← België

Arrest 131467 - - 17/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.467 Rolnummer: A. 146989/IX-4044 Zaak: Arrest 131467 - - 17/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 06:29 Fiche Arrest nr 131.467 van 17 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.467 van 17 mei 2004 in de zaak A. 146.989/IX-

  1. In zake : Tom VAN HELLEMOND, die woonplaats kiest bij advocaat C. TEURELINCKX, kantoor houdende te MERKSEM, Bredabaan 808 tegen : de burgemeester van de stad ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Tom VAN HELLEMOND op 26 januari 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de beslissing van 26 november 2003 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij hij bij wijze van ordemaatregel verder voorlopig wordt geschorst met inhouding van wedde; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4044-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. WATTECAMPS, die loco advocaat C. TEURELINCKX verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. VAN DER STRATEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politie Antwerpen. 1.
  4. Met een brief van 28 juli 2003 deelt de procureur des Konings te Antwerpen aan de korpschef van de lokale politie Antwerpen mee dat zijn ambt op 25 juli 2003 een gerechtelijk onderzoek vorderde lastens verzoeker en een collega, en dat beiden door de onderzoeksrechter in verdenking werden gesteld hoofdens valsheid in authentieke akten, foltering door openbaar ambtenaar en wederrechtelijke vrijheidsbeneming door openbaar ambtenaar. Hij stelt voor om, gelet op de ernst van de feiten, jegens beiden een ordemaatregel van voorlopige schorsing te nemen in afwachting van de beëindiging van het lopend gerechtelijk onderzoek. 1.
  5. Op 29 juli 2003 beslist de korpschef verzoeker bij hoogdringend- heid te schorsen met ingang vanaf de betekening van zijn beslissing, en deze voorlopige schorsing gepaard te laten gaan met een inhouding van wedde ten bedrage van 25 % van de brutowedde. Bij zijn ondervraging door de korpschef formuleert verzoeker enkel de vraag waarom zijn raadsman niet aanwezig mag zijn bij het verhoor. 1.
  6. Op 29 juli 2003 beslist de burgemeester van Antwerpen de voorlopige schorsing met inhouding van wedde gelijk aan 25 % van de brutowedde te bekrachtigen voor de duur van ten hoogste vier maanden. 1.
  7. Met een brief van 24 oktober 2003 wordt verzoeker door de burgemeester opgeroepen om op 25 november 2003 te worden gehoord in het licht van een eventuele verlenging van zijn voorlopige schorsing. IX-4044-2/7 1.6.
  8. Eveneens op 24 oktober 2003, richt de burgemeester een brief aan de procureur des Konings, waarin hij met betrekking tot de voorlopige schorsing van verzoeker meedeelt wat volgt : "Betrokkene werd met ingang van 29 juli 2003 bij wijze van ordemaatregel voorlopig geschorst voor een termijn van maximum vier maanden. Indien noodzakelijk, kan deze voorlopige schorsing worden verlengd tot uiterlijk 4 maanden na de gerechtelijke eindbeslissing, de seponering van het dossier of het verval van de strafvordering. Op dinsdag 25 november a.s. zal de mogelijke verlenging door mij worden behandeld. Om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen verzoek ik U beleefd om mij vóór 25 november a.s. te laten weten of er intussen uit het gerechtelijk onderzoek nog elementen kunnen worden weerhouden, die de verlenging van de voorlopige schorsing van Van Hellemond Tom kunnen ver- antwoorden." 1.6.
  9. De procureur des Konings antwoordt daar op 4 november 2003 het volgende op : "In antwoord op Uw schrijven van 24 oktober jl. inzake VAN HELLE- MOND Tom, deel ik U mede dat er geen nieuwe elementen kunnen weerhouden worden die de verlenging van de voorlopige schorsing kunnen verantwoorden." 1.6.
