id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.468 Rolnummer: A. 145549/IX-4013 Zaak: Arrest 131468 - - 17/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:29 Fiche Arrest nr 131.468 van 17 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.468 van 17 mei 2004 in de zaak A. 145.549/IX-
- In zake : Erik GEERAERTS, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : het REKENHOF, dat woonplaats kiest bij advocaten D. D'HOOGHE en M. GELDERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Erik GEERAERTS op 13 december 2003 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 21 oktober 2003 van de algemene vergadering van het Rekenhof, waarbij beslist wordt een einde te stellen aan zijn stage, met een opzeggingstermijn van een maand volgend op de betekening van die beslissing; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 10 mei 2004; IX-4013-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LAHOUSSE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. SCHELLEKENS, die loco advocaten D. D'HOOGHE en M. GELDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker neemt deel aan het vergelijkend wervingsexamen voor de functie van informaticus voor systeem- en netwerkbeheer door het Rekenhof georganiseerd. Hij wordt als tweede gerangschikt, maar wordt toch opgeroepen aangezien de eerst gerangschikte kandidaat de betrekking niet aanvaardt. Op 11 september 2000 treedt hij in dienst als stagedoend informaticus. De duur van de stage bedraagt twee jaar. Een benoeming in vast dienstverband is afhankelijk van een gunstig eindverslag over de stage. 1.
- Na afloop van het eerste stagejaar merkt de stagebegeleider van verzoeker in het tussentijds stageverslag op dat verzoeker omwille van een personeelstekort binnen de Cel Controle Informatica (hierna: CCI) slechts gedeeltelijk de taken van systeem- en netwerkbeheer heeft kunnen uitoefenen, dat hij zich tijdens het tweede stagejaar meer moet toeleggen op taken die overeenstemmen met zijn functie en dat hij de kennis die hij heeft opgedaan tijdens verscheidene opleidingen in de praktijk moet brengen. 1.
- Op 29 juli 2002 beslist de algemene vergadering van het Rekenhof om, gelet op het feit dat de dienst CCI geen eerste auditeur-directeur heeft, de eerste auditeur-directeur van de tweede directie te belasten met de functie van directeur van de CCI voor de evaluatie van de stageverslagen. IX-4013-2/8 1.
- Op 30 juli 2002 stelt de eerste auditeur-revisor een eindestage- verslag op, waarin hij besluit dat verzoeker niet geschikt is voor de functie waarvoor hij werd aangeworven. De eerste auditeur-revisor wijst erop dat verzoeker zich ook tijdens het tweede stagejaar bijna uitsluitend met PC-supporttaken en niet met zijn voorziene hoofdtaken bezighield, dat hij weinig of geen interesse had voor systeem- en netwerkbeheer en te weinig initiatief nam om het systeem operationeel te houden. De eerste auditeur-directeur die werd aangesteld om de functie van directeur van de CCI te vervullen voor de evaluatie van de stageverslagen, voegt geen commentaar toe aan dit eindestageverslag. 1.
- Op 9 augustus 2002 dient verzoeker een bezwaarschrift in. Hij erkent dat hij zich onvoldoende op het systeembeheer heeft kunnen toeleggen, maar wijt dit aan praktische problemen en niet aan een gebrek aan interesse. 1.
- Op 10 september 2002 beslist de Nederlandse kamer van het Rekenhof dat de vaststellingen van de eerste auditeur-revisor niet kunnen leiden tot een voorstel om verzoeker definitief te benoemen in de graad van informaticus, aangezien hij onvoldoende bewezen heeft dat hij zijn taken als systeem- en netwerkbeheerder bij de CCI naar behoren kan uitoefenen. De kamer oordeelt evenwel dat de omstandigheden waarin hij zijn stage moest vervullen niet gunstig waren, vooral vanwege het personeelstekort bij de CCI. De Nederlandse kamer beslist aan de algemene vergadering voor te stellen dat de stage van verzoeker met één jaar verlengd wordt. Die kamer beslist ook dat de eerste auditeur-revisor onmiddellijk en vervolgens om de drie maanden met verzoeker een functione- ringsgesprek zal houden, waarvan de conclusies en afspraken schriftelijk zullen worden vastgelegd en worden overgemaakt aan de hoofdgriffier en de kamer zelf. De hoofdgriffier moet zich bovendien permanent op de hoogte houden van het verder verloop van de stage en op geregelde tijdstippen verslag uitbrengen aan de Nederlandse kamer. 1.
