoeker betwist dat hij daardoor zijn belang verloren heeft; dat hij uiteenzet dat hij ook een beroep heeft ingesteld tegen het koninklijk besluit van 26 juni 2002 waarbij de huidige tussenkomende partij benoemd is tot adjunct-commissaris bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dat de -onwettig- door de tussenkomende partij opgedane ervaring als bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar daarbij ongetwijfeld tot voordeel heeft gestrekt en dat "zoals reeds vroeger uiteengezet, zijn belang nog steeds reëel is", dat wil zeggen meer dan louter moreel; dat hij vraagt de twee zaken samen te behandelen; Overwegende dat ten gevolge van de aanstelling van de tussenk- omende partij tot adjunct-commissaris bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de door haar bezette functie als bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen opnieuw vacant geworden is; dat een eventuele nietigverklaring van de, eveneens door verzoeker bestreden, aanstelling van de tussenkomende partij tot adjunct-commissaris (zaak gekend onder nr. A. 126.840/IX-3495) daaraan weliswaar met terugwerkende kracht een einde zou maken; dat echter weinig waarschijnlijk is dat die nietigverklaring uitgesproken zal worden vóór 31 juli 2004, zijnde de einddatum van de termijn waarvoor de in deze zaak bestreden aanstelling tot bijzitter in de Vaste Beroepscommissie gold; dat met de eventualiteit dat verzoeker bij wijze van rechtsherstel in de plaats van de IX-3417-3/5 tussenkomende partij tot bijzitter benoemd wordt dan ook geen rekening gehouden kan worden; Overwegende dat het aangesteld zijn tot bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op het eerste gezicht geen voorwaarde is voor de benoeming tot adjunct-commissaris bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 26 juni 2002 houdende aanstelling van de tussenkomende partij in dat ambt, verzoeker echter stelt dat, gelet op sommige door hem aangehaalde stukken "het moeilijk te begrijpen (valt) dat er geen rekening zou zijn gehouden met de ervaring door de Heer VAN DEN BULCK opgedaan sedert de aangevochten benoeming van 19 april 1999, in weerwil van de juist hierboven aangehaalde passus van het arrest van 25 januari 2000"; dat bedoeld arrest de vordering tot schorsing van de in deze zaak bestreden benoeming verwerpt en de aangehaalde passus ervan luidt : "Overwegende dat, wanneer de door verzoeker gevreesde ervaring bekeken wordt in functie van een nieuwe eerste aanstelling na vernietiging van het thans bestreden besluit, de verwerende partij geen rekening zal mogen houden met de ervaring die de tussenkomende partij op dat ogenblik in het betrokken ambt reeds zal verworven hebben aangezien dan zal vast staan dat die ervaring op onwettige wijze verworven is"; dat de ervaring waarvan in dat arrest sprake is dus niet in verband wordt gebracht met een latere aanstelling in een ander ambt; Overwegende dat, hoe dan ook, de Raad van State thans moeilijk kan uitmaken of verzoeker een toereikend belang behoudt bij het onderhavige beroep louter doordat het gegrond verklaren ervan -mede- de onwettigheid van de latere benoeming tot adjunct-commissaris bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zal aantonen, zonder zich nu reeds uit te spreken over de gegrondheid van verzoekers beroep tegen die laatste benoeming; dat de vaststelling dat de uitslag van dit beroep mogelijk een invloed kan hebben op de gegrondheid van dat ander beroep, echter niet volstaat om nu reeds te besluiten dat de twee beroepen verknocht zijn en samengevoegd dienen te worden; dat het IX-3417-4/5 derhalve past de uitspraak ten gronde in deze zaak uit te stellen tot de zaak nr. A. 126.840/IX-3495 in staat van wijzen zal zijn, BESLUIT: Artikel
  3. De debatten worden heropend. Artikel
  4. De behandeling van de onderhavige zaak wordt uitgesteld om gelijktijdig met de zaak nr. A. 126.840/IX-3495 behandeld te worden. Artikel
  5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-3417-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.463 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.84.842 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.627 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.