  10. Als reactie op die brief, deelt de burgemeester met een brief van 14 november 2003 aan de procureur des Konings mee wat volgt : "Vermoedelijk werd mijn vraagstelling onjuist begrepen. Als burgemeester dien ik mij te laten inlichten door het Parket om te vernemen, of er ondertussen in het gerechtelijk onderzoek evoluties hebben plaats gehad, die de aanvankelijke tenlastelegging voor betrokkene hebben doen wijzigen. Het is duidelijk dat, wanneer de aanvankelijke kwalificatie van de in verdenkingstelling behouden blijft, door mij de voorlopige schorsing heel waarschijnlijk zal verlengd worden. Gelieve mij bijgevolg vóór 25 november 2003 te laten weten, of er in de tenlastelegging wijzigingen zijn opgetreden." 1.6.
  11. Met een brief van 24 november 2003 deelt de procureur des Konings aan de burgemeester mee "dat de aanvankelijke kwalificaties van de inverdenkingstelling tot op heden behouden blijven". 1.
  12. Op 25 november 2003 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadslieden, door de burgemeester gehoord. IX-4044-3/7 1.
  13. Op 26 november 2003 beslist de burgemeester van Antwerpen verzoeker "bij wijze van ordemaatregel verder voorlopig te schorsen tot uiterlijk vier maanden nadat een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen, of nadat het dossier werd geseponeerd dan wel de strafvordering vervallen is en deze maatregel gepaard te laten gaan met de inhouding met 25 % van de bruto maandwedde". Dat besluit, dat het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing, bevat volgende overwegingen : "Overwegende dat: C de vervangende korpschef zijn beslissing baseerde op de inhoud van het hoger vermeld schrijven uitgaande van de procureur des Konings, waaruit blijkt dat betrokkene het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek; C de vervangende korpschef in zijn beslissing verwijst naar de artikels 123, 127, 130 en 132 van de wet van 7 december 1998, waarin wordt gesteld dat politieambtenaren burgers dienen te beschermen, de rechten van de mens en fundamentele vrijheden in acht dienen te nemen, daden van willekeur moeten uitsluiten en gedragingen dienen te vermijden in strijd met de waardigheid van het ambt; Aangezien betrokkene door de onderzoeksrechter in verdenking is gesteld wegens: - valsheid in authentieke akten, - foltering door openbaar ambtenaar en: - wederrechtelijke vrijheidsbeneming door openbaar ambtenaar; gedraagt hij zich duidelijk niet naar de bepalingen van voormelde wet. C de procureur des Konings in zijn schrijven in afwachting van de beëin- diging van het lopend gerechtelijk onderzoek om de voorlopige schorsing van betrokkene verzoekt; C de vervangende korpschef stelt dat de burgers vertrouwen moeten kunnen hebben in de politiediensten en politiebeambten ook het vertrouwen moeten kunnen genieten van hun collega's en hiërarchische oversten en dat betrokkene door de feiten waarvan hij wordt verdacht, dit vertrouwen duidelijk heeft geschonden waardoor de aanwezigheid van betrokkene onverenigbaar is met het belang van de dienst, zijnde een standpunt dat ik kan bijtreden; (...) C door de verdediging aandacht wordt gevraagd voor de financiële gevolgen van de inhouding van 25 % op de wedde. Hierbij wordt geen melding gemaakt dat dit onoverkomelijk financiële gevolgen heeft voor het gezin; C het feit dat betrokkene na de aanhouding in vrijheid werd gesteld, niet betekent dat zijn aanwezigheid niet langer onverenigbaar is met de belangen van de dienst; C de verdediging de mening is toegedaan dat de korpschef een tuchtonder- zoek heeft gelast; Dit is een onjuiste conclusie. Het gerechtelijk onderzoek wordt afgewacht. C tijdens de hoorzitting door de verdediging van betrokkene een pleitnota werd overhandigd die bij het proces-verbaal van de hoorzitting werd gevoegd; C de pleitnota geen argumenten vermeldt waaruit zou kunnen blijken dat de voorlopige schorsing niet zou moeten verlengd worden; IX-4044-4/7 C de pleitnota geen