- Op 18 september 2002 beslist de algemene vergadering om de stage van verzoeker te verlengen met twaalf maanden, vanaf 1 oktober
- 1.
- Op 20 november 2002 heeft een eerste functioneringsgesprek plaats, waarbij uitvoerig wordt ingegaan op de functiebeschrijving van een systeem- en netwerkbeheerder. Er wordt beklemtoond dat de netwerkbeheerder pro-actief moet optreden en het de hoofdbedoeling moet zijn steeds een functioneel, snel, betrouwbaar en veilig netwerk aan te bieden. IX-4013-3/8 1.
- Op 24 januari 2003 heeft een tweede functioneringsgesprek plaats. De eerste auditeur-revisor geeft te kennen dat verzoeker onvoldoende ideeën aanbrengt, dat hij zich te veel beperkt tot de rol van uitvoerder, en dat hij nog steeds niet het eerste aanspreekpunt inzake systeem- en netwerkbeheer heeft. 1.
- Op 15 april 2003 heeft een derde functioneringsgesprek plaats. De eerste auditeur-revisor oordeelt dat er nog geen substantiële verbetering in de realisatie van de opgelegde taken heeft plaatsgevonden en de aangebrachte verbeteringen aan het netwerk en het operationeel houden van dat netwerk veeleer de verdiensten zijn van de collega’s dan van verzoeker zelf. 1.
- In zijn eindestageverslag van 23 juli 2003 stelt de eerste auditeur- revisor dat ook de laatste drie maanden van de stage geen verbetering aantonen en verzoeker niet in staat is gebleken de meeste taken die werden opgesomd in de functiebeschrijving goed uit te voeren. De eerste auditeur-revisor besluit : “Samengevat stel ik dan ook dat de heer Geeraerts niet geschikt is voor de functie waarvoor hij aangeworven werd en daarom dus niet tot benoeming over te gaan. Tijdens de 3 stagejaren is zijn geschiktheid niet tot uiting gekomen en er werd ook geen wezenlijke verbetering in het afgelopen jaar vastgesteld. Hij blijkt onvoldoende interesse en kennis te hebben in het beheer van de servers en het netwerk. De kwaliteit en de snelheid van uitvoering van de opgelegde taken zijn onvoldoende”. 1.
- Het eindestageverslag wordt samen met de opmerkingen van de eerste auditeur-directeur en van verzoeker voorgelegd aan de Nederlandse kamer van het Rekenhof. In zijn zitting van 12 augustus 2003 beslist die kamer dat verzoeker ongeschikt is voor de functie van systeem- en netwerkbeheerder en dat aan de algemene vergadering zal worden voorgesteld de ontslagprocedure in werking te stellen. 1.
- Op 21 augustus 2003 dient verzoeker tegen het voorstel om de ontslagprocedure in werking te stellen beroep in bij de raad van beroep. 1.
- In zijn advies van 22 september 2003 oordeelt de raad van beroep met vier stemmen tegen drie, dat verzoeker over het geheel van de stage onvol- doende objectief werd beoordeeld; met zes stemmen tegen één, dat er in de loop van de stage en met name tijdens het derde stagejaar onvoldoende opvolging en begeleiding van verzoeker is geweest en met vier stemmen tegen drie, dat op grond IX-4013-4/8 van de stukken uit het dossier en uit de door de raad bijkomend ingewonnen informatie over de al dan niet geschiktheid voor de functie van systeem- en netwerkbeheerder van het Rekenhof in de zin van het statuut van het personeel en van het reglement betreffende de stage geen uitspraak kan worden gedaan. De raad van beroep beslist met drie stemmen tegen twee bij twee onthoudingen ongunstig advies uit te brengen over het voorstel van de Nederlandse kamer om de ontslag- procedure in werking te stellen. 1.
- Op 21 oktober 2003 beslist de algemene vergadering van het Rekenhof dat aan de stage van verzoeker een einde wordt gesteld, met een opzeggingstermijn van één maand ingaande daags na de betekening van deze beslissing. Dit is de bestreden beslissing;
- Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat het ontslag wegens beroepsongeschiktheid evident een moeilijk te herstellen ernstig nadeel oplevert bij het zoeken naar nieuw werk; dat hij tijdens zijn stage onvoldoende mogelijkheden gekregen heeft om zijn deskundigheid te bewijzen, doch dat hij bij toekomstige sollicitaties zal geconfronteerd worden met het feit dat hij ontslagen werd omdat hij niet voldeed; dat hij informaticus is en dat het vanwege de grote concurrentie in die branche van zeer groot belang is de nodige kennis en ervaring te kunnen voorleggen; dat de beëindiging van zijn stage om reden van beroepsongeschiktheid een zeer ernstige aantasting betekent voor zijn kansen op de arbeidsmarkt, waarvan hij ook pecuniaire gevolgen zal ondervinden; dat daarnaast het ernstig nadeel ook een moreel aspect heeft omdat bij de beslissing tot beëindiging van de stage geen rekening werd gehouden met de specifieke omstandigheden waarin hij zijn stage diende te vervullen waarbij hij “gefrustreerd” achter blijft; IX-4013-5/8 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota antwoordt dat verzoeker zich beperkt tot vage en algemene beweringen, zonder in zijn verzoek- schrift duidelijk en concreet aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte ondergaat of dreigt te ondergaan; dat ook het beweerde nadeel dat verzoeker inroept niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden beslissing omdat die beslissing niet te benoemen geenszins impliceert dat verzoeker geen werk als informaticus kan vinden bij een andere werkgever of daarin ernstig benadeeld zal zijn; dat verzoeker als stagiair werd aangeworven en derhalve zijn geschiktheid voor de betrokken functie nog diende aan te tonen tijdens zijn proefperiode; dat het goed volbrengen van de stage daarenboven een voorwaarde was om vast benoemd te worden; dat het risico van een ongunstige afloop na een stageperiode inherent is aan een proeftijd en dat het feit dat het passende profiel aan verzoeker ontzegd werd voor de functie als systeem- en netwerkbeheerder op zich niet kan doorgaan “als een verdachtmaking van de capaciteiten van de verzoeker”; dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet betekent dat aan het ontslag van verzoeker een dergelijke ruime ruchtbaarheid moet worden gegeven, dat zijn tewerkstellingskansen in de informaticasector er door in het gedrang zouden komen; dat verzoeker ook geen bewijs aanbrengt van de omstandigheid dat de actuele situatie op de arbeidsmarkt in de sector waarin hij verder zou willen evolueren problematisch is; dat het aangevoer- de morele nadeel, in voorkomend geval, volledig kan worden hersteld door de vernietiging van de bestreden beslissing; dat verzoeker ook zelf de ernst van zijn vermeend moeilijk te herstellen ernstig nadeel “ondermijnd (heeft) door het verzoekschrift tot schorsing pas op een van de laatste nuttige dagen in te dienen” namelijk op de voorlaatste dag voor het verstrijken van de termijn voor het indienen van het schorsingsverzoek; dat het aangevoerde pecuniair nadeel niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden aangemerkt; 2.
- Overwegende dat het risico om na een stageperiode niet geschikt bevonden te worden, inherent is aan elke stageperiode en dergelijke mislukking dan ook op zichzelf geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt; dat de evaluatie die aan de basis ligt van het ontslag na de stageperiode, die altijd een proeftijd is, verzoeker niet in zulk een kwalijk daglicht stelt dat hij, alsof hij een tuchtrechtelijk afgezet ambtenaar was, ten aanzien van potentiële werkgevers in de sector van de informatica in een minder gunstig daglicht zou komen te staan; dat als hij niet aan de vereisten gesteld door de verwerende partij beantwoordt zulks nog niet betekent dat hij bij de werkgevers in de informaticasector als onbekwaam zal worden bestempeld als een gevolg van de bestreden beslissing; dat immers het risico van een ongunstige IX-4013-6/8 afloop na een stageperiode eigen is aan een proeftijd en dat aan het passende profiel ontzegd te worden voor een welbepaalde betrekking op zich niet als een twijfel omtrent zijn capaciteiten kan doorgaan; dat voorts de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet inhoudt dat aan het ontslag van verzoeker een dergelijke ruime ruchtbaarheid is gegeven, dat zijn tewerkstellingskansen in de informatica- sector er door in het gedrang zouden komen; dat hij, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, ook geen bewijs aanbrengt van de omstandigheid dat de actuele situatie op de arbeidsmarkt in de sector waarin hij verder zou willen evolueren problematisch is; dat in zover verzoeker verwijst naar de pecuniaire gevolgen van de bestreden beslissing, een pecuniair nadeel steeds kan hersteld worden; dat verzoeker tenslotte met betrekking tot het aangevoerde moreel nadeel geen concrete gegevens aanreikt waaruit kan blijken dat dit nadeel niet zou kunnen hersteld worden door de morele genoegdoening die door een vernietigingsarrest wordt verleend; dat derhalve niet is aangetoond dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-4013-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4013-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.468 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.998 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.