argumenten vermeldt waaruit kan blijken dat de inhouding van 25 % zou moeten verminderd worden; C Van Hellemond Tom tijdens de hoorzitting een aan de burgemeester gerichte brief voorlas en dat deze brief (2 bladzijden) eveneens bij het proces-verbaal van de hoorzitting werd gevoegd; C de inhoud van de brief enkel de ervaringen weergeven die betrokkene in het kader van het gerechtelijk onderzoek meemaakte; C uit het schrijven van de procureur des Konings van 24 november 2003 blijkt dat de aanvankelijke kwalificaties van de inverdenkingstelling tot op heden blijven behouden; C de aanvankelijke kwalificaties van de inverdenkingstelling als volgt zijn: - valsheid in authentieke akten, - foltering door openbaar ambtenaar en - wederrechtelijke vrijheidsbeneming door openbaar ambtenaar; C de aanwezigheid van betrokkene bijgevolg nog steeds onverenigbaar is met het belang van de dienst; C een voorlopige schorsing het verbod oplegt om het ambt verder uit te oefenen, een non-activiteit van het personeelslid veroorzaakt en er geen verplaatsingskosten zijn; C er een duidelijk verschil in verloning is vereist ten einde een demotivatie van de actieve personeelsleden te voorkomen."
  14. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  15. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker uiteenzet wat volgt : "Door de bestreden beslissing wordt verzoeker niet de mogelijkheid geboden zijn dienst te hervatten en wordt verzoeker beknot in zijn carrièremogelijkheden en deze blijft hem tevens menselijk en psychisch achtervolgen. Het hoeft geen betoog dat dit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt in hoofde van verzoeker." 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen in essentie betoogt dat een niet-tuchtrechtelijke maatregel van voorlopige schorsing in beginsel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent en dat verzoeker geen gegevens aanreikt die erop wijzen dat in dit geval dergelijk nadeel wel aanwezig is, aangezien verzoeker niet uiteenzet waarom het niet kunnen hervatten van zijn werkzaamheden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou vormen, aangezien het volstrekt onjuist is dat de schorsing de carrièremogelijkheden IX-4044-5/7 van verzoeker zou beknotten en aangezien geen verduidelijking wordt gegeven omtrent het menselijk en psychisch leed dat verzoeker van het bestreden besluit zou ondervinden; 3.
  17. Overwegende dat het bestreden besluit betrekking heeft op een voorlopige schorsing, in het belang van de dienst, in het kader van een strafrechtelijke procedure; dat dergelijke beslissing geen tuchtrechtelijk karakter heeft en zich dus niet uitspreekt over enig schuldig gedrag van de betrokkene; dat daarom aangenomen wordt dat het nadeel dat dergelijke maatregel berokkent in beginsel goedgemaakt wordt door een vernietigingsarrest en dat het aan verzoeker toekomt aan te tonen dat hij zich in een uitzonderingssituatie bevindt doordat het nadeel dat hij ondergaat buiten het gewone valt; Overwegende dat verzoeker wijst op de onmogelijkheid om zijn dienst te hervatten; dat hij daarmee geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantoont; dat de verwerende partij terecht opmerkt dat verzoeker helemaal niet aantoont op welke wijze de preventieve schorsing de carrière ontwikkeling van verzoeker in de weg zou staan; dat verzoeker niet uiteenzet waarom het psychisch nadeel dat het bestreden besluit hem berokkent, niet goedgemaakt zal worden door een vernietigingsarrest;
  18. Overwegende dat niet voldaan is aan de tweede grondvoorwaarde waaronder de Raad van State de schorsing van het bestreden besluit kan bevelen, BESLUIT: Artikel
  19. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  20. IX-4044-6/7 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4044-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.467 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.753 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.